Literatuurberichten

Logo

(Leestijd: 10 - 19 minuten)

Religieuze identiteitRoest

Onderwerpen die centraal staan in conferenties en journals bieden een interessante mogelijkheid om de ‘state of the art’ in een vakgebied te kunnen beschrijven. Veelal worden conferenties gevolgd door een bundel met bijdragen die tijdens de conferentie opvielen door hun kwaliteit en veel respons opriepen. Ten slotte zijn er publicaties en dissertaties die ontwikkelingen markeren. Er lijkt hierin één thema te zijn dat er in verschillende onderzoeken uitspringt: religieuze identiteit. Ook methodologische kwesties en de verhouding tot de theologie en de andere wetenschappen blijven praktisch theologen bezig houden.

 

Internationale conferenties: religieuze identiteit en diversiteit

Voor ontwikkelingen in de praktische theologie zijn vooral de tweejaarlijkse conferenties van de International Academy of Practical Theology (IAPT), in de oneven jaren, en de International Society for Empirical Research in Theology (ISERT), in de even jaren, van belang. De genoemde conferenties staan open voor deelname en lezingen van Nederlandse praktisch theologen. Ook in de bij IAPT en ISERT behorende journals, zoals het International Journal of Practical Theology (IJPT) en het Journal of Empirical Theology (JET) en in de bundels die volgen op de conferenties staan tegenwoordig regelmatig artikelen van Nederlandse collega’s.
In zowel de IAPT- als de ISERT-conferenties spelen zowel methodologische vragen als vragen naar de relatie tot de theologie als geheel een rol. De keuze van de stad waar de conferentie plaatsvindt, blijkt mee te doen in de themabepaling van de IAPT-conferenties. Op de IAPT-conferentie van 2011 in Amsterdam volgde in 2013 een bundel onder de titel City of Desires. A Place for God? Hierin wordt het thema ‘verlangen’ verkend als ‘dynamische wilskracht’ en ‘kracht tot zelf-transcendentie’, dat wil zeggen, als een beweging naar iets of iemand anders toe. Vooral vanuit de tweede typering blijkt verlangen verbonden te kunnen worden met spirituele betekenissen. Het thema blijkt tot fascinerende, met name fenomenologische en kritisch-ethische analyses te leiden, welke in een prachtige inleiding coherent en helder onderscheiden met elkaar worden verbonden door Ruard Ganzevoort. Consumentencultuur, seksuele verlangens en spirituele verlangens, zowel binnen als buiten religieuze gemeenschappen, worden gedetailleerd waargenomen en in hun kern gepeild.
De IAPT-conferentie van 2013 in Toronto had als thema Complex Identities in a Shifting World, waarin de verhalen centraal stonden waarmee mensen zichzelf definiëren in een multireligieuze, multiculturele en door migratie bepaalde wereld. Opvallend is dat praktische theologie verantwoordelijk wordt gemaakt voor het adequaat beschrijven en duiden van de ‘onderhandelingen’ die mensen voeren tussen hun theologische overtuigingen enerzijds en hun religieuze en spirituele praktijken anderzijds, beïnvloed als deze beide worden door een toegenomen culturele diversiteit. Onderzoek naar religieuze individuering, religieuze identiteit en diversiteit vormt ook voor de komende jaren, zo lijkt het, een belangrijke trend.
De conferentie van de IAPT in Zuid-Afrika, Pretoria, juli 2015, kreeg als thema mee: ‘Practicing Ubuntu: Praktisch-theologische perspectieven op maatschappelijk onrecht, persoon-zijn en menselijke waardigheid’. Onder de noemer ‘methodologie’ werd in Pretoria onder andere een lezing gegeven over het thema ‘Theology made in dignity. The Religious Education classroom as spiritual learning community’. De ISERT-conferentie van april 2014 had als thema ‘Religion in Cultural Perspective’ met onder andere een keynote lezing door David Voas – gebaseerd op ‘streng’ kwantitatief surveyonderzoek – over afnemend geloof in God en het vooral onder vrouwen sterk aanwezige geloof in een leven na de dood. Er blijkt een grote ongelijkheid te zijn in het percentage van mannen en vrouwen die zeggen te geloven in een leven na de dood.

Ageing is een thema, dat opdoemt in empirisch-theologisch onderzoek. In 2014 verscheen een themanummer van IJPT over praktische theologie in relatie tot vergrijzing en ouderdom, waarin artikelen werden gepubliceerd over de spiritualiteit van ouderen, de relaties tussen de generaties en tussen oudere generatiegenoten, vragen rond interculturaliteit en ouderen, en vragen ten aanzien van pastorale zorg voor ouderen in sociale, institutionele en kerkelijke contexten.
Opvallend is dat zowel tijdens de conferenties als in de journals altijd ruimte wordt gegeven aan een methodesectie of methodologische reflecties. Kunnen we zeggen, zoals een collega laatst stelde, dat het methodedebat ‘in het slop is geraakt’? Dat lijkt mij te sterk uitgedrukt. Ik heb de indruk dat na het tussenstation van het benadrukken van de complementariteit of van kwantitatieve en kwalitatieve methoden (al in 1993!) en na de vaststelling dat de keuze voor de methode afhangt van de vraag wat de onderzoeker te weten wil komen, er nu tijd komt voor reflectie op hypothesetoetsende methoden, voor binnen de praktische theologie relatief nieuwe methoden als semiotische analyse, discoursanalyse, frameanalyse, etnografie en action research en dat ook de reflexiviteit van de onderzoeker, het bewustzijn van de gevolgen van aanwezigheid en interventies in het te onderzoeken domein, om explicitering vraagt.
In de bundel The Concept of Religion bijvoorbeeld, die volgde op de ISERT-conferentie van 2012, besteedt Schilderman een hoofdstuk aan een theologisch geïnformeerde empirische benadering van religie, waarbij vooral de lokalisering van de theologie binnen de (methodologie en het domein van) geesteswetenschappen vruchtbaar blijkt. Geesteswetenschappen ‘lezen de cultuur’ met het oog op een uitleg van de menselijke identiteit. De theologie doet hierin voluit mee en de genoemde nieuwe methoden liggen klaar om gebruikt te worden.

Er is nog een derde internationaal platform. Tijdens de jaarlijkse American Academy of Religion in november wordt een aantal sessies georganiseerd door de Practical Theology Group. Deze ‘groep’ beoogt empirisch onderzoek naar religieuze praktijken van individuen en gemeenschappen in relatie tot religieuze tradities te versterken, maar wil ook onderzoek stimuleren naar en reflectie op praktisch-theologisch onderwijs voor toekomstige voorgangers.
Bij het laatste valt mij op, dat ook andere werkvelden dan gemeente of parochie voor afgestudeerde theologen, en de consequenties hiervan voor de inrichting van de opleiding, nadrukkelijk in beeld komen. We kunnen hier gerust van een trend spreken, omdat deze thematiek ook in toenemende mate speelt in de Duitse, Scandinavische en Nederlandse context. Bij het onderzoek naar religieuze praktijken is ook hier de aandacht voor methodologische kwesties opmerkelijk, om de kloof tussen empirisch onderzoek en praktijken te overbruggen, maar ook om normatief ‘blauwdrukdenken’ tegen te gaan. Er wordt veel verwacht van etnografisch onderzoek, maar ook van action research.
Het centrale onderzoeksdomein van ‘religious practices’ leidt overigens wel tot vragen naar de relatie tot de vergelijkende religiewetenschap en naar de wetenschapsagenda. Kunnen empirische theologen, juist vanwege hun theologische perspectief, de urgentie van hun onderzoek niet nog wat sterker aantonen? Omgekeerd lijken religiewetenschappers, ook in Nederland en Duitsland, praktisch theologen nogal eens links te laten liggen, wellicht omdat zij toch nog te veel geassocieerd worden met een ecclesiocentrische agenda.

 

Conferenties op nationaal niveau

Naast de internationale bijeenkomsten zijn er jaarlijkse Tagungen van Duitse en Zwitserse praktisch theologen in de Arbeitskreis Empirische Religionsforschung (AGER), die altijd in oktober in Würzburg worden gehouden. In de Verenigde Staten zijn er tweejaarlijkse bijeenkomsten van de Association for Practical Theology (APT) en jaarlijkse conferenties van de British and Irish Assiociation of Practical Theology (BIAPT). Waar de thema’s van internationale conferenties geleidelijk verschuiven in de richting van religieuze praktijken en religieuze identiteit, valt bij de conferenties van de BIAPT op hoezeer deze (nog) bepaald wordt door christelijke praktijken, zowel van individueel-devotionele als van communautaire aard. In 2015 ging de BIAPT-conferentie over de maatschappelijke betekenis van het christelijke geloof en van christelijke geloofsgemeenschappen in een tijd van nieuwe belangstelling voor religie in het publieke domein. Een jaar eerder stond de BIAPT-conferentie in het teken van ‘mission and narrative’. Een van de centrale vragen was: ‘What are the relations between personal and particular stories of faith, conversion, and mission, and the bigger story of faith as articulated in tradition and scripture?’ Naast het feit dat de kernconcepten (faith, conversion, mission, tradition, scripture) in deze vragen klaarblijkelijk evident zijn, licht ook hier het narratieve paradigma op, dat inmiddels in de praktische theologie ‘gesettled’ lijkt te zijn. In het vorige ‘Trendbericht Praktische Theologie 2007-2012’ (Handelingen 2014/1) citeerde ik Van der Ven die eerder stelde dat de praktische theologie zich ontwikkelt van een toepassingsdiscipline van systematische theologie (‘theologia applicata’), via een studie van de religieuze zelfinterpretatie van gelovigen en gemeenschappen (‘narratieve benadering’, ‘lived faith’-benadering), en religieuze praktijken (‘lived religion’-benadering), naar praktische religiewetenschap (georiënteerd op theorievorming over religie in private en publieke contexten). Ik gaf daarbij echter aan, dat we de eerdere benaderingen nog volop tegenkomen en dat geldt nog steeds.

In 2013 verscheen, vanuit een conferentie van de genoemde Duits-Zwitserse Arbeitskreis de bundel Praktische Theologie und Empirische Religionsforschung. Hierin worden praktisch-theologische concepten als ‘geleefde ervaring’ (Hans-Günter Heimbrock), maar ook ‘netwerk’ (Birgit Weyel) en ‘religieuze compententie’ (Christoph Müller) geanalyseerd in hun potentie om ‘ein lohnendes Forschungsfeld’ open te leggen. Opnieuw duikt hier dus een thema op, dat past bij de trend naar onderzoek naar religieuze identiteit.
Het concept religieuze competentie, door Müller verbonden met doopgesprekken, doet mij sterk denken aan Jeff Astley’s ‘ordinary theology’, die – hoe kan het ook anders in een Duitstalige praktisch-theologische publicatie – niet wordt aangehaald. Jammer genoeg zijn Angelsaksische praktische theologen sowieso in Duitstalige praktisch-theologische boeken (en artikelen) vrijwel nooit in beeld!
De bundel uit de Arbeitskreis biedt een aantal handige overzichten van de geschiedenis van de praktische theologie, met ook een nieuwe visie op Schleiermacher van de hand van Wilhelm Gräb. Volgens Gräb was Schleiermacher de eerste theoloog die aandacht schonk aan kerkelijke statistiek. Het artikel van Hans-Günter Heimbrock over de geschiedenis van de empirische theologie is in zoverre verrassend dat daarin wel aandacht is voor de Chicago School, met name voor het werk van Bernard Eugene Meland. Ook bespreekt Heimbrock het voor het vakgebied baanbrekende werk van Hans van der Ven.
Wat ik hierin mis is een onderkenning van het belang van het onderzoek van de jonggestorven Nijmeegse theoloog Eric Vossen. Het begon naar mijn inschatting toch vooral met het grote theodiceeproject waarin Van der Ven samen met Vossen indrukwekkend onderzoek verrichtte. Daarin vond ook uitvoerig kritisch gesprek plaats met de systematische theologie, een terugkoppeling die in veel hedendaagse praktische theologie niet (meer) lijkt plaats te vinden.
In de bundel van de Arbeitskreis is voor de reflectie op de keuze voor een (of meerdere) methode(n) een hoofdstuk van Christoph Morgenthaler van de Universität Bern goed te gebruiken. Morgenthaler geeft glashelder aan wat triangulatie inhoudt, wat de kracht en zwakte is van kwantitatieve en kwalitatieve methoden en welke combinatiemodellen denkbaar zijn. Hij pleit voor een ‘multi-oculaire’ analyse van de geleefde religie.

 

Bundels en monografieën

Gerelateerd aan religieuze identiteit heeft het genoemde concept ordinary theology, of 'reflective God-talk’, een stroom van empirisch onderzoek op gang gebracht. De bundel Exploring Ordinary Theology uit 2013 biedt hiervan een uiterst rijke verslaglegging. Helder wordt in elk geval dat de systematische theologie en theologische ethiek de stemmen van ‘gewone gemeenteleden en parochianen’ niet kunnen negeren en het gesprek met hen moeten aangaan. Astley bepleit dat een beschrijvende ordinary theology mensen bevraagt op wat ze geloven, over Jezus bijvoorbeeld, over discipelschap ('ordinary discipleship’) of over het Koninkrijk van God of een leven na de dood. Sociaalwetenschappelijke theorievorming, bijvoorbeeld over psychologische typen mensen (bijv. dominant nadenkend of dominant gevoelsmatig reagerend) zoals toegepast door Leslie Francis, is eveneens van grote waarde om de beweringen van gelovigen, maar ook bijvoorbeeld van ‘incidentele kerkgangers’ te duiden. Verschillen in typevoorkeuren ‘voorspellen’ de manier waarop een heilige tekst wordt geïnterpreteerd.

In de Amerikaanse bundel uit 2014, Opening the Field of Practical Theology. An Introduction, geredigeerd door Kathleen Cahalan en Gordon Mikoski, is gekozen voor één format voor alle bijdragen, waarin verschillende openingen of benaderingen van de praktische theologie worden besproken, waaronder onder andere ‘African American’, ‘Asian’, ‘Evangelical’, ‘Feminist and Womanist’, ‘Liberationist’ en ‘Postmodern Practical Theology’. Het format van elke benadering is gelijk en bevat historische context, sleutelfiguren, normen en gezagsbronnen, visie op de relatie theorie en praktijk, benadering van contexten, interdisciplinaire gesprekspartners, onderzoeksterreinen en suggesties voor verder lezen. Juist door dit format is vergelijking van en gesprek tussen de benaderingen mogelijk, hetgeen studenten in staat stelt om de ingewikkelde geschiedenis en de verschillende stromingen goed te begrijpen. Praktische theologie wordt in dit boek gezien als een gesprek en het biedt een uitstekende vogelvlucht, dat echter – in een spiegelbeeldige waarneming van de eerder genoemde Duitstalige publicatie – vrijwel alle Duitstalige praktische theologen buiten beschouwing laat.
Uiterst behulpzaam acht ik het overzicht dat Rick Osmer biedt in zijn hoofdstuk dat de titel ‘Empirical Practical Theology’ heeft meegekregen. Het laat zien hoe de interesse in empirisch onderzoek in de Amerikaanse praktische theologie vooral door de invloed van Congregational Studies tot stand is gekomen. Juist hierdoor is empirisch onderzoek naar de cultuur van geloofsgemeenschappen in een stroomversnelling gekomen. Daarbij is er, evenals in de oorsprong van de Europese empirische theologie, een nauwe verbinding met het versterken van pastoraal leiderschap. Daarin lijken de doelstellingen van veel hedendaags praktisch-theologisch onderzoek, anders dan praktisch-religiewetenschappelijk onderzoek, toch nog altijd te convergeren, zowel in Duitsland, de bredere Europese context als in de Angelsaksische wereld.
Osmer onderscheidt, daarbij telkens gebruikmakend van voornoemd format, vier trajecten in de empirische theologie: hermeneutisch (met namen als James Fowler, Hans van der Ven en Friedrich Schweitzer), transformerend (Elaine Gaham, Mary McClintock Fulkerson), neo-aristotelisch (Craig Dykstra, Dorothy Bass, Dianna Butler-Bass) en confessioneel (John Swinton, Harriet Mowat Andrew Root).
Zelf stelt Osmer dat hij van het eerste naar het vierde traject is gegaan, waarin aan de Schrift en de traditie, waarin Gods zelfopenbaring wordt bemiddeld, gezag wordt toegekend. Daaraan kleeft mijns inziens het risico, dat dit traject een ‘imposed theology’ met zich meebrengt, die aan het te onderzoeken veld wordt opgedrongen. Anderzijds geeft dit traject wel alle ruimte aan de theologische dimensie van de empirische theologie, waarbij de Schrift, of ‘het evangelie’ het karakter krijgt van een script, dat in bepaalde situaties vraagt om een ‘performance’. Omgekeerd geldt in dit traject de empirie ook als een bron van theologiseren. Onderzoek is geen vorm van openbaring, maar menselijke ervaring is wel de ‘plek’ waar het evangelie wordt gefundeerd, belichaamd, geïnterpreteerd en geleefd.

In 2015 verscheen ook een Nederlandstalige praktische theologie, en wel van de hand van Annemie Dillen (Leuven) en Stefan Gärtner. Middels een fenomenologische peiling werken de auteurs het begrip ‘grens’ en bijbehorende metaforen als grenspalen, grensarbeiders, grensgangers en grensgebieden, uit tot kernbegrippen van de praktische theologie. Dit opent verrassend nieuwe perspectieven voor empirisch onderzoek naar praktijken, ervaringen en visies (rond bijv. partnergeweld, macht in pastoraat, hoop als motor van geloof en leven, spiritualiteit van kinderen). Bij de beschrijving van deze en andere onderzoeksthema’s komen stap voor stap alle methodologische vragen langs waar een onderzoeker op stuit. Telkens wordt de onderzoekscyclus gevolgd die bij Dillen en Gärtner, met verwijzing naar de bekende trits ‘zien-oordelen-handelen’ bestaat uit ‘waarnemen, evalueren en stimuleren’. Met verwijzing naar het werk van Rick Osmer komen ook vragen naar theoretische duiding en vernieuwing van geloofspraktijken aan de orde. In Groningen willen we in de bachelorcursus dit jaar voor het eerst met dit glashelder geschreven boek gaan werken.

Baanbrekend acht ik de knappe, kleine studie van Macallan, zijdelings verdergaand in het spoor van Wentzel Van Huyssteen, Julian Müller en Richard Osmer, naar een postfoundationalist framework voor de praktische theologie. Voorbij aan het paradigma van het sociaal constructivisme van Gergen c.s. lijkt het paradigma van het critical realism momenteel voor veel praktische theologen een epistemologische uitweg te bieden. Het maakt het Macallan in elk geval mogelijk om onbekommerd de missio Dei en de Triniteit in te brengen. Macallan, die een evangelicale achtergrond heeft, wil ruimte maken voor een holistische praktische theologie, waarbij evenals in het boek van Dillen en Gärtner de pastorale cyclus een centrale rol speelt.

In het Festschrift voor Christiane Burbach (werkzaam aan de Hochschule Hannover) speelt de ouderdom een rol, maar het thema wordt hier verbreed tot levenswijsheid. Wijsheid en levenskunst hangen nauw samen. De bundel kent bijdragen over onder andere de betekenis van gedichten in preek en kerkdiensten, pastorale zorg (bijv. bij depressiviteit), psychotherapie en spiritualiteit. Verrassend is het essay van Magdalena Schultz over de praktijk van de joodse zegenspreuken (‘siddur’) toegepast op het alledaagse christelijk geleefde geloof. Ook een onderzoeksverslag naar de ontwikkeling van het vermogen tot empathie is voor de verdieping van praktische theologie als academische reflectie op wijsheid van belang.

Ook een oratie is voor een trendbericht van belang. Aan de Tilburg University vond 6 november 2015 de spannende inaugurele rede plaats van Johannes Först. Hij situeert de huidige praktische theologie in het spanningsveld tussen seculariteit, met veelvormige spirituele oriëntaties, de religieuze inhouden van de traditie (de Godsoverleveringen), de existentiële (en kosmologische) vragen van de mens die altijd nauw samenhangen met de Godsvraag en ten slotte, de algemene rationaliteit van denken en handelen van de geloofstradities.

 

Dissertaties

Religieuze identiteit lijkt ook in de dissertaties van de afgelopen jaren een belangrijk thema te zijn. Het meerdere keren genoemde thema ‘ouderdom’ keert terug in een onderzoek van Timo Jahnke, waarin de vraag naar waardig ouder worden binnen de context van kerk en gemeenten, toegespitst op Evangelische Freikirchen, centraal staat. Hoe vindt ouder worden plaats? Hoe worden (bij Jahnke vooral vitale en mobiele) ouderen begeleid? Welke ondersteunende rol spelen spiritualiteit en geloof? Hoe ervaren ouderen deze processen zelf? Jahnke zoekt daarbij niet alleen naar (bijv. coping-)theorieën en naar handelingsstrategieën, maar ook naar bijbels-theologische en ecclesiologische impulsen. Een belangrijk resultaat van het onderzoek is dat intergenerationaliteit een grote rol speelt.

Verscheidene dissertaties verschenen in de verschillende subdisciplines van de praktische theologie (en worden in de bijbehorende trendberichten besproken). Daarbij is echter duidelijk dat dissertaties regelmatig niet aan één subdiscipline kunnen worden toebedeeld.
In het onderzoek van Ilonka Terlouw naar het geleefde geloof van de individuele gelovige die zich thuis voelt in de evangelische beweging, blijkt dat deze gelovigen heel concreet met God communiceren. Ze praten met God, krijgen antwoord (bijv. als teken) en ervaren Gods nabijheid. Theorievorming rond performativiteit en Birgit Meyers material approach helpen om de relatie en de ervaring van God als ‘echt’ te kunnen begrijpen.
Rima Nasrallah analyseerde de ‘liturgische levens’, de alledaagse rituele handelingen, het geloof en de theologische afwegingen van Libanese christenvrouwen met een Antiocheense en Maronitische achtergrond die getrouwd zijn met protestantse mannen. Hierin valt op, dat het eerder genoemde onderzoek naar ordinary theology van Astley ontbreekt, maar dit wordt ruimschoots goedgemaakt door te putten uit de theorievorming van Ronald Grimes en Thomas Tweed, de theorie van de liminaliteit en als gezegd, Meyers inzichten.
Christiane van den Berg-Seifert promoveerde op een onderzoek naar seksuele grensoverschrijding in pastorale relaties en met name de gevolgen daarvan voor de relatie van de vrouwen met de geloofsgemeenschap waarbinnen het misbruik plaatsvond. De dissertatie laat zien dat er onomwonden voor de primaire slachtoffers moet worden gekozen, waarbij een steungroep om de vrouwen heen ondersteuning kan bieden. De onderzoeker reflecteert uiterst zorgvuldig op haar, juist vanwege de kwetsbaarheid van de onderzochten, rol tijdens de interviews en plaatst haar respondenten op het niveau van onderzoeksparticipanten.
Uit Nijmegen noemen we de studie van Trees Versteegen uit 2013, naar ‘geleefde genade’, waarin de betekenissen die 31 vrouwen geven aan genade – en hun ervaringen van genade – voluit worden gehonoreerd om deze in gesprek te kunnen brengen met theologieën van genade. Genade blijkt een transformatief begrip te zijn, waarbij vrouwen zowel over eenmalige als duurzame vormen van genade vertellen. Genade is daarbij een geschenk, maar kan ook ‘veroverd’ worden.
Verder promoveerde Werner Fierens in 2015 op individuele zingeving van Vlaamse scouts en gidsen, waarbij hij diepte-interviews afnam bij 34 leidsters, leiders en leden. Zingeving blijkt te worden ingevuld door ‘humane, vormende waarden’ die houvast bieden bij het opbouwen van een eigen identiteit. Het zijn sociale waarden, waaronder met name vriendschap opvalt, die voortkomen uit het samenleven op kamp. Daarnaast delft Fierens in zijn analyse van de interviews transcendente waarden op, zoals verantwoordelijkheid voor de mensheid en de natuur. De analyse laat ook zien dat de invloed van de christelijke traditie in scouting en vooral de beleving ervan zeer gering moet worden genoemd. Andere religieuze of levensbeschouwelijke tradities hebben de vrijgekomen plaats niet ingenomen.

 

Literatuur

Astley, J. & Francis, L.J. (ed.) (2013). Exploring Ordinary Theology. Everyday Christian Believing and the Church. Farnham: Ashgate.
Berg-Seifert, C.C.L.H. (2015). Ik sta erbuiten – maar ik sta wel te kijken. De relationele dynamiek in geloofsgemeenschappen na seksuele grensoverschrijding in een pastorale relatie vanuit het perspectief van de primaire slachtoffers. Zoetermeer: Boekencentrum Academic.
Cahalan, K.A. & G. Mikoski (ed.) (2014). Opening the Field of Practical Theology. Lanham, MD: Rowman & Littlefield Publishers, Inc.
Dillen, A. & Gärtner, S. (2015) Praktische theologie. Verkenningen aan de grens. Tielt: Lannoo.
Fierens, W.J.H. (2015). Authentiek en verbonden. Hoe Scouts en Gidsen Vlaanderen zingeving beleven. Radboud Universiteit Nijmegen.
Först, J. (2015). Praktische Theologie zwischen empirischer Religionsforschung und pastoraler Handlungslehre. Oratie Tilburg University (Duits en Nederlands).
Ganzevoort, R.R., Brouwer, R. & Miller-McLemore, B.J. (ed.) (2013). City of Desires – A Place for God? Practical theological perspectives. Berlin: LIT.
Heckmann, F. (2014). Lebensweisheit und Praktische Theologie. Christiane Burbach zum 65. Geburtstag. Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht.
Jahnke, T. (2014). In Würde altern und alt sein. Praktisch-theologische Bausteine zu einem würdevollen Alterungsprozess im Kirchen und Gemeindekontekst. Berlin: LIT.
Macallan, B.C. (2014). Postfoundationalist Reflections in Practical Theology. A Framework for a Discipline in Flux. Eugene, Oregon: Wipp & Stock.
Nasrallah, R. (2015). Moving and Mixing. The Fluid Lives of Antiochian Orthodox and Maronite women within the Protestant Churches in Lebanon.
Schilderman, J.B.A.M. (ed.) (2014). The Concept of Religion. Defining and Measuring Contemporary Beliefs and Practices. Leiden: Brill.
Terlouw, I. (2015). Real Faith. Performativity and Materiality in the Personal Relationship with Jesus of Evangelical Protestants. Delft: Eburon.
Versteegen, T.J.M. (2013). Geleefde genade. Een bijdrage aan de theologie van genade vanuit ervaringen van katholieke vrouwen. Gorinchem: Narratio.
Weyel, B., Gräb, W. & Heimbrock, H.G. (Hrsg.) (2013). Praktische Theologie und empirische Religionsforschung. Leipzig: Evangelische Verlagsanstalt.

 

Henk (prof.dr. H.P.) de Roest is hoogleraar Praktische Theologie aan de Protestantse Theologische Universiteit locatie Groningen en hoofdredacteur van Ecclesial Practices. Journal of Ecclesiology and Ethnography.
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn