Literatuurberichten

Logo

(Leestijd: 36 - 71 minuten)

StoppelsOnverminderd verschijnen er boeken over de kerk. Daarbij is er momenteel in het bijzonder grote aandacht voor haar missionaire zijn en functioneren.

Dit overzicht Kerkopbouw 2014-2017 begin ik met een aantal publicaties met een focus op het missionaire zijn en handelen van kerken. Binnen het veld van missionair kerk-zijn is er vervolgens in het bijzonder aandacht voor pioniersarbeid, vaak gericht op gemeentestichting. Ik heb publicaties die daarover gaan ondergebracht in een aparte paragraaf, direct volgend op de paragraaf over missionair kerk-zijn. Een derde paragraaf gaat over discipelschap(sontwikkeling). Ook dit thema is actueel, vaak ook in verbinding met missionair kerk-zijn. Vervolgens is er een categorie publicaties waarin meer in den brede wordt stilgestaan bij (de toekomst van) de kerk. Sommige hebben een meer praktisch-theologische insteek, andere zijn meer algemeen beschouwend. Aansluitend richt ik in een vijfde paragaaf de aandacht op verslagen van empirisch onderzoek. In deze paragraaf is een korte bijdrage opgenomen rond etnografisch onderzoek van dr. Henk de Roest. Aandacht is er ook voor leidinggeven in de kerk. Ik bespreek in paragraaf 6 een drietal publicaties. Interculturele studies rond (missionaire) kerkopbouw zijn nog schaars. In paragraaf 7 volgen twee publicaties die een interculturele setting als context hebben. Ten slotte gaat de aandacht uit naar (auto)biografische boeken. Twee daarvan bevatten de memoires van emeritus-predikanten, een gaat over een vitale geloofsgemeenschap in Amsterdam.
Het mag duidelijk zijn dat de door mij gekozen indeling in paragrafen een aanvechtbare is. Auteurs houden zich er ook in het geheel niet aan. Toch hoop ik dat de indeling in min of meer thematische paragrafen een snelle oriëntatie mogelijk maakt en voorkomt dat de lezer door de bomen het bos niet meer ziet. Voor een duiding van trends verwijs ik naar het parallelle Trendbericht kerkopbouw en praktische ecclesiologie in Handelingen 2017/3. Dit nummer is gewijd aan het thema ‘pionieren’.

 

1. Missionair kerk-zijn

Uiteraard noem ik hier het spraakmakende boek Vreemdelingen en priesters (2015) van Stefan Paas. Het is inmiddels al een aantal keren herdrukt en op veel plekken besproken. Daarom kan ik het hier kort houden. Paas herijkt het missionaire functioneren van kerken via de twee kernconcepten vreemdelingschap en priesterschap. Bij het vreemdeling zijn van de christen en de christelijke gemeente zijn twee elementen constitutief: door de ontmoeting met Jezus Christus is een mens anders geworden en daarmee vreemdeling. De vreemdeling is vervolgens ook relatief machteloos. Priesterschap betekent dat de gemeente een gemeenschap is van priesters die bij wijze van spreken ook voor en namens anderen gelooft. ‘Als ik naar de kerk ga als enige uit mijn straat of als enige uit mijn familie, dan doe ik dat ook namens mijn buurt of namens mijn familie. Christen-zijn betekent op dat moment: priester zijn uit naam van de bewoners van de straat, offeren ten behoeve van de familie. Ouders gaan voor hun kinderen, kinderen voor hun ouders, buren voor elkaar.’ (224, 225) Tegelijk blijft de wervende communicatie van het Evangelie bij Paas het hart van missie en missionair kerk zijn. In zijn eigen woorden: ‘Hoewel alles wat onder “zending” valt integriteit heeft in zichzelf en goed is omwille van zichzelf (…), is “zending” pas tot zijn doel gekomen wanneer mensen worden uitgenodigd een respons te geven op het evangelie in Jezus Christus (…).’ (33) Paas benadrukt bij dit alles de noodzaak van een ‘katholieke’ kerkvisie. “De kerk ‘is’ voordat zij ‘handelt’; zij is ‘in Christus’ voordat zij in de wereld is; en zij is ‘in de wereld’, maar niet ‘van de wereld’.” (99) Hij pleit voor een meer sacramenteel verstaan van de kerk en daarmee komt hij de buurt van Erik Borgman die we hierna nog zullen tegenkomen.

Begin 2017 verschijnt er onder redactie van onder meer de Nederlanders Stefan Paas en Gerrit Noort een rapport van de Wereldraad van Kerken, getiteld Sharing Good News. Het is een handboek voor evangelisatie, met name bedoeld voor het onderwijs aan theologische instellingen. ‘We cannot not evangelize; therefore, we’d better learn to do it well’, schrijven Gerrit Noort en Stefan Paas in hun inleidende beschouwing (xix). In een slotartikel constateert Noort dat er consensus gegroeid is over de plaats van bekering in het geheel van missionaire presentie. Decennia lang lag er in bepaalde kringen een taboe op een oproep tot bekering aan niet- of andersgelovigen, maar we zien nu – in ieder geval in kerkelijke documenten – een duidelijke kentering (335). We wezen daar al op in het parallelle Trendbericht in het jongste nummer van Handelingen (2017/3).

Wim Dekker, tot een aantal jaar geleden studiesecretaris bij de IZB (het missionaire orgaan binnen de Gereformeerde Bond binnen de Protestantse Kerk in Nederland), is een uiterst productief schrijver. In het boek Tegendraads en bij de tijd (2015) wil hij inzichten van de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer (1906-1945) vruchtbaar maken voor de kerk van nu. In zekere zin is het een vervolg op zijn bestseller Marginaal en missionair, maar anders dan in dat boek is Bonhoeffer nu niet enkel gespreksgenoot, maar vooral gids en leidraad. Vanuit Bonhoeffer denkt Dekker na over het (missionaire) functioneren van de kerk in Nederland. Daarbij komt de titel goed uit de verf. Dekker presenteert inzichten van Bonhoeffer die regelmatig zeer tegendraads zijn en hij doet dat in mijn ogen op een ‘bij de tijdse’ manier. Een veelheid aan thema’s passeert de revue. Het zijn er te veel om hier allemaal te bespreken, maar een rode draad door het hele boek is het besef dat het Evangelie ‘anders’ is en ons telkens wil meenemen naar een manier van leven die wij zelf niet bedacht zouden hebben. In het spoor van Bonhoeffer vraagt Dekker aandacht voor het challenge-karakter van het Evangelie als tegenwicht tegen een groot accent op het comfort-karakter. Het Evangelie is zeker bevestiging van wie jij als mens bent, maar daar blijft het niet bij, want Christus vraagt ook navolging die ver gaat en pijn doet. Je kruis opnemen is iets anders dan meelopen in de stoet rond het grote witte kruis van The Passion! Geloven is niet enkel vertrouwen, het is ook gehoorzamen aan de oproep in alle dimensies van het bestaan Christus na te volgen. De levensstijl die daar uit volgt, maakt de gemeente missionair, veel meer dan allerlei missionaire activiteiten. Met Bonhoeffer wil hij niet enkel aan de grenzen van het leven over God spreken, maar juist in het centrum. Het Oude Testament biedt hier een zeer aardse correctie op vergeestelijking en de beleving van het christelijk geloof als EHBO. Dekker wil een vertolking van het Evangelie die ook ‘sterke’ mensen iets te zeggen heeft; de kerk is er niet alleen voor wie ziek, zwak of misselijk is. Bonhoeffers onderscheid tussen een psychische en een pneumatische gemeenschap helpt hem om na te denken over het eigene van christelijke gemeenschapsvorming in deze tijd. Al te gemakkelijk verwarren we sociale groepsvorming op religieuze grondslag met gemeenschapsvorming vanuit en rond Jezus Christus. Fel is Dekker als hij het heeft over wat hij noemt ‘seriële monogamie’ van kerkelijke shoppers en hoppers die van kerk naar kerk fladderen. Hij aarzelt niet om dat ketterij te noemen (19)!
Dekker is vergroeid met de volkskerk en hecht ook aan de breedte daarvan, maar ziet ook wel degelijk de gevaren van een kerk die wordt ervaren als een leverancier van religieuze dienstverlening. In dat kader komt hij ook te spreken over de doop. Deze kan ‘ontaarden’ in iets als een geboortefeest. Om dat tegen te gaan, komt Dekker met een opmerkelijk voorstel: ouders kunnen met hun pasgeboren kind in de kerk komen om te danken en voorbede te doen voor het kind. Als het kind zijn of haar ‘eerste stapjes’ kan zetten, kan het worden gedoopt. Zo houdt Dekker – in het spoor van Bonhoeffer – vast aan de kinderdoop, maar ontkoppelt hij het van de geboorte (97, 98).

Greifswald is een Duitse Hanzestad nabij de Oostzee in Duitsland. Het is de domicilie van een theologische faculteit die zich mede toelegt op missionaire communicatie in een post-christelijke omgeving. Michael Herbst is hoogleraar Praktische Theologie en directeur van een productief onderzoeksinstituut dat onderzoek doet naar evangelisatie en gemeenteopbouw. Theologie en empirie gaan hier hand in hand. Van zijn hand is het boek Kirche mit Mission. Beiträge zu Fragen des Gemeindeaufbaus (2013). Het werk van Herbst kenmerkt zich door een openheid voor impulsen voor gemeenteopbouw vanuit de evangelische wereld. Het boek behandelt tal van thema’s op het snijvlak van ecclesiologie en missiologie. Zo besteedt hij bijvoorbeeld een hoofdstuk aan de vraag wat onopgeefbaar is in de gemeente van Christus. Dat is een fundamentele vraag die we in deze tijd zullen moeten stellen. Hij komt – op zich weinig verrassend – uit bij Jezus, maar draait dan de denkrichting wel om: voor Hem ben jij als mens onopgeefbaar. Jezus wil niemand missen. Dat is bij Herbst een cruciaal motief in het missionaire denken en handelen. Een deel van het boek is gewijd aan geestelijk leiderschap, met daarbij apart aandacht voor leidinggeven op bovenlokaal niveau en voor visitatie. De auteur kijkt in zijn boek nadrukkelijk over de Duitse landsgrenzen heen en oriënteert zich onder meer op kerkvernieuwing in Engeland en op de kracht van bijvoorbeeld Willow Creek (Bill Hybels). Telkens is er een terugkoppeling naar de Duitse situatie, want het klakkeloos kopiëren van inzichten en praktijken is uiteraard niet vruchtbaar. De auteur vraagt zich af waarom Fresh Expressions in Duitsland maar moeilijk op gang komen. Hij schrijft dan dat in zijn land de humus van een missionaire cultuur ontbreekt. De volkskerkelijke cultuur werkt als een bodembedekker waardoor missionaire planten weinig kansen krijgen (197). Herbst begeeft zich naar eigen zeggen in een praktisch-theologische ‘no-go area’ als hij schrijft dat de oproep tot bekering wezenlijk deel uitmaakt van het missionaire handelen van kerken. Een ‘konversionsfreie Volkskirchentheologie’ schept in zijn ogen geen toekomst voor de kerk en belangrijker, ze onthoudt mensen dat waarop ze vanuit hun doop recht hebben. Hij eindigt zijn boek kernachtig: ‘Wer Mission sagt, muss auch Konversion wollen.’(258) Het zou boeiend zijn deze stelling voor te leggen aan Nederlandse missionaire werkers en denkers. Herbst schreef een gepassioneerd boek dat ook in ons land herkenning en instemming zal oproepen. Het is eigenlijk heel jammer dat we steeds minder Duitstalige literatuur lezen, want de Duitse context komt dicht bij de Nederlandse.

De Brit Nigel Rooms en de Amerikaan Pat Keifert schreven een kleine brochure over missionaire vernieuwing van kerken. Ze gaven het de titel Forming the Missional Church. Het gaat hen niet om kosmetische veranderingen, maar om de ontwikkeling van een nieuwe cultuur binnen kerken. Dat gaat niet van de ene op de andere dag, daar zijn jaren mee gemoeid. Ze combineren theologische inzichten en posities (bijvoorbeeld het Missio Dei-denken) met inzichten uit de sociale wetenschappen. Prikkelend is de manier waarop ze – met een beroep op Lukas 10:1-12 – het gangbare denken in de kerk over gastvrijheid omkeren: ‘the future of the church is dependent upon the hospitality of the world’ (16). Ze noemen zes missionaire praktijken die nodig zijn voor de ontwikkeling van een missionaire attitude: dwelling in the word, dwelling in the world, hospitality, corporate spiritual discernment, announcing the kingdom en focus for missional action. De laatste praktijk vraagt om het vermogen om ook zaken níet te doen. ‘Geplande verwaarlozing’ noemde Peter Senge dat ooit.

Nynke Dijkstra-Algra en Sake Stoppels, beiden werkzaam bij de Dienstenorganisatie van de Protestantse Kerk in Nederland, schreven een boek over missionaire basisvragen. Met dit boek, Back to basics, willen ze het onderlinge gesprek onder met name predikanten, kerkelijk werkers en andere leidinggevenden binnen de kerk stimuleren. Achter al het missionaire handelen zit altijd een missionair denken, hoe onbewust soms ook, maar vaak is dat geen onderwerp van gesprek. In zeven hoofdstukken nodigen ze de lezers uit om bij voorkeur groepsgewijs de eigen positie helder(der) te krijgen en het gesprek aan te gaan. De behandelde thema’s zijn de soteriologie, ‘zieltjes winnen’, de kerk, gemeenschapsvorming, contextualisering, tellen in de kerk en de plaats van de voorganger in missionair kerk-zijn.

De socioloog Cors Visser bepleit in zijn boek De spelende kerk het – wat hij noemt – ‘inbesteden’ van sociaal-maatschappelijke taken vanuit de kerken. Nederlandse kerken zijn gewend dit werk uit te besteden aan stichtingen, fondsen en bewegingen, maar Visser wil deze taken terugbrengen binnen de kerken. Hij zag in Afrika en Latijns-Amerika dat voor veel kerken dit ook het normale patroon is. Visser zoekt naar een speelse, spelende kerk die het ook aandurft ‘buiten te spelen’. Zo wordt de kerk minder ‘reservaat’ en ontstaan open contacten met de bredere samenleving. Dat biedt een natuurlijke bedding voor missionaire contacten.

Mike Breen is al jarenlang een van de motoren achter de beweging van missionaire gemeenschappen. Onder missionaire gemeenschappen verstaat hij groepen van twintig-veertig mensen die zich op een buurt of netwerk richten om daar het goede nieuws van Jezus te delen. De missionaire beweging ‘Nederland zoekt’ is ‘de importeur’ van Breen in het Nederlandse taalveld. Het boek Missiegemeenschappen verscheen in 2016 en is bedoeld als handboek voor het opzetten en leiden van dit soort groepen. Het gaat niet om zelfstandig functionerende groepen, maar om groepen die deel blijven uitmaken van een grotere geloofsgemeenschap. Nadrukkelijk willen deze groepen ook werken aan een cultuur van discipelschap. Leiders zullen visionaire mensen moeten zijn die bovendien een levend gebedsleven kennen.

De Vlaamse theologe Liesbeth Pulinckx promoveerde in juni van dit jaar op de dissertatie Een ‘mission (im)possible’ voor de kerk. De ondertitel maakt de focus duidelijk: Uitdagingen voor de rooms-katholieke kerk in Vlaanderen vanuit hedendaagse missionaire inzichten. Het onderzoek is opgezet vanuit de volgende vraagstelling: ‘Wat zijn de uitdagingen voor de zending van de Rooms-Katholieke Kerk in Vlaanderen vanuit verschillende inspiratiebronnen: sociologische bevindingen, Fresh Expressions of Church en elementen van rooms-katholiek zendingsdenken?’ (1) De Fresh Expression beweging in Engeland is voor haar een belangrijke bron van inspiratie en dat geldt ook voor het Vaticanum II-decreet Ad gentes en de missionaire accenten in het optreden van paus Franciscus. Ze hanteert de vierslag van Richard Osmer en komt daarmee dus uitdrukkelijk ook uit bij de normatieve kant van de praktische theologie. Ze constateert een groot contrast tussen haar inspiratiebronnen en de Vlaamse kerkelijke praktijk die vaak naar binnen is gericht en in een institutioneel-ecclesiocentrische overlevingsmodus staat. In haar aanbevelingen slaat ze een aantal piketpaaltjes voor de (ver)bouw(ing) van de Vlaamse Rooms-Katholieke Kerk: het Missio Dei-concept, de Rijk Gods-agenda in plaats van de kerkagenda , het bijeenhouden van woord en daad, een sterker accent op diaconaat, ruimte voor de interreligieuze en levensbeschouwelijke dialoog, het zoeken naar communicerende vormen van contextualisering en de overgang van een centripetale (‘kom en zie’) naar een centrifugale kerk (‘ga naar buiten’). Het zal duidelijk zijn dat ook buiten Vlaanderen kerken gediend zijn met een dergelijke transformatie.

Onder de naam ‘Kerkproeverij’ was er in Nederland in het tweede weekend van september 2017 voor het eerst een ‘Back to Church Sunday’. In Groot Brittannië bestaat dit fenomeen al langer. Kerkgangers worden uitgenodigd om vrienden en bekenden die niet (meer) vertrouwd zijn met kerkbezoek mee te nemen. Een belangrijke inspirator daarbij is Michael Harvey. Hij schreef in 2015 Creating a Culture of Invitation in Your Church. In 2017 verscheen een Nederlandse vertaling: Meer dan welkom. Het is een toegankelijk en vooral ook praktisch boek dat gemeenten en parochies wil helpen tot een uitnodigende cultuur rond de kerkdiensten te komen. Beslissend voor Harvey is niet hoeveel mensen daadwerkelijk ingaan op de uitnodiging, maar hoeveel uitnodigingen er uitgaan.

 

2. Pionieren en gemeentestichting

In 2016 verscheen van de hand van Stefan Paas zijn substantiële Engelstalige studie Church Planting in the Secular West. In het recente nummer van Handelingen over pionieren (2017/3) heeft hij dit boek al deels samengevat. Paas belicht het verschijnsel gemeentestichting of kerkplanting ook historisch. Dat is een belangrijke correctie op het idee dat pionieren exclusief iets is van onze tijd. Wij zijn in onze tijd bepaald de eersten niet! Gemeentestichting is van alle eeuwen. Paas onderscheidt drie grote motieven voor gemeentestichting: de zoektocht naar ‘zuivere’ kerken, het verlangen naar ‘Church Growth’ en ten slotte gemeentestichting als instrument van vernieuwing. Paas voelt zich het meeste thuis bij dit laatste motief en onderscheidt hierbinnen drie biotopen: free havens (niet gericht op compromissen), laboratories (grote ruimte voor diversiteit en het onverwachte) en ten slotte incubators (doelgericht in het leven geroepen vanuit grotere verbanden). In het laatste hoofdstuk motiveert hij de rechtmatigheid van gemeentestichting in het seculiere Europa. De ‘einden der aarde’ liggen om de hoek. Bovendien, ecclesiologie en missiologie komen via gemeentestichting op een nieuwe en vruchtbare manier bij elkaar.

De bundel Church Planting in Europe onder redactie van Evert van de Poll en Joanne Appleton bevat bewerkte bijdragen aan een missionair congres, gehouden in 2014 in Leuven. De auteurs zijn ‘Evangelical Protestants’ en zijn betrokken bij missionaire gemeentestichting in Europa. Telkens is aan elke bijdrage de discussie toegevoegd die ontstond naar aanleiding van de lezing. Het boek bestaat uit vier hoofddelen: ‘Biblical Reflections’ (met onder andere aandacht voor het gebed), ‘Church i n Europe’ (wat is het eigene van Europa en welke kerk past daar?), ‘Church Planters’ (lessen van ervaren kerkplanters) en ‘Case Studies’ (uit België, Spanje en de Balkan). Johannes Reimer stelt dat de meeste kerkplantingsprojecten in Europa sneuvelen vanwege hun ‘cultural irrelevancy’ (65, 66). In de Belgische casus komt Eric Zander aan het woord. Op kleine schaal komt hij – na pijnlijke lessen bij eerdere pogingen om tot een nieuwe geloofsgemeenschap te komen – in zijn woonplaats Gambloux tot een Franstalige gemeenschap, met eigen vieringen en ook een netwerk onder motorrijders. Nadrukkelijk is er het zoeken naar integratie in de plaatselijke wereld van cultuur en welzijn. De burgemeester is enthousiast: ‘Everywhere I go in this city I hear about the good things you do for us. Your community radiates in our city.’ (253)

In Duitsland verscheen onder redactie van Herman Pompe e.a. de bundel Fresh X – Frisch. Neu. Innovativ. Van verschillende kanten worden in het boek Fresh Expressions belicht, met daarbij uiteraard vooral aandacht voor ontwikkelingen in Duitsland. De bundel kent ook Britse auteurs en Duitse auteurs die vanuit hun rooms-katholieke achtergrond nadenken over kerkelijke vernieuwing. In Nederland is de wereld van Fresh Expressions vaak vooral het domein van protestanten en daarom alleen al is deze bundel van belang. Naast fresh expressions zijn de kernwoorden missio Dei en mixed economy. In zijn slotbeschouwing benadrukt Michael Herbst de noodzaak van de concentratie op Jezus Christus en discipelschap. Ook vraagt hij aandacht voor kerkelijke Start ups.

Margrietha Reinders, protestants predikant en pionier in Amsterdam, schreef een heel eerlijk en ook leerzaam boekje over haar ervaringen als pionier in Amsterdam Oud-West en later in Betondorp. Er ontstaat in Oud-West gaandeweg een gemeenschap – ‘Heilig Vuur’ – maar deze bestaat bepaald niet uit de beoogde krachtige doelgroep die de bestaande wijkkerk weer nieuwe impulsen had moeten geven. Reinders moet zich ontworstelen aan de verwachtingen die vanuit de kerk op haar afkomen. Ze gaat in de leer bij meer orthodoxe en evangelische pioniers en dat kleurt haar werk en ook haar geloof. ‘God doet zijn ding’, schrijft ze ergens. Haar geloofsleven verandert. Het Missio Dei-motief is een rode draad in het boek: God gaat voor ons uit. Daar waar andere pioniers soms gemeenschapsvorming centraal stellen, wil Reinders vanuit die gemeenschapsvorming ook werken aan discipelschap. Ze wil graag dat mensen geloofsleerlingen worden. Groot is dan ook haar vreugde als de eerste dopeling wordt gedoopt in het Vondelpark. Ze staat ook stil bij de overdracht van leiderschap. Dat is zeker in een pionierssetting telkens weer een ingewikkeld proces dat veel zorgvuldigheid vraagt.

Niet alleen binnen de Protestantse Kerk wordt druk gepionierd, dat is zeker ook het geval binnen de veel kleinere Unie van Baptistengemeenten. Zes initiatieven worden geportretteerd in deel 11 van de Baptistica Reeks en wel onder de titel Avontuur van geloof. Onder redactie van pionier en coördinator gemeentestichting Oeds Blok is een leerzaam boek tot stand gekomen waarbij vanuit de beschreven praktijken aansluitend wordt gereflecteerd. Allereerst specifiek op die praktijken zelf, vervolgens op de rol van coaching en begeleiding van pioniers, daarna op de relatie met bestaande gemeenten en ten slotte wordt gekeken naar de mogelijke consequenties van pionierservaringen voor de theologische opleiding.

Vanuit de Nederlandse tak van het netwerk Urban Expression verscheen een praktijk-georiënteerd boek over pionieren, getiteld Survivalgids pionieren. Het netwerk legt zich toe op gemeenschapsvorming in achterstandswijken. Inmiddels zijn er al meer dan tien van dit soort gemeenschappen in grote en middelgrote Nederlandse steden. Onder redactie van Oeds Blok en Matthijs Vlaardingerbroek zijn thematisch ervaringen en geleerde lessen samengebracht. Vrijwel stuk voor stuk zijn het lessen die in de harde praktijk zijn geleerd en dat maakt het boekje waardevol. Middenklasse lezers die vooral vertrouwd zijn met de ‘gewone’ kerk zullen een nieuwe wereld leren kennen die vaak minder gepolijst is dan de eigen leefwereld.

 

3. Discipelschap

De huidige aandacht voor het thema discipelschap levert de nodige publicaties op. In het Trendbericht Kerkopbouw in Handelingen 2017/3 stonden we daar al bij stil.
Onder redactie van UvA-hoogleraar James Kennedy en PThU-docent Pieter Vos verscheen in 2015 het boek Oefenen in discipelschap. Het boek is ontstaan naar aanleiding van een gemeenteproject in een kerkelijke gemeente in Amersfoort. Het project was een pilot om te zien of de gemeente een oefenplaats kan zijn als het gaat om de navolging van Christus. De hoofdstukken van het boek zijn ontstaan als handreikingen voor het onderlinge gesprek in de gemeente. De auteurs zoeken ‘een derde weg’ tussen aan de ene kant volstrekte vrijheid en vrijblijvendheid in de gemeente en aan de andere kant een verstikkend moralisme. Ze menen die weg gevonden te hebben door aandacht te vragen voor ‘deugden’ en ‘karakter(vorming)’. ‘Het hart van kerk-zijn en christen-zijn is dat je volgeling van Christus bent en in die navolging steeds weer en steeds meer op Hem gaat lijken.’ (9) Ze zetten dus niet primair in bij ‘doen’, maar bij ‘zijn’. In hoofdstuk 1 concentreert TU Kampen-hoogleraar Ad de Bruijne zich op de Bijbel als bron voor ons denken over discipelschap. Hij staat daarbij onder meer stil bij de Bergrede en fragmenten uit brieven van Paulus. Vervolgens vraagt Pieter Vos in hoofdstuk 2 aandacht voor deugden en een deugdethiek. ‘Door je te oefenen in de deugden ontwikkel je een goed karakter.’ (34) Deugden worden een deel van je persoonlijkheid en zo verdiept ‘doen’ zich tot ‘zijn’. Liturgie is voor hem een kernpraktijk als het gaat om deugdontwikkeling. Daar leer je dat het leven allereerst een geschenk van Godswege is. Ad de Bruijne keert zich in hoofdstuk 3 tegen de tendens tot individualisering en subjectivering in de samenleving en ook in de kerk (‘ik en mijn spiritualiteit’). De gemeente zal een liefdevol trainingscentrum moeten zijn waarin gezamenlijk wordt geoefend op een manier van leven die haaks kan staan op de ‘deugdenleer’ van onze samenleving. Dat behelst ook oefening in eensgezindheid en dat is in onze tijd bepaald geen kleine uitdaging. De Bruijne noemt de plaats van heiligen in de rooms-katholieke traditie als een positief gegeven: laten we ons meenemen door het voorbeeld van anderen? Hans Schaeffer, docent aan de TU Kampen, neemt de lezer in hoofdstuk 4 mee naar de vraag hoe je vorm geeft aan de gemeente als gemeenschap en als oefenplek voor het goede leven. Christenen zijn mensen met ‘een dubbel paspoort’. Ze leven in de samenleving als ieder ander, maar maken ook deel uit van een specifieke geloofsgemeenschap en dat kleurt – als het goed is – hun hele bestaan. Voor Schaeffer is het belangrijk dat je heel goed kijkt naar hoe de gemeente feitelijk reilt en zeilt en hoe het leven van de afzonderlijke leden er uit ziet. Parallel aan De Bruijne ziet ook Schaeffer de spanning tussen het je laten opnemen in en vormen door een geloofsgemeenschap en het verlangen naar individuele vrijheid. Juist vanwege die groeiende spanning komt het aan op leertrajecten die zorgvuldig de klippen van vrijblijvendheid en beklemming omzeilen. James Kennedy zoekt in hoofdstuk 5 de verbinding tussen discipelschap en getuigenis. Hij benadrukt dat de kerkelijke gemeente in haar functioneren zelf al een getuigenis is. Een stad op een berg kan immers niet verborgen blijven. Hij pleit er onder andere voor dat de gemeente ook een oefenplek wordt waar het verbale getuigenis een plek krijgt. Gemeenteleden zullen moeten leren hun geloof(servaringen) te verwoorden en te delen. Allereerst onderling, maar dan vervolgens ook naar buiten toe.
Wilma van der Jagt ten slotte doet verslag van de pilot in de Amersfoortse gemeente. Ze geeft een helder beeld van de gang van zaken in het project, maar hier zie ik wel de zwakte van het boek opdoemen. Want het verslag bevat geen evaluatie van de ‘opbrengst’ van de pilot. Nu is dat natuurlijk ook niet zo eenvoudig, maar in ieder geval was het zinvol geweest terug te blikken op het proces en leermomenten te formuleren. Het had ook goed gepast bij Schaeffers interesse in de empirische gemeente. De genoemde vijf hoofdstukken bevatten zeker waardevolle inzichten, maar lijken niet te zijn gekleurd door de Amersfoortse ervaringen. Dat lijkt mij een gemiste kans, want de auteurs waren nauw bij de pilot betrokken. Zo hadden ze als onderzoekers een waardevolle bijdrage kunnen leveren rond de vraag hoe karaktervorming in de gemeente van Christus daadwerkelijk kan worden bevorderd. De insteek van het boek bij deugden en karaktervorming vind ik in principe heel vruchtbaar, maar de spannende vraag is uiteraard of de gemeente daadwerkelijk karaktervormend blijkt te zijn. Voor de auteurs is de kerkdienst een centraal moment in discipelschapsontwikkeling, maar ook hier zou ik graag inzicht willen hebben in het (her)vormend vermogen van de eredienst. Ik ben blij met de aandacht voor discipelschapsontwikkeling in de kerken, maar krijg wel steeds meer behoefte aan nuchtere feiten.

In 2015 was er een theologische conferentie over het concept ‘discipelschap’. De lezingen van die dag zijn onder redactie van Bert de Leede en Herman Paul in bewerkte vorm samengebracht in de bundel Discipelschap. Bijdragen zijn er onder meer van twee Britse theologen, Brian Brock en Stephen Cherry. Wat vooral opvalt in de bundel is de afstand die wordt bewaard tot een activistische opvatting van discipelschap. Het gaat niet om een program of een nieuwe strategie om de kerk te redden, maar veeleer om een oefening in Godsvertrouwen. Herman Paul geeft in zijn artikel aanzetten tot een theologie van discipelschap: ‘(…) als theologen iets willen betekenen voor christenen in de schemerzones van aarzelend Godsvertrouwen en sluimerende angst voor de toekomst, dan is niets zo belangrijk als een training in discipelschap, opgevat als een oefening in Godsvertrouwen en als een bevrijding uit ‘het theater van de angst’.’ (73) In de bundel is er ook een nauw verband tussen discipelschap en liturgie. Discipelschap is – anders dan we in eerste instantie vaak denken – zeker ook lofprijzing en een oefening in ontvankelijkheid. Bert de Leede pleit er in dat kader voor binnen de protestantse traditie veel vaker de eucharistie te vieren. De leerling leeft van Jezus Christus en de maaltijd is daarvan het symbool bij uitstek.

Mark Ireland en Mike Booker schreven Making New Disciples (2015). De titel maakt al duidelijk dat ze zich (mede) richten op werving van nieuwe gelovigen en hun initiatie in de christelijke traditie. De spanning die in dit pogen gelegen is, maken ze in het begin van hun boek al duidelijk: de gemiddelde Brit staat verder van het Evangelie af dan ooit en de tijd die hij heeft om zich er in te verdiepen is minder dan ooit. Langere cursussen zijn voor velen niet aantrekkelijk. Tegelijk zal het blijvend moeten gaan om discipelschap, niet enkel om bekering. De auteurs maken zich zorgen over het vermogen van de kerk mensen te helpen te groeien in de navolging van Christus. Dat heeft deels te maken met onze drukke cultuur, maar zeker ook met de cultuur en structuur van de kerk. Ze zijn daarin ook kritisch in de richting van Fresh Expressions, zo bijvoorbeeld de formule van Messy Church, en ook van de Alpha-cursus.

Roger Walton, een Britse methodist, schreef een boek over de opbouwwaarde van de kleine groep in gemeente en parochie. In zijn ogen zijn de belangrijkste bouwstenen voor discipelschapsontwikkeling een evenwichtige oriëntatie op mission, worship en community. In de missionaire oriëntatie groeit de christen in zijn geloof (learning by doing), in de worship verdiept zich de relatie met God en in de geloofsgemeenschap wordt het verhaal van Jezus levend gehouden en doorgegeven. Christian education is gericht op het groeien van gelovigen op deze drie terreinen.

Ook geconcentreerd op het thema ‘discipelschap’ is het boek You are what you love van de Amerikaanse filosoof James K.A. Smith (2016). Smith concentreert zich daarbij op de eredienst (‘worship’) als de meest centrale plek voor de ontwikkeling van discipelschap. ‘Worship is the heart of discipleship because it is the gymnasium in which God retrains our hearts.’ (77) Hij stelt dat er in ieder leven altijd ‘worship’ is en dat het dus zaak is onze ‘eredienst’ te richten op de enige God die de moeite van het dienen waard is. Zonder een dergelijke keuze zijn we overgeleverd aan de afgoden van onze tijd. De kerk(dienst) is dus nadrukkelijk een oefenplek om richting te vinden en te behouden in ons leven. Dat geluid hoorden we al eerder, maar ook bij Smith is er geen empirische onderbouwing van de stelling. Het zou de moeite waard zijn te onderzoeken of de kerkdienst daadwerkelijk dat uitwerkt wat de auteurs voor ogen staat.

De aandacht voor discipelschap leidt ook tot studies die specifiek ingaan op een bepaalde dimensie ervan. Een voorbeeld daarvan is het boek Leren leven in overvloed van de Amsterdamse predikant Bas van der Graaf. Het gaat om onze verhouding tot geld en bezit. Van der Graaf was ooit assistent-accountant en heeft altijd de belangstelling gehouden voor economische thema’s. Een ander voorbeeld van toespitsing is Leading into the World van Paul Galbreath. Het boek focust op ecologisch discipelschap. Wat betekent leerling zijn van Jezus Christus voor ons handelen rond milieu en natuur? Het boek kwam te laat onder mijn aandacht om het nog inhoudelijk te kunnen bespreken, daarom volsta ik met deze vermelding.

 

4. Nadenken over de ‘gewone’ gemeente en parochie

De rooms-katholieke theoloog Erik Borgman schrijft in zijn boek Waar blijft de kerk dat het zal moeten gaan om ‘een responsieve kerk’ (14). Hij keert zich nadrukkelijk tegen een activistische, doenerige kerk. ‘We kunnen alleen gered worden door de Geest ‘die waait waarheen Zij wil; je hoort haar waaien, maar je weet niet waar Zij vandaan komt en waar Zij heen gaat’ (Johannes 3,8). We moeten niet allereerst iets doen, we moeten weer iets gaan ontvangen: de signalen van de Geest.’ (12) ‘De afgelopen anderhalve eeuw heeft de kerk veel plannen gemaakt en veel plannen uitgevoerd. Het is tijd de zaken om te keren en weer te ontdekken welke plannen er met ons zijn.’ (13). Dat is heldere taal die Borgman ook consequent uitwerkt. Wie zit te wachten op snelle oplossingen en handige tips, komt dan ook niet aan zijn trekken in het boek. Paus Franciscus komen we in het boek veel tegen en het lijkt niet te gewaagd te veronderstellen dat mede door deze paus Borgman moed heeft gekregen voor dit boek. Ook Vaticanum II is voor de auteur nog altijd een richting biedende bron van inspiratie. Het langste hoofdstuk gaat over de eucharistie en dat laat zien dat het Borgman menens is met zijn ‘responsieve kerk’. Vanuit de eucharistie wil hij zoeken naar wegen om de kerk op te bouwen in tijden van afbraak, want in de eucharistie vindt datgene plaats wat de kerk tot kerk maakt. ‘De verbinding wordt gelegd tussen de aardse geschiedenis en het innerlijk leven van God, die liefde is.’ (81) Dienst aan de samenleving is voor Borgman inherent aan kerk-zijn. Dat zijn we van hem gewend, maar verrassend daarbij is dat hij ook het winnen van mensen voor het Evangelie tot die dienst rekent. Jezus wil ons tot vissers van mensen maken (zie Mattheüs 4:19) en nog altijd geldt die uitnodiging. Hij voelt er zich niet heel gemakkelijk onder, maar wil toch serieus werk maken van dat ‘zielen winnen’. We mogen de zielen van tijdgenoten niet aan zichzelf overlaten. ‘De ziel, die in het Grieks wordt aangeduid als psychè, is inderdaad dat wat een mens leven doet. En juist aan deze ziel leiden hedendaagse mensen massaal schade.’ (123) Hij verwijst daarbij naar Jezus’ woorden over levend water aan het adres van de Samaritaanse vrouw uit Johannes 4. Als dit woord waar is, ‘dan kun je toch alleen maar alle moeite doen om dit levende en leven gevende water te delen en zo zielen te winnen! Niet voor de kerk, uiteraard niet! Maar wel voor het niet meer kapot te krijgen leven in gemeenschap met God en de rest van Gods schepping.’ (124) Voor Borgman is dit geen eenrichtingsbeweging, maar een wederzijds gebeuren. Want in het winnen van anderen, winnen wij zelf ook. Deze verbondenheid haalt ons samen uit het isolement. We zijn van elkaar en daarin zijn we samen van God.
Borgman schreef een bewogen en bevlogen boek. Ik las het ten tijde van het verschijnen van het rapport God in Nederland. Dat contrast maakte dat Borgmans boek toch niet helemaal lekker viel. Met name de interne secularisatie binnen de Room-Katholieke Kerk is een groot probleem. Mensen zijn nog wel lid, maar weten eigenlijk soms nauwelijks nog waar het in de kerk over gaat. En daar refereert Borgman niet aan. Hij spreekt herhaaldelijk over kerkgebouwen die dicht moeten, maar analyseert niet waarom dat het geval is. Borgman noemt zichzelf geen man voor beleidsadviezen (136) en dat is hij mogelijk ook niet, maar dat er behoefte is aan goed inhoudelijk beleid mag duidelijk zijn. Heel gemakkelijk blijft een boek als dat van Borgman ver boven het maaiveld van de gemiddelde parochie. Het is in dat opzicht tekenend dat we ‘de gewone parochie’ in het boek vrijwel niet tegenkomen. Borgman zal de gemiddelde Nederlandse parochie zeker op het oog hebben gehad, maar toch blijft de parochie feitelijk buiten beeld. Voorbeelden van vernieuwing die hij geeft, komen overwegend uit het buitenland.

Petra Sassen, jurist en directeur Kerkelijk Waardebeheer, en Ad van der Helm, priester en universitair hoofddocent Kerkelijk recht, vormen een stabiel auteursduo. God is verhuisd is hun vierde gemeenschappelijke boek. Daar waar de eerste drie specifiek gericht waren op de Rooms-Katholieke Kerk, is dit derde boek breder. De auteurs hebben ook goed rondgekeken binnen de Protestantse Kerk in Nederland en richten zich op vernieuwing binnen beide kerken. De titel leggen ze als volgt uit: ‘In plaats van verbonden te zijn met de kerkelijke instituties die in hun dogmatiek nauwkeurig en parmantig hun eigen God presenteren volgens de eigen opvattingen en tradities, heeft God intrek genomen in het hart van de mensen en in hun daden van naastenliefde die zij beoefenen. God woont niet in eerste instantie in de kerkgebouwen of de kerkelijke instituties, maar in de wereld waar mensen in Gods naam leven en werken.’ (29) Dit citaat laat zien dat ze afstand nemen van een al te institutioneel-kerkelijk denken. Tegelijk hebben ze juist voor de vormgeving van kerkelijke vernieuwing veel aandacht. De auteurs kiezen voor een organisatorische benadering van de kerk (34) en lijken op dit punt kritisch in gesprek te zijn met Erik Borgman. Van der Helm en Stassen hebben weinig met theologische vergezichten die zweven boven het maaiveld van het dagelijkse reilen en zeilen van de kerk. Ze willen manoeuvreren binnen de speelruimte van de huidige Rooms-Katholieke Kerk, maar stellen tegelijk indringende vragen over de ruimte voor vernieuwing binnen dit speelveld. Tussen de regels door en soms ook in de regels zelf hoor je hun kritiek op de leiding van de Nederlandse kerkprovincie. ‘Wat in elk geval ontbreekt, is een gelovig perspectief van de leiding.’ (35)
De auteurs zoeken een ‘innerlijke transformatie van de bestaande organisaties’, maar weten niet zeker of de Nederlandse kerken dat aankunnen (120). Om succesvol te kunnen veranderen moet er voldoende besef van urgentie zijn en bovendien vertrouwen in de toekomst (192). Aan beide lijkt het de kerken te ontbreken. Stassen en Van der Helm benadrukken de noodzaak om in de zoektocht naar vernieuwing vooral hen te betrekken die nu vaak niet in beeld zijn. Daarbij gaat het om mensen binnen én buiten de kerk. Een blijvende dominante oriëntatie op de huidige ‘kern’ van de parochie of de gemeente, is een te smalle basis voor het werken aan een vruchtbare toekomst. In dat kader kunnen ze ook waarderend spreken over de moed van de leiding van de Protestantse Kerk om flink te investeren in pioniersplekken.
Om kerken en geloofsgemeenschappen toekomst te geven, zijn drie stappen nodig. Allereerst is dat een bezinning op ‘de werkelijk vraag’. Deze vraag formuleren ze niet heel scherp, maar duidelijk wordt wel dat het om de beweging ‘back to basics’ gaat. Wat is het eigene van een geloofsgemeenschap, waar leeft ze ten diepste van? Een tweede stap is het onderzoek naar mensen, mogelijkheden en middelen. Externe deskundigen kunnen hier helpen. Een laatste stap is het ontwerpen van een passende organisatie. De organisatie moet passen bij wat men beoogt.
In het slothoofdstuk noemen de auteurs twee pijlers voor geloofsgemeenschappen die toekomst zoeken: visie en elkaar dulden. De kracht van God is verhuisd ligt mede in het down to earth-karakter. We komen hier geen blauwdrukken van de ideale kerk tegen. De auteurs vertrekken vanuit het kerkelijke hier en nu. Tegelijk ligt daar voor mij ook een spanning. De noodzaak om ‘back to basics’ te gaan vinden we volop onderstreept in het boek, maar theologisch gezien blijven de auteurs in mijn ogen toch aan de oppervlakte. Het is meer een organisatiekundig boek dan een theologisch boek.
Stassen en Van der Helm schreven een belangrijk boek dat overigens wel vraagt om veel meer uitwerking. Ik zie bijvoorbeeld niet of nauwelijks ‘best practices’ uit de Nederlandse katholieke wereld voorbij komen die zouden kunnen helpen bij het zoeken van toekomst voor de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland. Zijn deze er niet of zien de auteurs ze niet? Ik ben blij met hun aandacht voor de protestantse traditie, want er is meer dat verbindt dan wat scheidt. Daarbij is het wel zo dat aan protestants zijde de spanning tussen de leiding en ‘de basis’ veel minder groot lijkt te zijn dan binnen de Rooms-Katholieke Kerk. Maar beide kerken staan zwaar onder druk en zullen ingrijpende stappen moeten zetten willen ze toekomst hebben.

Een van de valkuilen van krimpende kerken is dat ze de ernst van de situatie ontkennen en zich niet realiseren dat oude paradigmata van kerk-zijn niet meer voldoen. Vanuit die stelling probeert de Amerikaanse baptisten-theoloog Jeffrey D. Jones in zijn boek Finding Hope (2015) te zoeken naar toekomst voor de kerk. In 2017 verscheen een Nederlandse vertaling onder de titel Krimp onderkennen, Hoop hervinden. Jones maakt korte metten met allerlei restauratiebewegingen. Provocerend schrijft hij dat Ezra en Nehemia – zeker de laatste wordt in gemeenteopbouwkringen vaak hoog geschat – te veel uit zijn op restauratie na terugkeer uit de ballingschap. Nehemia herbouwt de muren van Jeruzalem, maar dat staat in de ogen van Jones model voor de priesterlijke bestendiging van achterhaalde instituties. De auteur heeft meer met de profetische traditie met haar accent op recht en gerechtigheid. In aansluiting op deze keuze wendt Jones zich tot hedendaagse denkers die ook zoeken naar radicale vernieuwing. Hij doet dat binnen zowel een seculiere (Robert Quinn, Ronald Heifetz) als religieuze setting (Phyllis Trickle, Diana Butler Bass, Gerhard von Rad). Grondgedachte is dat we niet te maken hebben met een tijdperk van verandering, maar met een verandering van tijdperk. Om de vijfhonderd jaar is het volgens Jones raak: de kerk moet fundamenteel op de schop. De Reformatie ligt vijfhonderd jaar achter ons en nu is er een nieuwe periode van transitie. Restauratie en onderhoud van wat is, schiet dan tekort. Oude patronen en praktijken zullen moeten sterven, want zonder dood is er geen opstanding. We zullen in alle openheid op zoek moeten gaan naar Gods bedoelingen voor deze tijd. In plaats van nieuwe antwoorden op oude vragen te zoeken, zullen we moeten leren nieuwe vragen te stellen.
In deel 2 van zijn boek structureert Jones elk hoofdstuk door een oude en een nieuwe vraag tegenover elkaar te stellen.
Allereerst verlegt hij het accent van ‘kom’-denken (‘hoe krijgen we nieuwe mensen binnen?’) naar ‘ga’-denken (‘hoe kunnen onze veranderde(!) mensen dienstbaar zijn in de samenleving?’). De beweging naar buiten is voor Jones cruciaal: zonder die beweging is er simpelweg geen sprake van kerk.
In de tweede plaats verlegt hij het accent van de taken van de pastor naar de missie van de gemeente als geheel. Vaststaande rollen wijken terug ten gunste van de inzet van gaven, teamvorming komt in plaats van de voorganger-solist en diens rol wordt primair die van toeruster. Deze verschuivingen vragen niet alleen mentale ruimte bij de voorganger, maar zeker ook bij de gemeente. Verwachtingspatronen kunnen hier zeer hardnekkig en fnuikend zijn!
Een derde verschuiving die Jones bepleit is die van (seculiere) visieontwikkeling naar openheid voor Gods stem. Hij realiseert zich heel goed dat deze verschuiving kwetsbaar is, want ‘Gods stem’ blijkt heel verschillend te worden verstaan. Hij vindt houvast in Gods gerichtheid op deze wereld en zijn verlangen dat de schepping in haar totaliteit en haar relationaliteit wordt hersteld. ‘Discernment’ is hier belangrijk. Het is een zoekproces van lange Adem dat ook echt anders is dan democratie waar de meerderheid beslist. Een aantal ‘disciplines’ is volgens Jones van belang: slow down, focus, let go, listen, connect, wait, settle, rest.
Een vierde shift is die van overleven naar onbaatzuchtige dienst. Kerken die bereid zijn zichzelf te verliezen, zullen ontdekken dat in de onbaatzuchtige dienst nieuw leven ontstaat. Maar angst speelt hier altijd een rol en daarom is het goed daar ook veel aandacht aan te besteden. Jones heeft ontdekt dat bij dit soort transities middelbareschooldocenten een erg goede input kunnen hebben, omdat ze werken met jongeren bij wie de hersenfuncties nog in ontwikkeling zijn. Dat maakt het voor hen gemakkelijker om te gaan met ‘onredelijk’ gedrag dat voortkomt uit verhoogde angst.
Een laatste verschuiving is die van het redden van mensen naar het zichtbaar maken van het Koninkrijk Gods. De primaire taak van de kerk ligt niet in het redden van individuen, maar in het (meer) zichtbaar maken van Gods Koningschap op deze aarde. De kerk zal zich dan vooral moeten afvragen of ze dit laatste echt doet. Het komt er daarbij op aan gavengericht te werken. Vanuit beschikbare (en te ontdekken!) gaven kan de gemeente een specifieke bijdrage leveren aan de presentie van het Rijk Gods. Gemeenteleden moeten worden geholpen vanuit hun gaven hun plek in de samenleving dienstbaar in te nemen (ook als hun toerusting daarvoor geld kost!) Jones richt zijn gaven-aanpak dus niet primair op de kerk zelf! Van belang is ook het DNA van de gemeente als collectief. Elke gemeenschap heeft haar eigen karakter en het is van belang van daaruit richting te zoeken. Dat voorkomt ook het klakkeloos kopiëren van programma’s van andere gemeenten. De gemeente komt haar DNA of haar specifieke code op het spoor door een bewuste zoektocht naar onder meer mythes, helden, rituelen en beelden.
In een derde en laatste deel buigt Jones zich kort over de gevaarlijke onderneming die werken aan fundamentele verandering vaak is. Er zal altijd verzet ontstaan en het is de kunst voor leiders deze te signaleren en er goed en wijs op te reageren. Jones leunt hier onder andere op Peter Steinke, die vanuit het systeemdenken veel heeft nagedacht over non-anxious presence. Van belang is ook dat leiders niet resultaatgericht zullen denken en werken, althans niet in de zin dat resultaten het enige criterium zijn. De ondertitel van het boek spreekt van ‘Faithful Churches’. Het komt aan op trouw aan het Rijk, ook al lijkt dat ogenschijnlijk weinig of niets op te leveren. De Geest wijst hier – in de chaos en de schijnbare vruchteloosheid – begaanbare wegen.
Jones eindigt zijn boek met een hoofdstuk getiteld ‘The Prayer’. Dat is geen vroom slot dat feitelijk los staat van het voorgaande, maar juist een fundamentele accolade om wat is gezegd. In dit hoofdstuk steekt Jones breed in en spreekt hij vooral over de spiritualiteit van leiders. Ze redden het niet leiding te geven aan vernieuwingsprocessen als ze niet zelf spiritueel verankerd zijn in de God die liefde is. En daarop komt het uiteindelijk aan bij alle transformatieprocessen.
Jones aarzelt niet om boude uitspraken te doen. Kleurloosheid is hem vreemd. Er zijn zeker vragen te stellen bij een aantal van die uitspraken en de onderbouwing ervan. De wetenschapper in mij zou graag ook een en ander meer genuanceerd willen zien, maar dit alles neemt niet weg dat dit boek een stimulerende tegendraadse gids is bij de zoektocht van krimpende kerken naar een goede toekomst.

René Grotenhuis, tot 2013 algemeen directeur van Cordaid, schreef onder de titel Van macht ontdaan een boek over de plaats van geloof en kerk in onze samenleving. Daarbij concentreert hij zich op de Rooms-Katholieke Kerk waarbinnen hij ook actief is. Grotenhuis brengt in zijn boek zijn talloze ervaringen met de wereldkerk in. Cruciaal voor de institutionele kerk is het vermogen om los te laten. Te zeer wordt het nadenken over de toekomst van de kerk nog gestempeld door het verleden en door verlieservaringen die zijn opgedaan. Afbraak kunnen we echter ook zien als ontlediging. Niet voor niets komt Grotenhuis uit bij de hymne uit Filippenzen 2. In de persoon en het optreden van paus Franciscus ziet Grotenhuis deze omkering gestalte krijgen. Hij keert zich tegen de – ook in de kerk – breed levende gevoelens dat het gedaan is met de kerk. Hij ziet de kerk in potentie als contragewicht in een cultuur die zijn balans kwijt is. Economie en technologie trekken de samenleving scheef. De zelfverlossing die de moderniteit zichzelf als opdracht heeft gesteld, maakt ons juist onvrij. De kerk leert ons dat ons al verlossing is aangereikt en dat in Christus de doem van de machten van de duisternis is verbroken. Grotenhuis kapittelt het bisschoppelijke beleid van fusies, clustering en reductie van het aantal eucharistische centra. Er wordt gefuseerd, maar er ontstaat geen nieuwe gemeenschap en zeker geen naar buiten gerichte gemeenschap. Dat betekent dat de kiem voor een volgende bezuinigingsronde al aanwezig is, zeker gelet op het geringe aantal priesters. De kerk zal moeten investeren in catechese en diaconie om haar plek in de samenleving te kunnen blijven innemen. Stedelijke vormingscentra kunnen daarbij een belangrijke rol spelen. Grotenhuis noemt met waardering De Nieuwe Liefde en De Nieuwe Poort, beide in Amsterdam. Lokale geloofsgemeenschappen zullen moeten investeren in een nieuwe identiteit van vrijwilligers. Hoe kunnen zij meer dan nu vaak het geval is als gelovigen hun werk doen? Vieringen kunnen meer dan nu improviserenderwijs vorm en inhoud krijgen.

Moses Alagbe, pastor van Maranatha Community Transformation Center Amsterdam, schreef een dun boekje met een prikkelende titel: The Church is Boring. Het gaat hem om de relevantie van het geloof voor heel het leven. Zijn achtergrond is het pinksterchristendom waar persoonlijke verlossing en de hemel vaak belangrijker worden geacht dan politiek-maatschappelijke issues. Alagbe zoekt naar een Kingdom mindset van waaruit het leven hier en nu in al zijn dimensies volop in beeld komt en meedoet. Hij hekelt een eenzijdig christendom waarbinnen de maatschappij feitelijk niet in beeld komt. In zijn theologische strijd met Pelagius is Augustinus wat uit de bocht gevlogen, aldus Alagbe. Daarom is het accent eenzijdig komen te liggen op persoonlijke redding uit de macht van de zonde. De portretten van Ruth en Father Ben uit de Filippijnen die zich radicaal engageren met de armen zijn de opmaat van het boek dat één grote uitnodiging is zich ‘te bekeren’ tot het aardse hier en nu.

‘Discernment’ is een opbouwkundig thema dat voortvloeit uit de kerkelijke aandacht voor receptiviteit. Hoe kunnen we de wil van God voor ons als geloofsgemeenschap gaan leren verstaan? We zagen de aandacht daarvoor hierboven ook al in de brochure van Rooms en Keifert. Is er iets als een ‘communal discernment’ te ontwikkelen? Die vraagt staat centraal in het tiende deeltje van de Baptistica Reeks, getiteld Samen ontdekken, dat verscheen onder redactie van Ingeborg Jansen-te Loo. De bundel is een mix van meer theoretische beschouwingen en concrete praktijkverhalen. Als opmaat is er aandacht voor de film ‘Des hommes en des dieux’, waarin de monniken zich beraden over de vraag of ze op hun plek zullen blijven of niet. Dat is een indringend en ingrijpend moment van ‘spiritual discernment’!

In het voorjaar van 2014 vond in Leuven een studiedag plaats rond het spanningsveld van het ‘oneindige’ Rijk Gods en de ‘eindige’ kerk. De dag leidde tot een publicatie getiteld Aan zijn rijk komt geen einde …?! Over de lege kerken in Europa. Centraal staat de relatie tussen het Rijk Gods en de kerk. De bundel, onder redactie van Peter de Mey en Liesbeth Pulinckx, telt elf bijdragen die breed uitwaaieren rond het centrale spanningsveld. Er is uiteraard aandacht voor ontwikkelingen binnen de Rooms-Katholieke Kerk (in België), inclusief de zogenaamde nieuwe bewegingen binnen de RKK, maar de aandacht gaat ook uit naar het Anglicaanse initiatief van de Fresh Expressions en naar evangelische gemeenten. De meest spannende bijdrage in de bundel is misschien wel die van Stijn van den Bossche. We redden het niet meer met de gedachte dat we leven in ‘een tijdperk van verandering’. We hebben te maken met ‘een verandering van tijdperk’ (81). Dat vraagt om radicale stappen. We zullen niet meer kunnen teren op ‘overgeërfde religieuze identiteiten’ (Hervieu-Léger), maar enkel in de persoonlijke Godsrelatie schuilt er toekomst voor de kerk. De kerk is een gemeenschap van geroepenen, van leerlingen die onderweg zijn. Catechese wordt daarmee primair iets voor volwassenen, kinderen kunnen uiteraard aanhaken. De doop van volwassenen wordt het standaardmodel zonder dat Van den Bossche overigens de zuigelingendoop overboord zet. ‘Religieus onderhoud’ moet wijken voor missionaire vernieuwing. Allen zijn geroepen in de kerk in dit nieuwe tijdperk. We kunnen het niet meer doen met het aloude onderscheid tussen een geboren en een geroepen stand. Wat Van den Bossche bepleit is nauwelijks minder dan een copernicaanse wending in het zelfverstaan en het functioneren van de RKK.

Henk Stoorvogel is een van de voorgangers van de Vrije Evangelisatie Zwolle (VEZ), een grote evangelische kerk, gesticht in de jaren dertig van de vorige eeuw. Ook is hij oprichter van de mannenbeweging De 4e Musketier. Hij schreef Viva de kerk! Stoorvogel zoekt toekomst voor de kerk in Nederland en komt in die zoektocht uit bij de ‘oergemeente’ in Antiochië, waarover we lezen in het boek Handelingen. Hij noteert tien lessen die we van deze kerk kunnen leren. Elk van de lessen werkt hij in een hoofdstuk uit. Ik noem er twee: ‘radicaal discipelschap is de norm’ en ‘een kerk met invloed op de samenleving is niet bang om te innoveren’. De brede, tolerante volkskerk is hier ver weg. Tobberigheid is Stoorvogel vreemd, met groot enthousiasme spreekt hij over het enorme potentieel van de kerk. Met veel van zijn lessen kan ik op zich wel meegaan, maar toch trapte ik bij het lezen van het boek herhaaldelijk op de rem. Het lijkt er op dat hij de karakteristieken die hij nodig acht voor de gemeente van nu als het ware ‘inleest’ in het verslag uit Handelingen en deze vervolgens weer als behartenswaardige lessen voorlegt aan de kerk van nu. Exegetisch en hermeneutisch is dat discutabel, we weten immers maar heel weinig over de toenmalige kerk in Antiochië. Hij spreekt bijvoorbeeld over het leiderschapsteam in Handelingen als een ‘dreamteam’, terwijl we feitelijk bijna niets weten van de wijze waarop er in de gemeente destijds leiding werd gegeven. Wat we wel weten is dat twee van de genoemde leiders, Paulus en Barnabas, een behoorlijke ruzie kregen over de personele bezetting van hun voorgenomen missietrip …

Eddy de Pender maakt deel uit van het Netwerk Vredestichters dat trainingen in conflicthantering geeft en bemiddelt in conflictsituaties. Hij schreef het toegankelijke boek Vrede stichten in de kerk. Het boek biedt inzicht in de aarde van conflicten, hun wording, sociaal-psychische mechanismen die er een rol bij spelen en manieren om er constructief mee om te gaan. De Pender is geïnspireerd door het systeemdenken van Edwin Friedman en heeft veel geleerd van het Lombard Mennonite Peace Center in Chicago. Het boek is vooral bedoeld voor leiders in de kerk, maar is zeker ook leerzaam voor een breder publiek. De Pender geeft veel voorbeelden die laten zien dat hij de kerkelijke praktijk goed kent. Hij refereert veelvuldig aan bijbelteksten en paart een orthodoxe theologie aan tal van sociaalwetenschappelijke inzichten.

Het onderzoeksrapport ‘God in Nederland’ meldde dat de kleinere orthodox-protestantse kerken zich verhoudingsgewijs goed handhaven. In de bundel Kampvuur onder redactie van Johan Bakker lezen we vijftien bijdragen van gelovigen die overwegend lid zijn van genoemde kerken. Ze vertellen wat de kerk voor hen is en soms ook hoe dat is verschoven in de loop der jaren. Er worden soms harde noten gekraakt, maar de grondtoon is vrijwel steeds positief. Bakker geeft in zijn eigen artikel en passant ook nog een richtlijn voor gemeenteopbouw door. Wat verwacht de nieuwe generatie van de kerk? ‘Naast de ervaring van community en een afwisseling tussen goede muziek en momenten van meditatieve stilte noemt de jeugd opmerkelijk vaak de behoefte aan authentieke christelijke rolmodellen.’ (20)

Kerken zijn emotionele systemen. We kunnen ze vergelijken met ijsbergen. Het meeste zie je niet, veel zit onder water en blijft verborgen voor de oppervlakkige waarnemer. Veranderaars kunnen er stuk op lopen, gericht als ze soms zijn op het zichtbare en schijnbaar te veranderen deel van het systeem. William M. Kondrath vraagt in zijn boek Facing Feelings in Faith Communities aandacht voor de rol van gevoelens en emoties binnen kerkelijke gemeenschappen. De auteur wil de lezer helpen om ‘emotionally literate’ te worden en ‘affectively competent’ (18). Omdat onze aandacht doorgaans primair uitgaat naar cognities en gedrag is het daarmee in zijn ogen een ‘countercultural’ boek.

Onder redactie van Jan Renkema (een taalkundige, mij vooral bekend vanwege zijn Schrijfwijzer!) en de theologe Leonie van Straaten verscheen in 2016 de bundel Kerk van de toekomst. Het boek telt dertien bijdragen van onder meer Tamarah Benima, Erik Borgman en Manuela Kalsky. Het verscheen als opmaat voor het 50-jarig bestaan van de Hooge Berkt in Bergeijk, een van de grootste en nog actieve basisgemeenschappen in Nederland. Een scherpe centrale vraagstelling ontbreekt, waardoor het boek een beetje een allegaartje is geworden van stemmen en zoekrichtingen. Het is ook jammer dat de redacteuren niet de moeite hebben genomen tot iets als een evaluerend slotartikel te komen.

Als een auteur aan een boek over de kerk de titel Auf Sand gebaut meegeeft, kun je wel aannemen dat het een kritisch boek is. De auteur is de Zwitserse theoloog Paul Bernard Rothen en de kerk waarop hij kritisch is, is primair zijn eigen Zwitserse Evangelische Kirche. Zo keert hij zich tegen het oeverloze pluralisme in de kerk dat maakt dat de identiteit onhelder wordt en gelovigen in verwarring raken over de boodschap van de kerk. Hij keert zich ook scherp tegen allerlei strategieën om het tij in de kerk te keren. Hij noemt er vier bij name: inzetten bij de behoeften van mensen (‘Themen statt Texte’), prat gaan op alles wat de kerk presteert (‘Seht, wie viel wir leisten!’), de op- en uitbouw van een kerkelijk apparaat en ten slotte kerkpolitieke hervormingen. Hij bepleit de bereidheid om te sterven (‘wie zijn leven verliest omwille van mij en het Evangelie, die zal het behouden’). Op geen enkele manier kan het Gods wil zijn dat de kerken zichzelf met politieke en strategische middelen in leven houden.

Een verrassende thematiek is aan de orde in bundel Being one at Home (Knieps-Port le Roi e.a.). Het gaat hier om aandacht voor ‘interchurch families’ en hun betekenis voor de eenheid van de kerken. In zowel meer empirische als in theologische zin wordt het fenomeen van het ‘gemengde’ huwelijk bekeken, met daarbij zeker ook oog voor de oecumenische stimulans die voor kerken uit kan gaan van deze familiale ‘domestic churches’.

 

5. Etnografisch en ander empirisch onderzoek (met een bijdrage van dr. Henk de Roest)

Gerardo Marti, als hoogleraar sociologie werkzaam bij Davidson College, en Gladys Ganiel, lector bij Trinity College Dublin in Belfast, verrasten in 2014 met een grondige sociologische studie naar wat zij aanduiden als Emerging Christianity. In hun boek The Deconstructed Church spreken de auteurs over een intrigerend nieuw onderzoeksterrein, een religieuze beweging, waarin veel wordt geëxperimenteerd, in sociologische termen een sociale beweging waarin religieuze innovatie plaatsvindt. Terwijl wij in Nederland vooral over pionieren spreken en de uitvinders van ‘fresh expressions’ in Groot-Brittannië zijn te vinden, wordt de term ‘emerging church’ met name in de Verenigde Staten gebruikt. Toch komen we de laatste aanduiding ook aan deze kant van de oceaan, met name in Groot-Brittannië, tegen. Soms zijn er geen verbindingen met kerkgenootschappen, soms wel en volgens de auteurs zijn stafleden van de Fresh Expressions-beweging beïnvloed door de Emerging Church Movement (ECM). Eerder verscheen in Nederland van de hand van Robert Doornenbal een lijvige dissertatie over deze beweging, getiteld Crossroads, waarbij hij zich met name richtte op de visie op leiderschap. Het gaat bij de ECM niet alleen om emerging communities, maar ook om meerdaagse ‘emerging church-conferences’, waar veelal overnachtingen, maaltijden en allerlei nieuwe vormen bij horen. De nadruk ligt op events en gatherings soms aangeduid als ‘pub-church’ of ‘festival’, met een voorkeur voor het vertellen van verhalen (‘storytelling’) en met gebruikmaking van animaties, blogs of continu op de achtergrond aanwezige doorlopende filmpjes (‘video loops’). Teksten, beelden en video’s kunnen bijvoorbeeld worden gebruikt voor een zogeheten theo-poëtisch drama. Bijeenkomsten zijn performances, gevolgd door informele gesprekken en beide hebben evenveel gewicht. Er is een groot verlangen naar interactie. Het gaat om het stimuleren van gesprekken, het voordragen en uitwisselen van gedichten, het vertellen van gelijkenissen en vaak gaat dit alles vergezeld van een goed gevuld glas bier. Veelal is men kritisch op de bestaande kerken. Meerdere groepen binnen de ECM willen zichzelf niet aanduiden als ‘congregation’ of ‘church’, maar kiezen voor ‘collectief’, ‘groep’ of ‘gemeenschap’. Ganiel onderzocht het kunstcollectief Ikon in Belfast, dat verbonden is met Peter Rollins. Marti deed gedurende meer dan tien jaar participerend observerend onderzoek in gemeenschappen en conferenties in de Verenigde Staten. Ze delen een commitment ten aanzien van een ‘thick description’ van sociale praktijken, met een voorkeur voor het geven van een stem aan de deelnemers. Ze zien ECM als ‘one of the most important reframings of religion within Western Christianity in the last two decades.’ Ze laten in hun beschrijving vier snapshots zien: pub churches, conferenties van Emerging Christians, virtuele netwerken en neo-monastieke gemeenschappen. In hun sociologische duiding gebruiken de onderzoekers een aantal theoretische concepten. Ze zien als gezegd de ECM als een sociale beweging, waarin een religieuze oriëntatie wordt gedeeld die ontstaat vanuit een continue praktijk van deconstructie. Vanuit organisatiekundig perspectief spreken ze over een ‘zich-institutionaliserende structuur’. Daarnaast spreken ze, weinig opzienbarend, over ‘religieuze individualisering’, waarmee wordt bedoeld dat er geen ruimte meer lijkt te zijn voor een door alle deelnemers gedeelde gemeenschappelijke identiteit. Veel Emerging Christians wijzen zelfs het label ECM af en binnen de beweging is er bovendien grote heterogeniteit. Marti en Ganiel ontwikkelen ook het concept van een ‘pluralistische gemeenschap’, waarbij de nadruk ligt op het ontdekken van verschil en diversiteit (‘pluralism happens within gatherings’). Een ander concept is ‘strategische religiositeit’, waarmee wordt aangeduid dat elk individu voor zichzelf een aantal overtuigingen en geloofsvoorstellingen fabriceert, waarover wordt gedebatteerd en die voortdurend herzien kunnen worden. Interessant is ook het concept ‘coöperatief egoïsme’. Elke deelnemer heeft de vrijheid om individueel te geloven en denken, maar dan wel altijd in relatie tot en in interactie met anderen en daardoor niet in een isolement. De alomtegenwoordigheid in Emerging Christianity van media, inclusief sociale media, duiden Marti en Ganiel met een ontwikkeling die zij ‘religieus cosmopolitanisme’, noemen, waarmee zij willen benoemen dat er steeds minder religieuze enclaves zijn. Ten slotte gebruiken ze het concept ‘institutioneel ondernemerschap’ (institutional entrepeneurs), waarmee ze willen aangeven dat veranderingen van instituties plaatsvinden door toedoen van ondernemende insiders, die niet in hun eentje te werk gaan, maar verbindingen aangaan met andere ondernemers.

In What Makes Churches Grow? (2015) van de Brit Bob Jackson komen we veel Anglicaans onderzoeksmateriaal tegen. Anders dan de titel doet vermoeden geeft hij ook veel krimpcijfers door. Het algemene beeld binnen de Anglicaanse Kerk is dat van krimp, maar Jackson zoekt naar ‘kerkplekken’ die groei vertonen. Zo komt hij onder andere in Londen waar de kerk gegroeid is dankzij church plants en wijst hij er op dat kleinere kerken meer groeipotentieel vertonen dan grotere. Een apart hoofdstuk is gewijd aan de groei van kathedrale vieringen. Met name in dynamische stedelijke omgevingen zien we deze groei. Door meer (gevarieerde) vieringen aan te bieden, bereiken deze centrumkerken steeds meer mensen, Daarbij spelen ze in op het veranderde leefpatroon van mensen. ‘A multi-cultural 24-7 society needs a multi-cultural 24-7 church’ (212). Uitvoerig staat Jackson stil bij de negatieve uitwerking van pastores die hun aandacht moeten verdelen over steeds meer parochies. Dat beeld zien we ook in Nederland en daarmee is het boek ook een signaal voor onze zoektocht naar toekomst voor de kerk. Hij pleit – mede op grond van een concrete pilot – voor ‘focal ministers’, betaald dan wel onbetaald, die zich echt kunnen concentreren op één geloofsgemeenschap. De ’vliegende keep’ biedt in de ogen van Jackson nauwelijks toekomst, want dergelijke pastores zijn niet in staat hechte relaties op te bouwen en op relaties komt het aan in de kerk van de toekomst. ‘Focal ministers’ maken het ook mogelijk om te spelen met de aanvangstijden van de zondagse vieringen. Jackson constateert in dat verband dat ‘Sunday teatime’ een goed moment is voor gezinnen. Tien uur zondagochtend is voor hem allerminst vanzelfsprekend, we moeten af van verstarde aanvangstijden. Church planting is voor de auteur de meest beloftevolle manier om de kerk te doen groeien. ‘It is often easier to fashion a new event suited to younger people than it is to update an existing one.’ (161) In het bijzonder staat hij stil bij Messy Church, een initiatief dat in Engeland een hoge vlucht heeft genomen. Niet minder dan een half miljoen mensen hebben er sinds 2004 kennis mee gemaakt. Ook in Nederland is de formule overgenomen, vaak onder de naam Kliederkerk. Jackson pleit voor contextuele vernieuwing en richt zich daarbij tegen hen die menen dat vernieuwing en verandering alleen maar tot (kwantitatieve) achteruitgang leiden. Hij staaft dit ook met onderzoeksmateriaal. Met name jonge mensen zijn gevoelig voor het bij de tijd brengen van de kerk. Jackson ziet de ambivalentie rond veranderingen en stelt daarom vast dat ‘people buy into the leader before they buy into the vision’ (190). Leiders zullen daarom allereerst vertrouwen moeten wekken. Belangrijk is zijn constatering dat voorgangers doorgaans vooral aantrekkelijk zijn voor generatiegenoten, dat wil zeggen voor mensen van tien jaar jonger tot tien jaar ouder dan de voorganger zelf (96). Wat betekent dat voor bijvoorbeeld de Protestantse Kerk in Nederland waar de predikant in 2017 gemiddeld 52 jaar oud is? Jackson zet in op leiderschapstraining voor leken, maar wijst ook op opbouwkansen die er liggen bij een vacatureperiode.
Bij veranderingen zullen ook altijd gevoelens van verlies opkomen. Cruciaal is daarom de vraag of de bestaande gemeenschap bereid is om zaken op te geven ten gunste van potentiele nieuwkomers Jackson ziet deze bereidheid als een authentieke expressie van openheid voor de Geest (191, 192). De auteur staat in een apart hoofdstuk stil bij de financiën in de kerk. Hij pleit voor het vervangen van verplichte quota door een vrijwillige afdracht van lokale gemeenten aan de landelijke kerk. De ervaring vanuit meerdere Anglicaanse bisdommen leert dat vrijwilligheid op dit punt ook echt kan. Jackson besteedt ook een heel hoofdstuk aan het functioneren van bisdommen. Ze zijn niet primair ‘neutraal-administratieve’ eenheden, maar ze zijn geroepen om visie te ontwikkelen en lokale parochies voor te gaan in spiritueel leven. ‘Lead by example’ is hier de gouden regel. Jackson past deze ook toe op de plek van gebed in de dienst van bisdommen aan lokale geloofsgemeenschappen.
In een kort afsluitend deel verkent hij kerkgroei als resultante van het werk van de Geest. Voor die groei zijn tal van factoren aan te wijzen, maar daarmee is het plaatje nooit helemaal rond. De kerk is bij Jackson geen roeiboot die het moet hebben van menselijke roeikracht, maar een zeilboot die zich vooral moet inspannen om maximaal te ‘profiteren’ van de aanwezige Ruach, de Adem Gods. Zo komen goddelijk en menselijk handelen samen. Receptiviteit voor de stille stem van God is cruciaal. Zo ook de volgehouden voorbede. God is de primaire actor. Missie is dan ook in de eerste plaats ontdekken wat God al aan het doen is en daarbij aansluiten. Om toekomst te vinden, zal ook achterom gekeken moeten worden naar alles dat niet goed is geweest. Schuldbelijdenis rond een scheef verleden opent de toekomst. Er is immers Opstanding geweest die ons mee wil nemen zowel naar Gods toekomst als naar Gods heden.

In september 2016 promoveerde Harmen van Wijnen op de dissertatie Faith in Small Groups of Adolescents. Zijn centrale onderzoeksvraag was de volgende: ‘How does the practice of the small groups relate to the faith of the adolescents and to their relationship with the church, and how could this practice be evaluated theologically?’ (28) Hij deed empirisch onderzoek onder vijf uiteenlopende kleine groepen met adolescenten tussen de 15 en 21 jaar (vijf tot tien personen). Deels waren de groepen georganiseerd vanuit bestaande geloofsgemeenschappen (met name Protestantse Kerk), deels ook spontaan ontstaan. Via etnografisch onderzoek en interviews brengt Van Wijnen het onderzoeksveld in kaart. Hij ontdekt de kracht van spontane groepsvorming. Ondanks het proces van individualisering is groepsvorming nog steeds cruciaal voor adolescenten. Van Wijnen ontdekte dat ‘zijn’ belangrijker is dan ‘organiseren’. Het ‘samen zijn’ is een basisgegeven voor jongerenwerk. ‘Er is als het ware een natuurlijke kracht aanwezig die adolescenten als het ware ‘vanzelf’ samenbrengt in onderlinge verbanden.’ (168) De kerk heeft daar – met haar nadruk op organiseren en programma’s – vaak te weinig aandacht voor. Hij legt hier een verband met Maffesoli’s proces van tribalisering. Kleine groepen zijn neo-tribes van individuen die verder kijken dan het eigen belang. De kerk moet dit soort natuurlijke verbindingen zien, stimuleren en faciliteren. Dat vergt een omslag in het denken en doen, want vaak zit de kerk nog sterk in een organisatiemodus en ziet ze te weinig de kracht van organische processen en verbanden. Van Wijnen zit hier dicht bij Pete Wards Liquid Church. Vanuit de theologie brengt hij hier de notie van het verbond in, waarbij het zowel gaat om de relatie met God als met elkaar. Spannend is hier misschien wel vooral de theologische koppeling van spontane groepen en verbondssluiting. Die twee zijn niet zondermeer twee handen op een buik. Dat geldt ook voor spontaniteit en inclusie.

In de Duitstalige bundel Kurs Halten (2015) onder redactie van Jens Monsees e.a. wordt verslag gedaan van een breed empirisch onderzoek onder deelnemers aan geloofscursussen binnen het verband van de Evangelische Kirche in Deutschland (EKD), de grote Duitse protestantse kerk. De vraag was vooral welke opbouwwaarde dergelijke cursussen (bijvoorbeeld de Alpha-cursus, maar ook zelf gemaakte cursussen) hebben voor zowel de deelnemers (inclusief de leiding) als de gemeente waarbinnen ze worden gegeven. De opbouwwaarde is groot, zo laat het onderzoek zien, met name als de cursussen regelmatig en met een zekere continuïteit worden aangeboden. Van belang is ook een goede conceptuele inbedding in het functioneren van een plaatselijke gemeente. Dat de cursusleider uit de voeten moet kunnen met inhoud en opzet van de cursus zal niet verbazen. Winst is ook gelegen in de inschakeling van ‘gewone’ gemeenteleden in de leiding van de cursussen. In Engeland is gebleken dat een gedeelde verantwoordelijk voor de cursus van meerdere lokale gemeenten vaak positief uitvalt. Dit biedt ook kansen voor kleine en soms zwakke gemeenten.

Vanuit het met de EKD verbonden Duitse Sozialwissenschaftliches Institut is er onderzoek gedaan onder ‘Konfessionslosen’, woonachtig in het Oosten van Berlijn. Wie zijn zij en hoe vergaat het hen? In het boek Wer sind die Konfessionslosen? doet Petra-Angela Ahrens er verslag van. Over het algemeen zijn ze gelukkig (in het bijzonder de overtuigde atheïsten!) en speelt religie niet of nauwelijks een rol in hun leven. Tegelijk spreekt een meerderheid positief over ervaringen met de kerk en is er dus geen sprake van sterk antithetische opvattingen. De ‘Konfessionslosen’ nemen de verantwoordelijkheid voor het eigen leven. Ze willen flexibel zijn om zich telkens op nieuwe situaties te kunnen instellen. Bekendheid met nabije kerken is er nauwelijks, maar toch is er wel degelijk interesse in wat de kerken doen en aanbieden.

Een ander Duits onderzoek laat een toenemende interesse van jonge mensen voor de biecht zien. Ze biechten niet in de klassieke setting van de lokale parochie, maar tijdens (meer anonieme) Wereldjongerendagen en in Taizé. Het gaat hen daarbij doorgaans niet om specifieke zonden, maar om een algemeen verlangen naar verzoening en een bepaalde ‘hygiëne’ als het gaat om het omgaan met persoonlijke schuld. De biecht is een van de voertuigen voor een serieus leven met God, zo stelt de studie onder redactie van G.M. Prüller-Jagenteufel en anderen. Ze gaven het boek de titel Beichte neu entdecken mee.

Nadat ze al eerder een parochiemonitor ontwikkelden, kwamen Hans Jonker en Klaas de Jonge in 2016 met een protestantse variant, de gemeentemonitor. De monitor wil parochies en gemeenten helpen om zich bewust te worden van het eigen profiel en zo gericht beleid voor de toekomst te ontwikkelen. Ze werken in de analyse met vijf lagen: gemeentetheologie, gemeentebeelden, sociale en omgevingskenmerken, structuurkenmerken en tot slot groepsverband en saamhorigheidsgevoel. Uit niet minder dan negen gemeentemodellen hebben ze per laag kenmerken genoteerd die vervolgens omgezet zijn in een vragenlijst. Zo ontstaat via de enquête een profiel van de gemeente en wordt ook duidelijk bij welk gemeentemodel dit het dichtst in de buurt komt. Dat model kan vervolgens helpen om gericht aan het eigen profiel te werken. De Jonge en Jonker zijn met hun monitor vooral uit op verheldering en veel minder op sturing. Het is aan gemeenten zelf om te bepalen wat ze met de uitkomsten doen. De aanpak kan zeker tot verheldering leiden, maar vragen heb ik bij de scherpte van de profielen (bieden ze echt voldoende onderscheidingsvermogen?) en bij de gedateerdheid van meerdere van de gemeentemodellen.

In het jongste nummer van Handelingen (2017/3) vat Martijn Vellekoop de resultaten samen van het onderzoeksrapport Op hoop van zegen (2017). In dit rapport wordt verslag gedaan van pioniersprojecten binnen het verband van de Protestantse Kerk. In kort bestek geeft Vellekoop een helder beeld van de stand van zaken en van de uitdagingen die er liggen. Ik verwijs hier naar zijn artikel en naar het rapport dat digitaal beschikbaar is.

 

6. Leiding geven: voorgangers, ambtsdragers …

Onder redactie van Jan Martijn Abrahamse en Wout Huizing verscheen in de Baptistica Reeks een bundel over het ambt. Centraal staat de vraag wat de rol en de betekenis van de voorganger is. Baptisten kennen een laagkerkelijke cultuur en structuur waarin de voorganger niet snel op een voetstuk wordt geplaatst en het ambt al gauw verdacht is. Het priesterschap van alle gelovigen is een centraal credo binnen het baptisme. Dat kleurt het nadenken over de positie en het functioneren van de voorganger (die dan ook bij voorkeur geen ‘dominee’ wordt genoemd). De bundel is geen koekoek eenzang, maar wat wel een grondtoon is, is de nadruk op het dienstkarakter van voorganger zijn. Tegelijk gaat het om de vraag of het voorgangerschap enkel een functie van de geloofsgemeenschap is of ook een functie voor die gemeenschap. De gereformeerde dr. Mees te Velde is uitgenodigd om te reageren op de bijdragen van huidige docenten van het Baptistenseminarie. Hij meent dat de verschillen met andere kerkelijke tradities te zwaar worden aangezet en dat het beter is samen te zoeken naar een vruchtbaar denken over de plek van de voorganger binnen de lokale geloofsgemeenschap. Hij schrijft ook dat de empirie in de bundel ontbreekt. De bijdragen concentreren zich op het Nieuwe Testament, de Vroege Kerk en op latere denkers in het veld van gemeente en ambt. ‘Na veel deductieve ambtentheologie is een flinke portie inductieve ambten-analyse bepaald niet overbodig.’ (153) De missionair pionier Oeds Blok reageert aansluitend nog vanuit zijn eigen missionaire pioniersarbeid.

Onder redactie van René Erwich en Jan Marten Praamsma, docenten Christelijke Hogeschool Ede (CHE), verscheen in 2016 de bundel Grensgangers. Pendelen tussen geloof en cultuur. Centraal staat de vraag hoe met name de hbo-theoloog goed kan pendelen tussen de cultuur waarin hij of zij leeft en werkt en zijn of haar persoonlijke geloof. Het hoofddeel van het boek wordt gevormd door vijf clusters: missionair-diaconale en missionaire presentie, docent godsdienst/levensbeschouwing, geestelijke verzorging en pastoraal werk, voorganger en ten slotte gemeenteopbouw. Een breed palet van auteurs heeft meegeschreven aan het boek. Ze brengen ook heel verschillende posities in beeld in het spanningsveld cultuur-geloof. In hun slothoofdstuk signaleren Erwich en Praamsma twee rode draden in de bundel: ‘back to basics’, herbronning dus, om vervolgens van daar uit met vernieuwd elan present te zijn in de cultuur. Ze signaleren tegelijk een gebrek aan ‘een hermeneutiek van de ontmoeting’. De theoloog Miroslav Volf is met zijn boek Exclusion & Embrace op dit punt voor hen een heilzame gids. De noodzaak om tot grensdoorbrekende ontmoetingen en wederzijdse acceptatie te komen is sinds de publicatie van dit boek alleen maar groter geworden.

De joodse rabbi Hayim Herring en de lutherse theologe Terri Martinson Elton schreven samen een boek over leiderschap in tijden van transitie. Ze gaven het de titel Leading Congregations and Nonprofits in a Connected World. Uitgangspunt is een paradigmawisseling: van hiërarchieën (1.0-organisaties) naar platte sociale netwerken (3.0-organisaties). Een belangrijke constatering in het boek is dat religieuze gemeenschappen en organisaties vanwege hun concentratie op liturgische kalenders en heilige dagen vaak op de korte termijn werken en daardoor minder openheid hebben voor innovatie op de lange termijn. De auteurs koppelen de opkomst van de organisatie 3.0 aan de introductie van de iPhone in juni 2007. Het ging in hun ogen tien jaar geleden om niet minder dan paradigm shift! De overgang in de kerk van 1.0 naar 3.0 is echter allerminst eenvoudig en vraagt veel van de leidinggevenden, zeker als deze – bewust of onbewust – nog handelen vanuit een 1.0-attitude. De auteurs gooien overigens de klassieke organisatie van de kerk niet weg. Ook deze kent sterke elementen. Aandacht is er ook voor (religieus) ondernemerschap. De auteurs stellen dat ondernemerschap van grote betekenis is voor de toekomst van religieuze organisaties en groepen.

Tot slot wijs ik nog op twee themanummers van theologische tijdschriften die zich concentreren op de predikant. In 2015 verscheen een nummer van het tijdschrift Kerk en Theologie over ‘predikant voor de toekomst’. Het nummer reageert mede op het verschijnen van het beleidsrapport ‘Kerk 2025’ van de Protestantse Kerk in Nederland. In 2016 was een nummer van het tijdschrift GEESTkracht (verbonden aan de Charismatische Werkgemeenschap Nederland en haar leerstoel aan de VU) gewijd aan het thema ‘Geleefd vertrouwen. Godsvertrouwen in een tijd van krimp’. In het nummer, dat mede een postume hommage is aan Jan Hendriks, komen acht voorgangers aan het woord vanuit de vraag hoe zij vorm en inhoud geven aan hun Godsvertrouwen.

 

7. Interculturele uitwisseling

De Australische praktisch theoloog Graham Hill schreef in 2016 het lijvige boek Global Church. Hij wil niet-westerse stemmen laten horen over de kerk. Het denken over de kerk is vaak te zeer gestempeld door Europese en Amerikaanse theologen. Hill kiest in het spoor van de Lausanne-conferentie in Pattaya uit 2014 voor het begrip Majority World Church. Christenen zijn in meerderheid te vinden buiten West-Europa en Noord-Amerika, maar dat klinkt niet door in de theologie. ‘The aim of the book is to help Western churches rediscover what it means to be salt, light and a city by engaging in global missional conversations.’ (17). In drie delen komt een groot aantal thema’s aan de orde, waarbij Hill telkens theologen uit de Majority World Church aan het woord laat.

Ook in Nederland gaan tal van jongeren en ook ouderen op diaconale en missionaire werkvakanties en andere vormen van short-term mission. De Amerikaanse antropologe Laurie A. Occhipinti deed onderzoek naar het effect van dit soort trips. In het boek Making a Difference in a Globalized World deed ze er verslag van. Ze startte het onderzoek zeer sceptisch (‘waarom niet gewoon geld sturen?’), maar gaandeweg werd ze positiever. Zelf ging ze ook en hoewel generaliseringen lastig te maken zijn, ontdekte ze wel een aantal voorwaarden voor meer vruchtbare vormen van mission trips. Ze moeten ingebed zijn in vormen van langdurige verbondenheid, goed georganiseerde reflectie op de trip vooraf en na afloop is nodig, het moet gaan om waarachtige dienst aan de ander en besef van de eigen context/cultuur en die van de ander is belangrijk.

 

8. (Auto)biografieën

Wim Jansen, protestants predikant en auteur van meerdere boeken, schreef ter gelegenheid van zijn emeritaat een zeer persoonlijk boek, getiteld Dominee zoekt God. Hij gaf het de ondertitel Dagboek van een laatste zondagmorgen mee. Jansen kijkt terug op zijn leven en in het bijzonder op zijn werk als predikant. Hij steekt daarbij zijn theologische vrijzinnigheid bepaald niet onder stoelen of banken evenmin als de liefde voor zijn vrouw. Liefde is een kernwoord in het boek. ‘Ubi caritas et amor, Deus ibi est …’

Ook van de gemeenteopbouwman Marius Noorloos verscheen een autobiografie, getiteld Gaandeweg verder via leven uit de Bron. Hij begon in 1966 als gereformeerd gemeentepredikant en werd later missionair toeruster en consulent voor gemeenteopbouw. Hij is vooral bekend geworden door zijn vaak herdrukte boek Leven uit de Bron. Gaandeweg verder is chronologisch opgezet en volgt de loopbaan van de auteur. Het theologische klimaat in dit boek is heel anders dan in dat van Jansen. Noorloos maakt zich zorgen over een plurale kerk die stuurloos lijkt te zijn geworden. Voor velen in onze samenleving is de kerkgeschiedenis terra incognita. In zijn memoires laat Noorloos fragmenten uit de geschiedenis van met name de Gereformeerde Kerken in Nederland en de latere Samen-op-weg-kerken oplichten. Zo bewaart hij ons voor ‘vergeten’.

De Amsterdamse Dominicusgemeente ontstond in de jaren zestig toen Dominicanen probeerden de in het slop geraakte parochie te revitaliseren. Die vitalisering kwam er zeker, maar uiteindelijk niet meer als rooms-katholieke parochie, maar als oecumenische gemeenschap. Ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan verscheen onder redactie van Gerard Swüste en Mirjam Wolthuis het fraai vormgegeven boek Verbinden en verdiepen. Een keur aan auteurs heeft bijgedragen aan een zeer informatief boek over een gemeenschap die nog altijd vitaal is. Een van de meer kritische bijdragen is van Erik Borgman, in 1988 bij de gemeenschap betrokken geraakt, maar inmiddels vertrokken. Op communicatieve wijze kapittelt hij de gemeenschap die zich te weinig gelegen laat liggen aan de noodzakelijke verbinding met de kerk van alle tijden en alle plaatsen. Kerk-zijn is uiteindelijk je invoegen in iets dat groter is dan jij. Hij schrijft ook dat een kerk kan lijden aan een te grote behoefte aan authenticiteit. De behoefte alles op de eigen maat te snijden isoleert de gemeenschap dan van de traditie.

 

Besproken of anderszins aangehaalde publicaties

Abrahamse, J.M., W. Huizing (red.) (2014). Van onderen! Op zoek naar een ambtstheologie voor een priesterschap van gelovigen. Baptistica Reeks nr. 8. Amsterdam: Baptistenseminarie.
Ahrens, P.-A. (2016). Wer sind die Konfessionslosen? Antworten au seiner Repräsentativebefragung im Osten Berlins. Hannover: Creo media.
Alagbe, M. (2015). The Church is Boring! If it is not relevant. Z.p.: Galilee Media.
Bakker, Joh. (2015). Kampvuur. Persoonlijke verhalen over geloof en kerk. Barneveld: Vuurbaak.
Blok, O. (2016). Avontuur van geloof. Praktijkverhalen van gemeentestichting met reflectie voor heel de kerk. Baptistica Reeks nr. 11. Amsterdam: (www.baptisten.nl).
Blok, O., M. Vlaardingerbroek (red.) (2016). Survivalgids pionieren. Praktijkverhalen van creatieve gemeentestichting. Urban Expression (www.urbanexpression.nl).
Borgman, E. (2015). Waar blijft de kerk? Gedachten over opbouw in tijden van afbraak. Baarn: Adveniat.
Breen, M. (2016). Missiegemeenschappen. De herontdekking van de basis voor vitale geloofsgemeenschappen. Uitgave: Nederland zoekt.
Dekker, W. (2015). Tegendraads en bij de tijd. Verder in het spoor van Bonhoeffer. Zoetermeer: Boekencentrum.
Dijkstra, N., S. Stoppels (2017). Back to basics. Zeven cruciale vragen rond missionair kerk-zijn. Utrecht: Boekencentrum.
Doornenbal, R. (2012). Crossroads. Delft: Eburon.
Erwich, R., J.M. Praamsma (2016). Grensganger. Pendelen tussen geloof en cultuur. Utrecht: Kok.
Galbreath, P. (2014). Leading into the World. Lanham: Rowman & Littlefield.
GEESTkracht. Bulletin voor Charismatische Theologie (2016). Themanummer ‘Geleefd vertrouwen. Godsvertrouwen in een tijd van krimp’, nr. 78. Najaar 2016.
Graaf, B. van der (2015). Leren leven in overvloed. Over discipelschap en armoede. Artios-reeks. Heerenveen: Jongbloed.
Grotenhuis, R. (2016). Van macht ontdaan. De betekenis van christelijk geloof voor de wereld van vandaag. Z.p.: Berne Media.
Harvey, M. (2017). Meer dan welkom. Samen werken aan een uitnodigende kerk. Amsterdam: Ark Media.
Herbst, M. (2013). Kirche mit Mission. Beiträge zu Fragen des Gemeindeaufbaus. Neukirchen: Neukirchener Verlagsgesellschaft.
Herring, H., T. Martinson Elton (2017). Leading Congregations and Nonprofits in a Connected World. Lanham: Rowman & Littlefield.
Hill, G. (2016). Global Church. Reshaping our Conversations, Renewing our Mission, Revitalizing our Churches. Downers Grove: InterVarsity Press.
Ireland, M., M. Booker (2015). Making new disciples. Exploring the paradoxes of evangelism. London: SPCK.
Jackson, B. (2015). What makes churches grow? Vision and practice in effective mission. London: Church House Publishing.
Jansen, W. (2015). Dominee zoekt God. Dagboek van een laatste zondagmorgen. Vught: Skandalon.
Janssen-te Loo, I. (red.) (2016). Samen ontdekken. De uitdaging van de vergader(en)de gemeente: samen de wil van Christus onderscheiden. Baptistica Reeks nr. 10. Amsterdam (www.baptisten.nl).
Jones, J.D. (2015). Facing decline, finding hope. New possibilities for faithful churches. Lanham: Rowman & Littlefield.
Jones, J.D. (2017). Krimp onderkennen. Hoop hervinden. Z.p.: Ekklesia.
Jonge, K. de, H. Jonker (2016). De gemeentemonitor 2.0. Uitgave in eigen beheer (zie www.gemeentemonitor.com).
Kennedy, J., P. Vos (2015). Oefenen in discipelschap. De gemeente als groeiplaats van het goede leven. Zoetermeer: Boekencentrum.
Kerk en Theologie (2015). Themanummer ‘Predikant voor de toekomst’, jrg. 66, nr. 4.
Knieps-Port le Roi, Th., R. Temmerman (eds.) (2015). Being one at home. Interchurch families as domestic churches. Zürich: LIT Verlag.
Kondrath, W.M. (2013). Facing Feelings in Faith Communities. Lanham: Rowman & Littlefield.
Leede, B. de, H. Paul (2016). Discipelschap. Een theologische peiling. Zoetermeer: Boekencentrum.
Marti, G. & G. Ganiel (2014). The Deconstructed Church. Understanding Emerging Christianity. Oxford: Oxford University Press.
Mey, P. de, L. Pulinckx (red.) (2014). Aan zijn rijk komt geen einde …?! Over de lege kerken in Europa. Antwerpen: Halewijn.
Moldenhauer, C., J. Monsees (HG.) (2016). Die Zukunft der Kirche in Europa. Neukirchen: Neukirchener Verlagsgesellschaft.
Monsees, J., C.J. Witt, M. Reppenhagen (2015). Kurs Halten. Erfahrungen von Gemeinden und Einzelnen mit Kursen zum Glauben. Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Aussaat.
Noorloos, M. (2017). Gaandeweg verder via leven uit de Bron. Amsterdam: Buijten & Schipperheijn Motief.
Noort, G., K. Avtzi, S. Paas (eds.) (2017). Sharing Good News. Handbook on Evangelism in Europe. Geneva: WCC.
Occhipinti, L.A. (2014). Making a Difference in a Globalized World. Short-term Missions that Work. Lanham: Rowman & Littlefield.
Paas, S. (2015). Vreemdelingen en priesters. Christelijke missie in een postchristelijke omgeving. Zoetermeer: Boekencentrum.
Paas, S. (2016). Church Planting in the Secular West. Learning from the European Experience. Grand Rapids: Eerdmans.
Pender, E. de (2014). Vrede stichten in de kerk. Amsterdam: Buijten & Schipperheijn Motief.
Poll, E. van de, Joanne Appleton (eds.) (2015). Church Planting in Europe. Connecting to Society, Learning from Experience. Eugene: Wipf & Stock.
Pompe, H.-H., P. Todjeras, C.J. Witt (Hg.) (2016). Fresh X – Frisch. Neu. Innovativ. Und es ist Kirche. Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Aussaat.
Protestantse Kerk (2017). Op hoop van zegen. Ontwikkelingen, geleerde lessen en uitdagingen na acht jaar pionieren. Utrecht: Protestantse Kerk in Nederland (zie http://lerenpionieren.nl/wp-content/uploads/2017/01/Tussenstand-pionieren-januari-2017-Op-hoop-van-zegen.pdf).
Prüller-Jagenteufel, G.M., C. Schliesser, R.K. Wüstenberg (Hg.) (2016). Beichte neu entdecken. Ein ökumenisches Kompendium für die Praxis. Göttingen: Ruprecht.
Pulinckx, L. (2017). Een ‘mission (im)possible’ voor de kerk. Uitdagingen voor de rooms-katholieke kerk in Vlaanderen vanuit hedendaagse missionaire inzichten. Te downloaden vanaf https://lirias.kuleuven.be/bitstream/123456789/585746/3/LiesbethPulinckx27juni2017.pdf
Reinders, M. (2016). Heilig Vuur. Een pioniersreis voor beginners. Protestants Kerk Amsterdam en V.O.F. Vindingrijk.
Renkema, J., L. van Straaten (2016) (red.). Kerk van de toekomst. Amsterdam: Sjibboleth.
Rooms, N., P. Keifert (2014). Forming the Missional Church. Creating Deep Cultural Change in Congregations. Cambridge: Grove Books Limited.
Rothen, P.B. (2015). Auf Sand gebaut. Warum die evangelischen Kirchen zerfallen. Zürich: LIT Verlag.
Sassen, P., A. van der Helm (2016). God is verhuisd. Naar nieuwe gelovige gemeenschappen. Heeswijk: Berne Media.
Smith, J.K.A (2016). You are what you love. The spiritual power of habit. Grand Rapids: Brazos Press.
Stoorvogel, H. (2017). Viva de kerk! 10 principes voor de kerk van nu. Utrecht: Kok.
Swüste, G., M. Wolthuis (red.) (2015). Verbinden en verdiepen. Dominicus Amsterdam: kerk in beweging. Vught: Skandalon.
Visser, C. (2016). De spelende kerk. Hoe geloofsgemeenschappen de wereld veranderen. Amsterdam: Buijten & Schipperheijn (Motief).
Walton, R.L. (2014). Disciples Together. Discipleship, Formation and Small Groups. London: SCM Press.
Wijnen, H. van (2016). Faith in Small Groups of Adolescents. Being together as a basic given. Delft: Eburon.

 

Sake (dr. S.) Stoppels is universitair docent Praktische Theologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en wetenschappelijk beleidsmedewerker binnen de Dienstenorganisatie van de Protestantse Kerk in Nederland.
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.