Literatuurberichten

Logo

(Leestijd: 16 - 32 minuten)

Noordegraaf Herman

In dit literatuurbericht wordt een selectie gepresenteerd van verschenen publicaties over diaconaat vanaf 2014 tot eind 2016. Daarbij zijn ook nog enige publicaties opgenomen uit 2013, die niet meer in het vorige bericht opgenomen konden worden, alsook enige publicaties uit 2017. In dit bericht wordt het protestantse woord ‘diaconaat’ (rooms-katholiek: ‘diaconie’) aangehouden ter aanduiding van activiteiten van kerken en daarmee verbonden groepen en organisaties ter bestrijding van materiële en sociale noden.

Participatiesamenleving

In zijn eerste troonrede (2013) sprak koning Willem Alexander over de overgang van de verzorgingsstaat naar de participatiesamenleving. Het werd het woord van het jaar in 2013. Hoe deze eruit gaat zien en invulling krijgt, moet nog bezien worden en zal afhangen van het politieke en maatschappelijke krachtenveld.
Wel is duidelijk dat in vergelijking met de klassieke verzorgingsstaat er meer nadruk ligt op eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid en de inzet van mantelzorgers en vrijwilligers (sociale netwerken). Deze verschuiving wordt verder gekenmerkt door decentralisatie van rijk naar gemeenten en door bezuinigingen.
Hoewel de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) al in 2007 werd ingevoerd, kregen deze ontwikkelingen nog een scherper profiel door invoering in 2015 van de Wmo 2015, de Participatiewet (die mede met de tussenfase van de Wet werk en bijstand de opvolger is van de Algemene Bijstandswet) en de Jeugdwet.
Al deze ontwikkelingen stellen kerken op indringende wijze voor de vraag hoe zij kerk willen en kunnen zijn in de lokale en regionale samenleving. Kerken bevinden zich wat dat betreft, net als overigens de burgerlijke gemeenten en maatschappelijke organisaties, in een zoek- en leerproces. Daarom is het van belang om onderzoek te doen naar opgedane ervaringen.
Franken en Noordegraaf deden twee jaar achtereen onderzoek naar de pilotprojecten die de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) in het kader van haar project Zorgzame Kerk in achttien plaatsten ondersteunde (Franken/Noordegraaf 2015; 2016). Het blijkt mogelijk om tot zinvolle, kleinschalige projecten te komen, die vooral betrekking hebben op het creëren van ontmoetingsplekken en het ondersteunen van mensen die zorgafhankelijk zijn. Kerken zijn daarbij interessant voor de burgerlijke gemeenten en organisaties vooral vanwege hun potentieel aan vrijwilligers. Het opzetten van dergelijke projecten vergt een intensieve voorbereiding en een positionering van lokale kerken in relevante netwerken in de lokale samenleving.
Over kerken in relatie tot de Wmo verschijnt in toerustingsmateriaal allerlei praktische informatie gericht op het diaconale handelen. Dat geldt ook voor de kaderbladen zoals Diakonia (PKN), Diakonie & Parochie (rk) en Diacoon (christelijk-gereformeerd). Als een instructief voorbeeld noem ik het boekje over het project Voor mekaar in het Statenkwartier in Arnhem. De opbouwwerker in deze wijk en de diaconaal consulent van de Protestantse Gemeente Arnhem, Margriet Kok, zetten een enquête uit om er achter te komen wie in de wijk behoefte heeft aan welke zorg en wie die hulp zou kunnen bieden. Op grond van de reacties konden allerlei activiteiten ontwikkeld worden en verbindingen tussen bewoners gelegd worden (Kok & Kooistra 2015).

Christelijk-sociaal denken

De invulling van de participatiesamenleving zal naast financiële overwegingen mede afhangen van samenlevingsvisies, waarin het mede gaat om de verantwoordelijkheidsverdeling tussen individu, huishoudens, civiele samenleving, markt en overheid. Binnen het christendom zijn er in deze verschillende tradities te onderscheiden, waaronder in Nederland de rooms-katholieke sociale leer en het protestants-christelijk denken het meest invloedrijk zijn.
2016 was een jaar waarin twee mijlpalen in het moderne christelijk-sociaal denken herdacht werden. Het betreft de encycliek Rerum Novarum van paus Leo XIII en de rede ‘Het sociale vraagstuk en de Christelijke religie’ die Abraham Kuyper hield bij de opening van het (eerste) Christelijk Sociaal Congres. Wie deze basisteksten, voorzien van een inleidende toelichting en met enige beschouwingen over de actuele relevantie, wil raadplegen, kan terecht in de door Rien Fraanje samengestelde en geredigeerde bundel (Fraanje 2016).
Het is vooral de Stichting Christelijk-Sociaal Congres, waar vele christelijke organisaties bij zijn aangesloten, die zich inzet om de erfenis op geactualiseerde wijze door te geven. Zij doet dit door het organiseren van bezinningsbijeenkomsten en met een groter congres, dat op 31 augustus en 1 en 2 september 2016 plaatsvond. De titel van het congresdocument was De kracht van verbondenheid.
In lijn met de hoofdstroom in het christelijk-sociaal denken wordt de nadruk gelegd op het initiatief van mensen zelf in hun verbanden. Het betreft een eigen sfeer tussen markt en staat. In de netwerksamenleving is de aard van de onderlinge relaties uiteraard wel veranderd. Het gaat erom nieuwe verbanden te creëren nu oude vertrouwde kaders steeds meer wegvallen. Op het congres zelf en in verslagen wordt een aantal van deze initiatieven gepresenteerd op het terrein van onder meer vluchtelingen, milieu en armoede (Stichting Christelijk-Sociaal Congres 2016).
Vanuit diaconaal perspectief is er veel waardevols te vinden in de invalshoek en in de initiatieven. Zonder daaraan af te doen is wel de vraag te stellen of deze inzet op micro- en mesoniveau voldoende de macro-ontwikkelingen vooral als het gaat om economisch-technologische ontwikkelingen weet te beïnvloeden en of de gevolgen voor de samenleving ook wat economisch beleid en welvaartsniveau aangaat, niet ingrijpender zijn dan uit de documenten en de discussies naar voren komt. Ook komen de historische terugblikken te weinig toe aan een kritische analyse van de christelijk-sociale stroming.
Niet specifiek naar aanleiding van het jubileum verschenen uitgaven over twee personen die in de christelijk-sociale stroming een belangrijke rol hebben gespeeld.
De eerste is de hervormde predikant A.S. Talma (1864-1916), die als minister tussen 1918-1913 de grondslag legde voor veel latere sociale wetgeving. Op 15 oktober 2016 vond in Arnhem, waar Talma predikant is geweest, een symposium plaats. In de gepubliceerde lezingen vinden we een levensoverzicht, zijn functioneren als predikant in Arnhem, zijn diaconale betrokkenheid en zijn actuele betekenis voor het beleid van het CNV, waarvan hij een van de wegbereiders was. Tevens zijn opgenomen zijn afscheidspreek van Arnhem uit 1901 en de tekst van zijn brochure Het goddelijk recht op vrijheid en zelfstandigheid ofwel De vrijheid van de arbeidende stand. Wie iets wil proeven van de grote weerstanden die er, gelegitimeerd met bijbelteksten, waren tegen de verbetering van het leven van werknemers en hun gezinnen, kan in Talma’s tekst daarvan veel voorbeelden vinden (Lagemaat & Kooistra 2016).
De tweede persoon is de sociale bisschop Joannes Aengenent (1873-1935). Erik Sengers, ook bekend vanwege zijn publicaties over caritas, wijdde zijn tweede proefschrift aan deze docent, wetenschapper en bestuurder. Deze ondersteunde de katholieke arbeidersbeweging en de verantwoordelijkheid van katholieken en hun organisaties voor het maatschappelijk leven. Door zijn sociaal-filosofische publicaties en zijn praktische arbeid heeft Aengenent bijgedragen aan de katholieke sociale beweging. De waarheid van de leer en de kerk stonden daarbij voor hem centraal (Sengers 2016).
Een op de actualiteit toegespitste bijdrage vinden we in de gesprekken die de theoloog/historicus Theo Salemink aangaat met verschillende tradities (Marx, socialisme, Calvijn, Thomas van Aquino, Franciscus van Assisi en nog anderen). Kunnen hun morele verhalen en inzichten bijdragen aan het temmen en bijsturen van de ‘tijger’, dat wil zeggen de neoliberale wereldorde? Als belangrijke motieven, die in onderscheiden gradaties in deze verhalen uit ‘de historische bibliotheek van de mensheid’ noemt Salemink de ‘mensenfamilie’ (alle mensen zijn gelijkwaardig, de waardigheid van de mens), het recht op verzet tegen onrecht, de voorrang voor de armen, rentmeesterschap en moeder aarde. Naast economische wetenschap en politiek zijn verhalen nodig om tot een mentaliteitsverandering te komen en een inzet voor ‘een economie met een menselijk gezicht’ (Salemink 2015).

Diaconale praktijken

Een breed scala aan activiteiten
Wie een breed beeld wil krijgen van de vele diaconale initiatieven kan terecht in het verslagboek van de ‘Ariëns Prijs voor Diaconie 2016’, waarin dertig diaconale initiatieven uit het aartsbisdom Utrecht worden beschreven. Zoals de jury schrijft, is een gemeenschappelijke noemer ‘verbinden’: wijkbewoners die met vluchtelingen eten, gasten uit begeleid-wonen-projecten, die naast ouderen zitten en zo is er nog veel meer te noemen. De activiteiten zijn gericht op het geven van aandacht, zorg, troost en hulp en worden in een aantal gevallen gecombineerd met maatschappelijke actie.
Naast deze voorbeelden van binnenlands diaconaat vinden we ook ‘wereldwijd diaconaat’ gericht op ondersteuning van projecten bijvoorbeeld in Afrika. Voorts moet het jeugddiaconaat genoemd orden: jongeren die diaconale activiteiten verrichten Een voorbeeld vormen de M25-groepen (genoemd naar de gelijkenis van het laatste oordeel in Matteüs 25). Een voorbeeld daarvan is de groep die boodschappen heeft gedaan en gekookt voor een opvangcentrum van dak- en thuislozen.

Helpen
Helpen behoort tot de kern van het diaconale handelen. Bestaat er daarbij zoiets als ‘christelijk helpen’ dat zich onderscheidt van helpen door niet-christenen? Dat is geen onschuldige vraag, omdat de beantwoording van deze vraag invloed heeft op de wijze waarop men het profiel van diaconale instituten en organisaties bespreekt en invult.
In Duitsland is dat een actuele discussie. De Zwitserse diaconiewetenschappers Christoph Sigrist en Heinz Ruegger bepleiten een scheppingstheologische benadering van het diaconaat (dus niet of in ieder geval niet primair bijvoorbeeld een christologische). Hiermee zeggen zij dat helpen een algemeen menselijk verschijnsel is. Daarmee willen zij een zakelijke benadering van diaconaat bevorderen, theologisch pretentieus spreken tegengaan en openheid voor samenwerking met anderen stimuleren.
In een door hen geredigeerde bundel wordt deze stellingname vanuit bijbelse, onderscheiden confessionele en ethische benaderingen bediscussieerd (Sigrist/Rüegger 2014). Deze discussie leidt in deze bundel tot een aanscherping van waarin het bij helpen gaat (motivaties, doelen, relatie helper-geholpene en dergelijke). Daarbij blijft het een discussiepunt hoe deze scheppingstheologische benadering zich verhoudt tot de lang dominante christologische invalshoek. Naar mijn mening is helpen inderdaad universeel menselijk, maar wie, hoe, waartoe men helpt varieert wel degelijk al naar gelang cultuur en religie. Vanuit het christelijk geloof is daarbij een eigen benadering te vinden die niet exclusief is en overlappingen kan vertonen met andere benaderingen en die ook kritisch hoort te zijn naar christenen, kerken en diaconale instituties zelf.

Armoede
Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw zijn kerken en diaconaat intensief betrokken bij vragen van (nieuwe) armoede. Dat leidde in 1987 tot de oprichting van de landelijke kerkelijke werkgroep De Arme Kant van Nederland. Deze droeg eraan bij dat er een geprofileerde kerkelijke anti-armoedebeweging ontstond met lokale en regionale vertakkingen, die werkte aan bewustwording, ondersteuning van mensen in armoede en hun organisaties en pleitbezorging. Bij gebrek aan financiële middelen werd de werkgroep in 2014 opgeheven Bewerken en bewaren 2014).
Wel is er in een afgeslankte vorm een landelijk steunpunt gekomen in de vorm van het Knooppunt Kerken en Armoede, dat gedragen wordt door een breed scala van kerken. Op de startbijeenkomst van het Knooppunt op 22 januari 2016 vond de presentatie plaats van een boek waarin een veelheid aan kerkelijke activiteiten op het terrein van armoede is te vinden (De Bie & Floor & Crijns 2016). Hoezeer armoede verworteld is in Nederland en hoezeer kerken daarbij in allerlei vormen van materiële en immateriële ondersteuning betrokken zijn, blijkt uit het onderzoek dat met steun van een brede alliantie van kerken en kerkelijke en oecumenische organisaties voor de zevende keer plaatsvond (Armoede in Nederland 2016. Onderzoeksrapport 2016).

Voedselbanken
Hoewel de meeste voedselbanken geen kerkelijke organisaties zijn, zijn kerken daar in de vorm van vrijwilligers, materiële ondersteuning en de beschikbaarstelling van kerkelijke gebouwen als uitdeelpunt wel sterk bij betrokken, zoals ook het zojuist genoemde onderzoek laat zien.
Dat het bij de voedselbanken om een internationaal verschijnsel gaat dat in alle delen van de wereld voorkomt en ook in de rijke landen, blijkt uit de bundel First World Hunger Revisited (Riches & Silvasti (2014). De redacteuren constateren een toename van voedselbanken, een verdere institutionalisering en verbinding met andere hulpverleningsinitiatieven, een positieve verwelkoming in de media en in de samenleving, een onvermogen om de ineffectiviteit van net ‘food charity-model’ te onderkennen en de politieke onwil om collectieve maatregelen gebaseerd op publieke verantwoordelijkheid te nemen.
Ook in Nederland zijn voedselbanken niet meer weg te denken en nemen zij een plaats in het armoedebeleid van vele burgerlijke gemeenten in. De voormalige wethouder van Sociale Zaken in Groningen Peter Verschuren schreef een boek over ‘de onstuitbare opmars van de voedselbank’, waarvan hij de waarde onderkent, maar die hij terecht met ambivalente gevoelens beziet (Verschuren 2015).
De vragen en dilemma’s rondom de kerkelijke inzet wat betreft voedselbanken vormen ook een discussiepunt in Duitsland, zo blijkt uit de bijdragen op een conferentie, die gebundeld zijn in de uitgave Die Rolle der Tafeln im Sozialstaat met de veelzeggende ondertitel Solidarische Ökonomie oder Armutszeugnis der Sozialpolitik? (Keller 2015).

Ouderen
Er is geen lokale kerkelijke gemeenschap die niet aan ouderenwerk doet. De relevantie en de vraag hoe dit moet gebeuren, zal met wat men noemt ‘de vergrijzing’, die zich in vele kerken nog in versterkte mate voordoet, alleen maar toenemen.
Daarom zijn studies van belang waarin onderzoek gedaan wordt naar praktijken in deze, die demografisch en gerontologisch goed geïnformeerd zijn en die bijbels-theologische gegevens daarbij betrekken. Al deze elementen vindt men in de oorspronkelijk (PThU Groningen) als proefschrift verdedigde studie van Timo Jahnke over waardig ouder worden binnen lokale kerken. De auteur slaagt er in deze verkennende studie in om bouwstenen voor beleid in deze te formuleren (Jahnke 2014).

Mensen met een beperking
Jean Vanier is de grondlegger van de internationale beweging van L’Arche, gemeenschappen waarin mensen met en zonder verstandelijke beperkingen samenwonen. In het boekje Zalig de zachtmoedigen beschrijft hij deze gemeenschappen en hun functioneren.
De bekende Amerikaanse theoloog Stanley Hauerwas geeft hierop een theologische reflectie (Hauerwas & Vanier 2015). Zoals te verwachten van deze theoloog van de kerk als tegencultuur beklemtoont Hauerwas hoezeer een anders omgaan met de tijd en daarmee met relaties en met zwakheid binnen de Ark-gemeenschappen verschilt van de in de samenleving dominante nadruk op efficiency, snelheid en kracht.
Vanier en Hauerwas stellen daarmee op inspirerende wijze kritische vragen naar het functioneren van kerken en samenleving. De uitwerking naar het politieke beleid krijgt daarbij weinig aandacht. Dat hangt ook samen met Hauerwas’ positie van een tegencultuur. De vraag is of hij daarbij geen afbreuk doet aan de doorwerking van zijn waardevolle inzichten.

Inloophuizen
Er zijn in Nederland vele inloophuizen. Deze zijn vanaf begin jaren tachtig veelal vanuit kerkelijk initiatief ontstaan en zijn daar meestal nog mee verbonden. Zij vormen een ontmoetingsplek voor mensen in de marge van de samenleving. Het merendeel van deze inloophuizen werkt volgens de presentiemethode: het overgrote deel van het werk in deze laagdrempelige ontmoetingsplekken gebeurt door vrijwilligers. Soms is er een beroepskracht, meestal in deeltijd.
In de inloophuizen wordt men geconfronteerd met nieuwe ontwikkelingen en vragen, zoals de participatiesamenleving (meer nadruk in beleid op zelfredzaamheid en lokale netwerken), de positionering en presentatie in de lokale samenleving, de ontwikkelingen in de doelgroepen en de complexer wordende hulpvragen, de vereiste houding en vaardigheden van vrijwilligers en de werving daarvan alsook de samenstelling en taken van besturen.
Om beter zicht te krijgen op deze ontwikkelingen zijn twee onderzoeken verricht. De eerste door Marchien Timerman vanuit het perspectief van vrijwilligers. Zij deed onderzoek op vijf werkplekken. De bevindingen verkregen met behulp van participerende observatie, buurtverkenning met vrijwilligers en interviews, legde zij voor aan betrokkenen (Timmerman 2015).
Het tweede onderzoek kwam tot stand op initiatief van het Netwerk DAK, het landelijk netwerk van meer dan honderd organisaties met een christelijke achtergrond van inloophuizen, buurtpastoraat en straatpastoraat. Dit onderzoek is verricht met behulp van kwantitatieve (een representatieve enquête onder zestig aangesloten organisaties) en kwalitatieve (tien aanvullende diepte-interviews) methoden.
Het onderzoeksrapport biedt een scala van gegevens over de typen organisaties, de inzet van honderdvijftig beroepskrachten en meer dan vijfduizend vrijwilligers, de financiering, communicatie, de bezoekers, deelnemers en doelgroepen en de samenwerking met andere organisaties in de locale samenleving. Op basis van dit alles worden aanbevelingen gedaan om in de context van de participatiesamenleving dit maatschappelijk belangrijke werk voort te zetten (Davelaar & Hurkens & Opstal 2017).

Diaconale centra
Ligt in een inloophuis de nadruk op het er zijn voor mensen (presentie,) vooral in grote en middengrote steden zijn er diaconale centra waar presentie verbonden wordt met opvang en hulpverlening, het streven naar empowerment, pleitbezorging en actie.
In België is het Protestants Sociaal Centrum in Antwerpen een voorbeeld van zo’n centrum. Opgericht in 1979 door protestantse kerken in de regio Antwerpen ontwikkelde het zich tot een veelzijdig centrum waarin het werken met mensen in armoede, vluchtelingen en nog anderen de presentiemethode nadrukkelijk met empowerment, en maatschappelijke en politieke actie wordt gecombineerd. De Vlaamse overheid erkent het Protestants Sociaal Centrum als ‘Vereniging waar armen het woord nemen’.
In de jubileumuitgave die in 2014 verscheen ter gelegenheid van het 35 jaar bestaan krijgen we via interviews met voorzitters, vrijwilligers en beroepskrachten inzicht in het werk en de ontwikkelingen daarin. Ook de vragen die professionalisering en subsidiëring opriepen en de verhouding tot de kerkelijke achterban komen daarbij aan de orde. Het Protestants Sociaal Centrum is een betekenisvol onderdeel van het netwerk van groepen, organisaties en bewegingen die zich in Antwerpen inzetten met mensen in de marge voor de verbetering van hun levensmogelijkheden (Protestants Sociaal Centrum 2014).

Het begraven van de doden
Het begraven van de doden behoort tot de zeven werken van barmhartigheid. Het wordt niet genoemd door Jezus in zijn gelijkenis van het laatste oordeel (Matteüs 25), maar werd vanuit het jodendom vergenomen als werk van barmhartigheid.
Hoezeer het recht van een overledene op een waardige omgang met zijn of haar lichaam en dus op een waardige begrafenis verankerd is in het Oude Testament, wordt duidelijk uit het proefschrift van Luise Metzler. Daarbij focust zij op het verhaal in 2 Samuël 21 waarin Rizpa koning David confronteert met de voorschriften van het begraven van de doden. Het is een grondige exegetische studie met verrassende gezichtspunt (een dochter van een bijvrouw van Saul, die de koning tot de orde roept!) (Metzler 2015).

Personen

Laurentius
Als er een diaconale canon zou bestaan, dan zou Laurentius, diaken te Rome in de derde eeuw, daarin een prominente plaats innemen. Overbekend is dat hij de keizer de armen als de schatten van de kerk toonde en daarom een gruwelijke marteldood stierf. In Nederland en Vlaanderen dragen heel wat kerkgebouwen zijn naam. Vooral het diocees Rotterdam, dat Laurentius als beschermheilige heeft, moet in dit verband genoemd worden.
In het boek Door het vuur voor de armen (Reisen 2015) is na een introductie een aantal teksten opgenomen over Laurentius, waaronder een zestal preken van Augustinus, die een bewonderaar was van Laurentius. Zo wordt de betekenis van Laurentius alsook de legendevorming die plaatsvond, duidelijk.

Augustinus
Bart Koet, hoogleraar Nieuwe Testament en Vroegchristelijke Letterkunde aan de Tilburg School of Theology, schreef over Augustinus’ visie op het ambt en op dat van het diaconaat in het bijzonder. Hij doet daarbij, zoals hij het zelf aanduidt, aan ‘literaire archeologie’, omdat Augustinus hierover geen systematische verhandelingen schreef. Brokstukken moeten uit zijn teksten opgedolven worden.
Koet onderschrijft de visie van de Australische nieuwtestamenticus John Collins dat een diaken niet iemand is van nederige dienst, maar iemand met een mandaat met een verbindende functie. Uit het onderzoek van Koet komt inderdaad naar voren dat dienstbaarheid niet alleen met het diakenschap verbonden is maar ook met andere ambten. De diaken vervulde ook een rol bij de geloofsinitiatie en trad op als bode en gezant. Zo bracht hij brieven over, een onmisbaar communicatiemiddel in die tijd tussen de verschillende bisdommen. De invulling van de taken tonen overigens regionale verschillen. Koets studie laat zien hoe het ‘terug naar de bronnen’ ontstane beeldvorming, in dit geval van het ambt van diaken, kan doorbreken.

Paus Franciscus
Dat paus Franciscus een hoog diaconaal gehalte heeft, blijkt uit zijn levensstijl, zijn publieke optreden en schriftelijke boodschappen. Ook de encycliek Laudatio Si' (2015) is doortrokken van diaconaat. De openingswoorden komen uit het Zonnelied van degene wiens naam hij draagt: Franciscus van Assisi, die zich het lijden van mensen en van de hele schepping aantrok, is zijn voorbeeldfiguur.
Deze sociale encycliek geeft vanuit een diepe spiritualiteit een integrale benadering te zien, waarin economie en ecologie met elkaar verbonden worden. Paus Franciscus keert zich tegen het economisch systeem van het doorgeslagen neoliberalisme. We vinden er voorstellen voor structurele veranderingen en een verandering van levensstijl. Dat alles onder het voorteken van de grote urgentie van een daadwerkelijke aanpak van economische en ecologische vraagstukken. Ook het door hem afgekondigde Heilig Jaar van Barmhartigheid (2015-2016) toont de diaconale gerichtheid van deze paus, zoals ook blijkt uit het boekje dat hij hierover publiceerde (paus Franciscus 2016).

Jurjen Beumer
Op 4 juni 2013 overleed na een slopende ziekte, nog maar 65 jaar oud, Jurjen Beumer. Hij is voor het diaconaat van grote betekenis geweest. Van 1986 tot 2013 was hij pastor-directeur van het bekende oecumenisch-diaconaal centrum Stem in de Stad in Haarlem. In het werk van dit centrum verbond hij diaconaat met liturgie en diaconaal handelen met spiritualiteit. Voorts werden in Stem in de Stad verschillende vormen van diaconaal handelen op elkaar betrokken: opvang en materiële en immateriële ondersteuning, gemeenschapsvorming, pleitbezorging, bezinning en publiek debat.
Tevens was Beumer een vruchtbaar publicist, die zo’n twintig boeken publiceerde. In wisselwerking met de diaconale praktijk ontwikkelde hij daarin inzichten over de onlosmakelijke band tussen diaconaat en spiritualiteit, mystiek, het uithouden met mensen ook als er geen ‘oplossing’ is, de betekenis van meditatie en nog meer. Hij introduceerde Henri Nouwen (van de Ark-gemeenschappen) in Nederland.
Wie meer informatie wil over leven en werk van Jurjen Beumer kan goed terecht bij de biografie die Karel Blei over hem schreef (Blei 2013), het herdenkingsboek dat over hem verscheen (Beumer & Van Maris 2013) en het boek over mystiek dat Bras schreef en dat een uitvoerig hoofdstuk over Beumer bevat (Bras 2013). Inmiddels is er een website opgezet waarin veel gegevens over hem te vinden zijn alsmede boeken en artikelen (www.jurjenbeumer.nl).

Kerken

Rooms-Katholieke Kerk
In 2013 was het vijftig jaar geleden dat het Tweede Vaticaans Concilie het permanent ambt van diaken in de kerk herstelde. Een van de eerste diakens in Nederland was Rob Mascini. Hij was meer dan dertig jaar lid van het bestuur en voorzitter van het International Diaconate Centre, een door de kerk erkende organisatie van permanente diakens. In die hoedanigheid reisde Mascini veel en ontmoette hij diakens uit de hele wereld.
Hij schreef daarover een boeiend en informatief boek, dat grotendeels bestaat uit interviews met bisschoppen en diakens in Noord- en Zuid-Amerika en alle delen van Europa (opvallenderwijs niet uit Azië) (Mascini 2013). De auteur voorziet elk interview van een inleiding met gegevens over de geschiedenis en positie van de Rooms-Katholieke Kerk en de diaken in het desbetreffende land.
Het wordt duidelijk dat de invoering van dit ambt de nodige weerstanden heeft opgeroepen en dat vooral naar gelang de inzichten van de bisschop het ambt al dan niet werd ingevoerd. Ook de taakinvulling (liturgisch, pastoraal, sociaal) varieerde alsook de verhouding tot andere ambten (assistent van priester of een meer zelfstandig ambt met verantwoording aan de bisschop). De onduidelijkheid over het ambt komt mede voort uit een onvoldoende uitgekristalliseerde theologische visie op dit ambt en zijn plaats in de kerk. Mascini laat zien hoe meer dan eens diakens in moeilijke omstandigheden hun werk moesten doen, bijvoorbeeld onder het communisme en in situaties van geweld zoals in Columbia. Vandaar de titel van zijn boek.

Internationale oecumenische beweging
Carlos Ham, predikant van de Presbyteriaanse Kerk in Cuba, was van 2001-2013 werkzaam bij de Wereldraad van Kerken voor onder meer diaconaat. Thans is hij hoofd van het Protestants Theologisch Seminarie in Matanzas (Cuba). Op 9 november 2015 promoveerde hij aan de Vrij Universiteit Amsterdam op een proefschrift over Empowering Diakonia (Ham Stanard 2015). Hierin heeft Ham veel van zijn ervaringen en de kennis en inzichten die hij opdeed bij de Wereldraad verwerkt.
Hij richt zich op empowerment en diaconaat in de oecumenische beweging, zoals te vinden in conferentieverslagen, documenten en in de dagelijkse praktijk. Daartoe geeft hij een overzicht van de historische ontwikkeling in het diaconaat in de Wereldraad en behandelt hij enige consultaties over diaconaat. Daarna analyseert Ham diaconale praktijken in vier landen (Cuba, Colombia, Zuid-Afrika en Armenië). Hij baseert zich daarbij vooral op de inzichten van ‘reflective practioners’. De analyse levert de bouwstenen voor een model van empowerment voor lokale kerkelijke gemeenschappen.
Wie geïnteresseerd is in de ontwikkelingen in het oecumenisch diaconaat en het concept van empowerment kan bij de studie van Ham heel wat van zijn gading vinden.

Evangelisch Lutherse Kerk
De Lutherse Wereld Federatie ondersteunt actief de reflectie op het diaconaat door, mede via consultaties, praktijkverhalen en ervaringen te beschrijven, te analyseren en te bereflecteren. De inzet is daarbij om op het lokale vlak ‘community diakonia’ verder te ontwikkelen vanuit het concept van ‘conviviality’. Dit Spaanse woord doelt op de kunst en de praktijk van het solidair samenleven (Lutheran World Federation 2013). Conviviality blijkt een vruchtbaar zoekconcept te zijn.

Kleinere protestantse kerken
Op diaconaal terrein werken drie kleinere protestantse kerken steeds meer samen. Het betreft de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK), de Nederlands Gereformeerde Kerken (NGK) en de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKv). Op landelijk niveau gebeurt dat in het Platform Diaconale Samenwerking.
Op verzoek van dit Platform deed Jeannette Slendebroek-Meints een uitgebreid survey-onderzoek naar wat er aan diaconaat vanuit deze kerken gebeurt en naar wat er in het licht van maatschappelijke ontwikkelingen zou moeten gebeuren om tot een bloeiend diaconaat te komen (Slendebroek-Meints (2014). Zij is verbonden aan het Centrum voor Samenlevingsvraagstukken van de Gereformeerde Hogeschool in Zwolle (nu Viaa geheten).
Het is een nuttig onderzoek dat laat zien dat vooral het punt van belang is hoe tot een meer extern gericht diaconaat gekomen kan worden. Daarvoor is onder meer nodig dat diakenen de aanwezige gaven van kerkleden benutten, dat zij werken aan bewustwording onder de kerkleden dat diaconaat een roeping is voor de hele kerk, dat er signalering van hulpvragen plaatsvindt, dat er een goede coördinatie is van de hulpverlening en dat diakenen netwerken met andere organisaties, waaronder de lokale overheid, ontwikkelen.

Geschiedenis

In de kerkgeschiedenis is de geschiedschrijving van het diaconaat een verwaarloosd onderwerp. Wie de handboeken over de geschiedenis van de kerken leest of afzonderlijke studies over lokale kerken komt daarin meestal slechts te hooi en te gras iets over het diaconaat tegen. Wel is er inmiddels veel geschreven over armenzorg in de sociaaleconomische geschiedschrijving, maar daarin komt dan het raakvlak tussen kerk en samenleving te weinig aan de orde.
Waarom die relatief geringe aandacht voor diaconie in de kerkgeschiedenis? Daarin speelt de opvatting een rol dat het geestelijke hoger is dan het materiële en dat het in de kerk vooral gaat om geloofswaarheden.
Kerkgeschiedenis is vaak vooral theologiegeschiedenis waarin ideeën en opvattingen aan de orde komen, en minder praktijken. Die zijn ook moeilijker te onderzoeken. Bij theologiegeschiedenis kan men boeken bestuderen en analyseren, voor de geschiedschrijving van het diaconaat moet men de archieven in. Dat is een tijdrovende ambachtelijke arbeid.
Het vergt bovendien een omvattende aanpak, omdat aandacht vereist is voor de relatie tussen kerkelijke armenzorg en samenleving en politiek. Voorts zijn vragen van belang als: wie zijn de armen, welke relatie is er tussen hulpgever en hulpontvanger, wat wordt er gegeven en hoeveel, waarom geven mensen, hoe komt de diaconie aan haar middelen, hoe worden die middelen beheerd, welke voorzieningen zijn er, bijvoorbeeld rusthuizen en weeshuizen, hoe is de inbedding van het diaconaat in het geheel van de kerk?
Een moeilijk punt blijft bovendien de vraag hoe degenen om wie het gaat, de armen en andere mensen in nood, de hulp ervoeren. Daarover is weinig terug te vinden in de bronnen en bovendien zijn uitingen vaak gekleurd door de afhankelijkheidspositie waarin de arme zich bevond.
Dit alles gezegd zijnde, kunnen we gelukkig een aantal studies noemen over armenzorg/diaconaat. Allereerst noem ik de fascinerende en inhoudsrijke studie van de historicus Peter Brown over de motivatie tot het geven van aalmoezen in het christendom tot de middeleeuwen: The Ransom of the Soul (Brown 2015). Het is een vervolg op zijn omvangrijke boek Through the Eye of a Needle. Wealth, the Fall of Rome, and the Making of Christianity in the West, 350-550 AD (2012).
In zijn boek over de losprijs van de ziel stelt Brown de vraag naar de ontwikkelingen in de opvattingen over de verbinding tussen rijkdom en het streven naar verlossing in het leven na de dood. Typerend voor Browns aanpak is dat we niet met een pure ideeëngeschiedenis te maken hebben, maar dat hij veel aandacht geeft aan de sociaaleconomische en politieke verhoudingen en de plaats van de kerk, de bisschoppen en de kerkleden daarin en de machtsverhoudingen.
Brown laat zien dat de opvatting veld won dat mensen de gang van hun ziel na de dood konden beïnvloeden door in het aardse leven boete te doen voor hun zielenheil. Dat konden zij doen door giften te geven aan de armen en aan de kerk. Zo werd er door middel van geld een verbinding gelegd tussen hemel en aarde. In de geschiedenis van het westers christendom heeft deze opvatting grote invloed uitgeoefend.
Voor Nederland wijs ik op drie studies, die alle gebaseerd zijn op gedegen archiefonderzoek en die een goed beeld geven van de armenzorg in haar vele facetten. De eerste is het meest diepgaand en bestrijkt de geschiedenis van de Haagse diaconie gedurende maar liefst vijf eeuwen (Vis 2017). In Het Arme Rooms Leven vinden we de geschiedenis van de katholieke armenzorg in de stad Utrecht, die eind vijftiende eeuw begint. Ook hier een rijke geschiedschrijving, waarin we de nodige significante details vinden (Van Schaik & Strengers-Olde Kalter 2016). Te noemen is ten slotte de geschiedschrijving van armenzorg/diaconaat in een niet-grote plaats, Ede (Bruggen 2015). Deze boeken zijn alle drie rijk geïllustreerd en mooi vorm gegeven.
Dat geldt ook voor de case study die Arno Fafié schreef over een hofje, namelijk het hofje van de Molenpage-stichting aan de Vossiusstraat in Amsterdam. Hofjes behoren tot de diaconale initiatieven die we al in de middeleeuwen vinden. Dit kleinere hofje dateert uit 1918 en heeft volgens de statuten als doelstelling ‘huisvesting te bieden aan ongehuwde dames of weduwen, die lid zijn of van de Evangelisch-Lutherse Gemeente óf van de Hervormde Gemeente te Amsterdam en de leeftijd van vijftig jaar hebben bereikt.’ We krijgen een goed beeld van wat er allemaal omgaat: gebouw, bestuurbewoonsters en suppoostinnen (Fafié 2014).
Zoals bekend zijn vele instellingen op het terrein van zorg en welzijn ontstaan vanuit kerken of op initiatief van sociaal bewogen christenen. Vele van deze organisaties zijn vooral vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw verzelfstandigd ten opzichte van de kerken als gevolg van subsidiebeleid, professionalisering en ontkerkelijking.
Wie de dynamiek van deze organisaties op het spoor wil komen verwijs ik naar Basisboek geschiedenis sociaal werk (Van der Linde 2016). Dit Basisboek is onmisbaar voor degenen die iets wil weten van de geschiedenis van het sociaal werk. Auteur Maarten van der Linde is als auteur en redacteur ook nauw betrokken bij de digitale canon sociaal werk (www.canonsociaalwerk.eu), dat een hoogwaardig naslagwerk vormt van onder meer de geschiedenis van het sociale werk. Die geschiedenis laat in de twintigste eeuw een toenemende professionalisering zien van vele takken van zorg en welzijn.
Als het gaat om het maatschappelijk werk heeft Marie Kamphuis (1907-2004) daarin een belangrijke rol gespeeld. In de biografie die Eefje van Batenburg-Resoort over haar schreef, komt dat uitvoerig aan de orde. Kamphuis introduceerde in Nederland het social casework, dat de cliënt centraal stelde en brak met bevoogdende en moraliserende praktijken. Kamphuis, die uit een gereformeerd gezin kwam en kerkelijk meelevend was, riep met haar op kennis van menswetenschappen, zakelijkheid en menselijke inspiratie gebaseerde methode, overigens veel verzet op bij besturen van veelal kerkelijke instellingen: het proberen om de cliënt de eigen overtuiging over te dragen, was vóór de invoering van het casework een normale zaak (Batenburg-Resoort 2013, 338).

Toerustingsboeken en -tijdschrift

Ik wijs nog op twee publicaties, die ondersteunend materiaal bieden voor mensen in de diaconale praktijk (Wijma (red.) 2014; Geluk & Peters 2015). Voor tal van terreinen van diaconaat vindt men nuttig instructieve bijdragen op praktijkniveau. De voornaamste kanttekening die ik daarbij maak, is dat de politieke en maatschappelijke aspecten meer kritische aandacht hadden verdiend.
Ten slotte moet nadrukkelijk vermeld worden, dat het enige internationale diaconaal-wetenschappelijk tijdschrift dat bestaat, Diaconia. Journal for the Study of Christian Social Practice, vanaf 2017 een open-access-publicatie is geworden, die voor een ieder toegankelijk is. Voorts kan men alle nummers vanaf het begin, in 2010, downloaden. De toegang is te vinden via de website van de uitgever Vandenhoeck & Ruprecht

Literatuur

Ariënsprijs voor Diaconie 2016 (2016). Ik zal er zijn voor jou. Met 30 diaconale initiatieven uit het aartsbisdom Utrecht. Theologisch commentaar door de jury Ariëns Prijs 2016. Amersfoort: Ariëns Prijs voor Diaconie.
Armoede in Nederland. Onderzoeksrapport 2016. Onderzoek naar hulpverlening door diaconieën, parochiële caritasinstellingen en andere kerkelijke organisaties in Nederland. Utrecht: Kerk in Actie e.a.
Batenburg-Resoort, E. van (2013). Grande dame van het social casework. Marie Kamphuis 1907-2004. Amsterdam: SWP.
Beumer, S. & Maris, W. van (2013). Jij bent geliefd. Jurjen Beumer in interviews, teksten en foto’s. Haarlem: Stem in de Stad & Familie Beumer-van Maris.
Bewerken en bewaren. Landelijk Bureau DISK (1972-2014) / Arme Kant van Nederland/EVA (1987-2014). ’s-Hertogenbosch: Landelijk Bureau DISK/werkgroep Arme Kant van Nederland/EVA.
Bie, P. de & Floor, M. & Crijns, H. (2016). Betrokkenheid troef. Inspirerende diaconale initiatieven tegen armoede in Nederland. Z.p.: Knooppunt kerken en armoede.
Blei, K. (2013). Zonder mystiek houden wij het niet vol. De spiritualiteit van Jurjen Beumer. Gorinchem: Narratio.
Bras, K. (2013). Een met de Ene. Protestantse mystiek van Abraham Kuyper tot Maria de Groot. Vught: Skandalon, 244-266.
Brown, P. (2015). The Ransom of the Soul. Afterlife and Wealth in Early Western Christianity. Cambridge/London: Harvard University Press.
Bruggen, G. van (2015). Leven van barmhartigheid. Geschiedenis van de armenzorg in Ede. Ede: Gemeente Ede, Gemeentearchief.
Davelaar, M. & Hurkens, H. & Opstal, J. van (2017). Meer dan een dak. Laagdrempelige presentie voor kwetsbare burgers. Z.p.: Netwerk DAK/Van der Bos Communicatie.
Fafié, Th.A. (2014). De Molenpage-stichting. Een Hervormd-Luthers hofje in Amsterdam sedert 1918. ’s-Gravenhage: Lutherse Uitgeverij en Boekhandel.
Fraanje, R. (red.) (2016). Paus Leo XIII en Abraham Kuyper. De encycliek Rerum Novarum en de rede over de sociale kwestie. Amsterdam: Boom.
Franken, J. & Noordegraaf, H. (2015). Zorgzame Kerk. Kerkzijn in een participatiesamenleving. Evaluatief verslag van proefprojecten 2014-2015 in de Protestantse Kerk / Kerk in Actie. Utrecht: Kerk in Actie.
Franken, J. & Noordegraaf, H. (2016). Zorgzame Kerk. Kerkzijn in een participatiesamenleving. Vervolgonderzoek 2016. Utrecht: Kerk in Actie. De rapporten zijn ook te vinden op de website van Kerk in Actie
Geluk, M. & Peters, A. (2015). Diaconaat, hoe doe je dat? Handvatten voor startende diakenen. Zoetermeer: Boekencentrum.
Ham Stanard, C.E. (2015). Empowering Diakonia: A Model for Service and Transformation in the Ecumenical Movement and Local Congregations. Dissertation defended on 9th November 2015. Free University (VU) of Amsterdam.
Hauerwas, S. & Vanier, J. (2015). Zalig de zachtmoedigen. Het profetisch getuigenis van zwakheid. Zoetermeer: Boekencentrum.
Jahnke, T. (2014). In Würde altern und alt sein. Praktisch-theologische Bausteine zu einem wurdevollen Alterungsprozess im Kirchen- und Gemeindekontext. Berlin: Lit Verlag.
Keller, A. (Hg) (2015). Die Rolle der Tafeln im Sozialstaat. Solidarische Ökonomie oder Armutszeugnis der Sozialpolitik? Berlin: Lit Verlag.
Koet, B. (2014). Augustinus over diakens. Zijn visie op het diakonaat. Almere: Parthenon.
Kok, M. & Kooistra, J. (2015). Statenkwartier Voor mekaar. Voorbeeld van een participatiesamenleving? Arnhem: Diaconaal Bureau Arnhem.
Linde, M. van der (2016) (zesde, geheel herziene en uitgebreide druk). Basisboek geschiedenis sociaal werk in Nederland. Amsterdam: SWP.
Lagemaat, J. van de & Kooistra, J. (red.) (2016).Het goddelijk recht op vrijheid en zelfstandigheid ofwel De vrijheid van de arbeidende stand. Tekst symposium ds. Talma op 15 oktober 2016. Arnhem: eigen uitgave.
Lutheran World Federation (2013). Seeking Conviviality. Re-forming Community Diaconia in Europe. Geneva: The Lutheran World Federation.
Mascini, R. (2013). Helden, heiligen en pioniers. Diaconie in de kerken. Een rondreis. Baarn: Adveniat.
Metzler, Luise (2015). Das Recht Gestorbener. Rizpa als Toralehrerin für David. Berlin: Lit Verlag.
Paus Franciscus (2015). Laudatio Si'. Encycliek over de zorg voor het gemeenschappelijk huis.
Paus Franciscus (2016). De naam van God is genade. Een gesprek met Andrea Torniella. Amsterdam: The House of Books.
Reisen, H. van (red.) (2015). Door het vuur voor de armen. Oudste getuigenissen over Laurentius. Budel: Damon.
Protestants Sociaal Centrum (2014). PSC. Protestants Sociaal Centrum. 35 jaar van inspirerende samenwerkingen. Antwerpen: Protestants Sociaal Centrum.
Riches, G. & Silvasti, T. (eds.) (2014). First World Hunger Revisited. Food Charity or the Right for Food? Second Edition. Basingstoke: Palgrave Macmillan.
Salemink, T. (2015). Op de rug van de tijger. Pleidooi voor een economie met een menselijk gezicht. Nijmegen: Valkhof Pers.
Schaik, T.H.M. van & Strengers-Olde Kalter, K. (2016). Het Arme Rooms Leven. Geschiedenis van de katholieke caritas in de stad Utrecht. Hilversum: Verloren.
Sengers, E. (2016). Roomsch socioloog – sociale bisschop. Joannes Aengenent als ideoloog en bestuurder van de katholieke sociale beweging 1873 – 1935. Hilversum: Verloren.
Sigrist, C. & Rüegger, H. (Hg.) (2014). Helfendes Handeln im Spannungsfeld theologischer Begründungsansätze. Zürich: Theologischer Verlag Zürich.
Slendebroek-Meints, J. (2014). Help! Onderzoek binnen de CGK, NGK en GKV naar huidig en gewenst diaconaat en wat daarvoor nodig is. Zwolle: Gereformeerde Hogeschool. Centrum voor Samenlevingsvragen.
Stichting Christelijk-Sociaal Congres & Hazenbosch, P. (2016). De kracht van verbondenheid. Perspectieven in een netwerksamenleving. Naar een visie voor het Christelijk-Sociaal Congres 2016 / ‘…dat ge de onhoudbaarheid van den tegenwoordige toestand inziet…’. Een korte geschiedenis over Christelijke-Sociale Congressen, christelijk-sociale conferenties en de stichting Christelijk-Sociaal Conges. Almere: Parthenon.
Timmerman, M. (2015). ‘Als aan de keukentafel’. Onderzoek naar professionalisering van het werk van vrijwilligers in de inloophuizen. Zwolle: Windesheim.
Verschuren, P. (2015). Genadebrood. De onstuitbare opmars van de voedselbank. Groningen: Uitgeverij Passage.
Vis, J. (2017). Diaconie. Vijf eeuwen armenzorg in Den Haag. Amsterdam: Boom.
Wijma, H. (red.) (2014). Handboek voor diakenen. Amsterdam: Buijten & Schipperheijn.

Herman (prof.dr. H.) Noordegraaf is emeritus bijzonder hoogleraar en universitair docent voor diaconaat aan de Protestantse Theologische Universiteit in de vestigingen Amsterdam en Groningen.
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn