Literatuurberichten

Handelingen logo01A

(Leestijd: 14 - 28 minuten)

Praktische theologie 2007-2012


Vanaf de geboorte van de discipline hebben vragen naar het object van de praktische theologie, dat wil zeggen naar de thema’s die door praktisch theologen onderzocht zouden moeten worden, en vragen naar de methoden om kennis te verkrijgen het onderzoek voortdurend begeleid. Kritische vragen zijn ook gesteld ten aanzien van de theorieën die de praktische theologie gebruikt om de verzamelde data beter te kunnen begrijpen. Daarnaast zijn regelmatig vragen gesteld over het theologisch karakter van de praktische theologie. Door al deze vragen is de praktische theologie in haar onderlinge discussies vaak met zichzelf bezig geweest. “Keine der theologische Disziplinen hat so hartnäckig ihr eigenes Selbstverständnis zu ihrem Thema gemacht wie die Praktische Theologie”, stelt Albrecht Grözinger in 1989. In een overzichtsartikel over de Nederlandse praktische theologie in 2002 schrijft Molendijk, dat hij als buitenstaander de indruk heeft dat er binnen de praktische theologie continu gediscussieerd wordt over de fundamenten van het vak. De praktische theologie worstelt met zichzelf. Nu, elf jaar later, kunnen we dat zo niet meer zeggen, hoewel fundamentele epistemologische, ontologische en methodologische vragen nog steeds worden gesteld en mijns inziens ook gesteld moeten worden. Tegenwoordig zien we echter dat deze vragen vooral in relatie tot concrete empirische onderzoeken opkomen. Achtereenvolgens staan we stil bij de onderzoeksthema’s van de laatste jaren, de wetenschappelijkheid van de empirische theologie en ten slotte de theologische dimensie.

 

De praktische theologie en haar onderzoeksthema’s

Ook in de in dit trendbericht besproken publicaties wordt de vraag waar de praktische theologie onderzoek naar doet (of dient te doen) regelmatig gesteld, maar eerdere debatten lijken daarin te worden meegenomen en het is geen herhaling van zetten. Uitvoerig behandelt bijvoorbeeld Ruard Ganzevoort in zijn presidential address voor de conferentie van de International Academy of Practical Theology (IAPT) van 2008 in Chicago de vraag naar gemeenschappelijke kenmerken van het
internationale praktisch theologische onderzoek (Ganzevoort 2009). Bij zijn eerste verkenningen in de praktische theologie kwam hij destijds nog een zeer grote diversiteit tegen. Nu ziet hij een groeiende consensus. Hij spreekt over een gemeenschappelijk centraal domein van de ‘geleefde religie’. Ganzevoort onderscheidt daarbinnen zes concentrische cirkels: ambt (de leiding van een geloofsgemeenschap), kerk, geloof, religie, cultuur en samenleving en alle onderzoeken die hij kent
richten zich op één of meerdere van deze cirkels. Ook in de keuze voor de methoden ziet hij overeenstemming ontstaan. Bij een focus op ‘geleefde religie’ gaat het zoals blijkt uit Dinter & Söderblom (2008), een bundel met 31 essays ter ere van Hans-Günter Heimbrock, om een grote variëteit aan overtuigingen en praktijken. Het gaat niet om de praktijk van experts, maar om fenomenologisch onderzoek naar de religiositeit van individuen en groepen in het alledaagse leven.
Deze bloeit, in allerlei vormen en aanduidingen, ook buiten de ‘georganiseerde religie’. Daarbij kan het ook gaan om indrukwekkende gebeurtenissen die mensen brengen tot een vorm van intense bewondering of die een gevoel van devotie teweegbrengen. Een voorbeeld van onderzoek is een waarnemende beschrijving en analyse van de ‘landing van de eerste Airbus 380 in Frankfurt en het beleven van dat moment in een menigte’: ‘people are holding their breath, widly taking photos (...) screaming and clapping in their hands (...) everybody glued their eyes to the gigantic plane as if the new Messiah was about to arrive’. De analyse vindt plaats met behulp van theorievorming aangaande pelgrimages en rituelen (Söderblom, in: Dinter & Söderblom 2008, 25-38). Andere bijdragen gaan over de hoge saillantie van alledaagse spiritualiteit voor hen die zichzelf ‘spiritueel’ noemen, maar ook over de vlooienmarkt in Zürich, de symboolwaarden van de mobiele telefoon, creatieve verwerkingen van Bijbelverhalen in werkschriftjes van leerlingen in het godsdienstonderwijs, chillen in kerkelijk jeugdwerk en dialoog en conflict in de klas tijdens het vak godsdienst. In de conceptuele perspectieven wordt o.a. in een zeer lezenswaardige bijdrage de performativiteit van de perceptie geanalyseerd: wat doet aandachtig en serieus waargenomen worden met mensen in de pastorale gespreksvoering? Telkens gaat het in de bijdragen om de rijkdom van het concrete, lichamelijke, materiële en ruimtelijke, maar ook om de betekenis van de verbeelding in de geleefde ervaring. In een andere verzamelbundel met lezingen van de in 2006 in Berlijn gehouden IATP conferentie ( Gräb & Chardonnier (2009) wordt het domein van de praktische theologie bepaald als ‘christelijke gemeenschapen, binnen en buiten de traditionele kerkgenootschappen’ en als de culturele context waarbinnen de ‘praktijken van christelijke én andere religieuze gemeenschappen’ zich bevinden. Daarmee bestuderen praktisch theologen ook de ‘transformatie van religie in de moderne samenleving’. De conferentiebundel met 47 bijdragen maakt duidelijk dat het daarbij bijvoorbeeld kan gaan om thema’s als ‘spirituele narratieven van jonge mensen die wees zijn en getroffen zijn door HIV, aids en armoede (Müller), ’jeugd en spiritualiteit in de context van het internet’ (Schmiedt-Streck), ‘gendernormen en hun gevolgen voor lichaam en ziel’ (Karle) en om de ‘spiritualiteit van kinderen’ (Dillen). Het concept ‘religieuze identiteit’ blijkt een sleutelbegrip. Contra Molendijk is er geen sprake van rondtollen rond de vraag wat praktische theologie is of zou moeten zijn. Daarnaast blijkt de indeling in subdisciplines steeds meer obsoleet. Dat laat zich overigens ook demonstreren door monografieën als Lienau (2009), Capucao (2009), Zaccaria (2009), Quartier (2007) en Robinson (2007). Kunnen we de laatste twee, over resp. begrafenisrituelen en huwelijksrituelen, nog plaatsen binnen de subdiscipline van de ‘casualia’, d.w.z. de geloofscommunicatie en de begeleiding bij gelegenheden, drempel- of scharniermomenten in de levensloop, de eerste drie overstijgen de gangbare indeling. Lienau (2009) onderzoekt de online- gebedspraktijk, formuleert een grounded theory op basis van 487 gebedsteksten van twee websites en zes interviews en laat zien hoezeer het internet de drempel om vrij, vrijuit en zeer persoonlijk te bidden verlaagt. Opvallend is hoe weinig gebruik wordt gemaakt van gecodificeerde, liturgische of door Bijbelpassages (bijv. psalmen) gestempelde taal. Zaccaria (2009)
onderzoekt zowel de (specifieke kenmerken van) de participatie (bestaande uit ‘belonging' en ‘ritualising’), alsook de beliefs van ‘gewone parochianen’ in een Zuid-Italiaans diocees, evenals de relatie daartussen. Deze exploratieve, kwantitatieve, studie naar volksreligiositeit neemt de (gemeenschappelijke) aanbidding van relieken, maar ook pelgrimages, processies en het bidden van de rozenkrans onder de loep, maar ook het effect daarvan op de gedachten die mensen hebben bij vier kernbegrippen of sets of beliefs (overtuigingen aangaande God, Jezus, de kerk en het lijden) en de accenten die zij daarin leggen. Capucao (2009) onderzoekt de relatie tussen religiositeit en etnocentrisme door in te zoomen op de vraag of bepaalde visies van hedendaagse Nederlandse katholieken in de vier grote steden (N=451), op God, Jezus, de Geest, heil en de kerk, invloed uitoefenen op hun houding ten opzichte van minderheden en op eventuele etnocentrische opvattingen. Bij het laatste gaat het om een positieve houding ten opzichte van de in-group, i.c. de Nederlanders, en om een negatieve houding ten opzichte van de out-group.

Het achterhaald raken van subdisciplinaire indelingen blijkt ook uit het indrukwekkende boek van Elaine Graham (2009) waarin essays van bijna twintig jaar praktisch-theologische reflectie zijn verzameld. Praktische theologie gaat volgens haar over God-talk-in-the-world. Dit houdt in dat het niet alleen gaat om het handelen van de voorganger, maar om een theologische reflectie op culturele en maatschappelijke praktijken. Het ‘spreken over God’ vindt plaats in woorden, maar ook in beeldende kunst, popsongs en zelfs in de architectuur en daarin kunnen theologen ‘God lezen’. Het betekent dat ook de stemmen van de populaire cultuur een bron voor theologische reflectie zijn, omdat het gaat om een kader waarin mensen hun grondovertuigingen en fundamentele waarden tot uitdrukking zien komen (2009, 171). Zowel de stemmen van de ‘high culture’ als de populaire cultuur leveren in romans, toneel, films of muziek, zogeheten ‘betekenismatrices’ dat wil zeggen, archetypen, mythen, helden en soteriologieën (bijv. in films als The Matrix of The Shawshank Redemption) die formatief zijn voor de ‘stories we live by’. In navolging van Clifford Geertz spreekt zij over cultuur als ‘een door mensen gesponnen web van betekenissen’ of, eenvoudiger, ‘wat mensen van de wereld maken’. Graham ziet de praktische theologie als een brug tussen hedendaagse, cultureel gestempelde, ervaringen en de bronnen en normen van de traditie. Ze spreekt over het interdisciplinair analyseren van de ‘lived experience of the people of faith’. De praktische theologie genereert hierdoor praktische wijsheid, dat het leven van de hele kerk – en niet alleen van de ordained ministry – richting geeft. Bonnie Miller McLemore (2012a; 2012b) stelt dat inzicht in de dynamiek van geloofspraktijken en in geloofservaringen bevorderlijk dient te zijn voor een ‘embodied Christian faith’ (2012b, 5) en dat praktische theologie als een academische discipline invloed heeft op de transformatie daarvan (2012b, 10). De indeling van de door haar geredigeerde lijvige Wiley-Blackwell Companion to Practical Theology (met 56 auteurs!) wordt bepaald door haar opvatting van praktische theologie. Ze beschouwt deze als een activiteit van gelovigen in het alledaagse leven, als een methode om ‘theologie in praktijk’ te bestuderen, als een overkoepelende term voor het curriculum van de subdisciplines in het theologisch seminarie (in de Amerikaanse betekenis) en als academische discipline. Het dient de praktische theologie volgens haar telkens te gaan om het verrijken van de ‘life of faith for the sake of the world’, om ‘geloof- n-actie’ of ‘geleefd geloof’ (2012a, 104). Er is bij Miller-McLemore en de auteurs van de Companion echter ook een grote openheid voor het ontdekken van religieuze betekenissen en betekenisgeving in het alledaagse leven (2012b, Part I). Nieman en Cahalan maken in een essay een met Miller McLemore vergelijkbaar onderscheid tussen praktische theologie als een manier voor christenen om tot een theologisch oordeel te komen, als een vorm van theologisch handelen en reflecteren door voorgangers en kerkelijke leidinggevenden en als een theologische discipline die zowel gericht is op doceren en leren als op onderzoek. Het gaat om inzicht in datgene wat essentieel is voor de geloofspraktijk. Het gemeenschappelijke doel van de praktische theologie formuleren zij als het bevorderen van gelovig discipelschap, opgevat als een gemeenschappelijk gedeelde roeping tot gelovig leven – en de focus is gericht op het leidinggeven dat voor dit discipelschap nodig is (Cahalan & Nieman, in: Bass & Dykstra 2008, 62-90, m.n. 67ff.). De auteurs van de bundel waarin dit essay is opgenomen kennen aan praktisch theologisch onderzoek een taak toe in het zoeken door zowel de academische praktische theologen als voorgangers en kerkleden naar een manier van leven die gevormd is door het evangelie, met het oog op het welzijn van alle mensen (‘opdat zij leven en overvloed hebben’). De praktische theologie dient uit te zijn op het creëren en versterken van pastorale wijsheid (pastorale phronèsis), een term die de lezers van eerdere trendberichten kennen uit het werk van Don Browning. Het gaat daarbij om het begrijpen én beschrijven van het ‘leven in overvloed’ teneinde voorgangers en gemeenschappen te vormen die dat leven leren kennen. Wat de theologische (bijv. christologische en/of eschatologische) criteria voor dat leven zijn blijft echter onhelder (Bass & Dykstra 2008).

 

Wetenschappelijk karakter

In 1987 poneerden Adriaanse, Krop en Leertouwer in hun boek over ‘het verschijnsel theologie’, dat de praktische theologie “als toegepaste wetenschap een bestaan leidt aan de rand van het universitaire leven” (Adriaanse et al. 1987, 89). Dat is nu ongeveer 25 jaar geleden. Intussen heeft de empirische theologie in het spoor van Hans van der Ven, Hans-Günter Heimbrock, Friedrich Schweitzer, Leslie Francis en anderen een hoge vlucht genomen. In Nederland, Duitsland en in toenemende mate in Groot-Brittannië, Australië, Zuid-Afrika en de Verenigde Staten, laat (veel) praktisch-theologisch onderzoek zich niet langer vorm en inhoud geven zonder empirische methoden en zorgvuldige methodologische verantwoording. De empirische theologie blijkt zich volop in wetenschapstheoretische discussies over waarheid en methode, naar de verhouding tussen deductie en inductie (Hans Schilderman, in: Francis, Robbins & Astley 2009, 27-41) en naar de verhouding tussen data en theorievorming te bewegen (Chris Hermans, in: Francis, Robbins & Astley 2009, 73-99), zich in het geheel niet tot ‘toepassing’ of ‘aanbevelingen’ te beperken en zich met kwalitatief hoogstaand onderzoek in het hart van theologie én religiewetenschap te positioneren. De positieve oordelen bij de onderzoeksvisitaties van de laatste jaren, ook van praktisch theologisch onderzoek aan confessionele instellingen, bevestigen dit beeld. Empirisch onderzoek lost hiermee een belofte in, die eerder ook ten aanzien van de praktische theologie in bredere zin werd geformuleerd. De eerder genoemde Elaine Graham (2009, xii) beweert, sprekend over de jaren negentig, dat er sprake was van een ‘renaissance as an academic discipline’. Rick Osmer (2008) geeft aan dat de praktische theologie tegenwoordig – met een, ik voeg toe, zorgvuldige en telkens noodzakelijke empirischmethodologische verantwoording vanwege de navolgbaarheid – antwoord geeft op descriptieve vragen (‘what is going on?)’ en interpretatieve vragen (‘why is this going on?’). Eerst komt het dus aan op aandachtige waarneming en vervolgens op duiding. Daarna worden pas normatieve (‘what ought to be going on?’) en strategische vragen (‘how might we respond?’) behandeld. Daardoor wordt voorkomen dat theologie en religiewetenschap abstraheren van de werkelijkheid, de ‘real life situation’. Hij acht deze volgorde in de werkwijze overigens ook van belang voor degenen die leiding geven aan een geloofsgemeenschap (‘empirical research by congregational leaders’) en voorziet de genoemde stappen van een bijbels-theologische kwalificatie. Hij spreekt over ‘priesterlijk luisteren’, ‘wijsheid’, ‘profetisch onderscheidingsvermogen’ en ‘dienend leiderschap’. Ook scholars in de praktische theologie houden zich echter tegenwoordig aan de genoemde volgorde, waarbij het regelmatig voorkomt dat normativiteit en strategie (toepassing) buiten het onderzoek vallen en het blijft bij het verzamelen van data, methodologische verantwoording, theorievorming en discussie. Daarmee wint het onderzoek echter aan gezag. Kon bijvoorbeeld in 1975 Rudolf Bohren in het boek Das Gott schön werde nog prachtig, met verwijzing naar het werk van de Heilige Geest, schrijven over het belang van het waarnemen van gaven van mensen (charismata), tegenwoordig is het ondenkbaar dat dit belang niet onderbouwd wordt door methodisch uiterst zorgvuldig opgezet kwantitatief en kwalitatief empirisch onderzoek (Baumert 2011; Klein, in: Gräb & Charbonnier 2009, 333-342). Een ander voorbeeld is een empirisch onderzoek naar rolopvattingen van predikanten. Hieruit blijkt dat predikanten sterk binnenkerkelijk zijn gericht en missionaire communicatie vanwege de omvang van de gemeente, de ruime taakomschrijving en vooral de werkdruk niet tot de prioriteiten van het predikantswerk wordt gerekend (Van Holten 2009). Dit tempert de normatieve toonzetting het huidige missionaire elan. Een derde voorbeeld is een studie naar de beleving van preken (Pleizier 2010). Methodologisch munt deze studie uit in de transparantie en precisie van de stappen die in de ontwikkeling van een grounded theory worden gezet. Het is een voorbeeld van hoe grounded theory formation ‘werkt’. De resultaten van dit kwalitatieve onderzoek laten zien, dat hoorders zich niet alleen kunnen identificeren met de topics van een preek, maar ook met de taal en met narratieve situaties. Identificatie vindt echter ook plaats in relatie tot de voorganger. De wijze waarop de voorganger aangeeft de situatie van de hoorders te kennen speelt daarin een grote rol. Hoorders blijken echter niet alleen luisteren vanuit de eigen situatie, maar ook met de situaties van anderen in gedachten. Pleizier spreekt over communal receptivity en ‘third person identifications’. Een preek blijkt niet alleen een talige infrastructuur te leveren voor de (geloofs-)communicatie in de geloofsgemeenschap, maar gemeenschapsvormend te kunnen werken. Het voorbeeld van dit onderzoek laat zien hoezeer empirisch onderzoek corrigerend werkt ten opzichte van een ontwerpende homiletiek. Een vierde voorbeeld is het etnografische onderzoek van Brouwer (2009). Brouwer geeft geen adviezen, ontwerpt geen strategie, maar hij beschrijft en analyseert door middel van participerende observatie. Op basis van een kolossale hoeveelheid fieldnotes en met een telkens opnieuw aangescherpte methodische waarneming die zorgvuldig wordt toegelicht vertelt én ontleedt hij het fascinerend verhaal van een doorsnee protestantse geloofsgemeenschap in haar context. Daarbij brengt hij de geschiedenis van de gemeente in episodes in beeld, de kerkopbouwkundige dromen van het begin, de invloed van de voorgangers op de in de loop van de tijd verschuivende profielen van de gemeente, de oorsprong van het ontstaan van duidelijk onderscheiden stromingen binnen de gemeente en hij beschrijft hoe de brugfunctie naar de wijk, naar andere religieuze gemeenschappen, naar de andere kerken en naar thema’s in de wijk, ‘een armoedig bestaan leidt’. Brouwer toont overtuigend aan dat het bijbels-theologische begrip koinonia zich laat vertalen in de taal van het social capital en zich daarmee laat ‘betrappen’ en ‘zichtbaar maken’, niet alleen in de interne verbindingen van een gemeente, maar ook in de externe. Hij toont aan dat er in deze gemeente, mogelijk exemplarisch voor andere geloofsgemeenschappen, een leerzame spanning is ‘tussen ambitie en realiteit’ (Brouwer 2009, 29). Een vijfde voorbeeld van empirisch onderzoek is het zeer uitgebreide onderzoek naar de catechese rond de Konfirmation dat onder leiding van Friedrich Schweizer en anderen in 2007 met meer dan 11.000 jonge respondenten, 5700 ouders en 1600 catecheten is uitgevoerd. Het leert hoe de leiding van een Duitse gemeente de jongerencatechese rond de Konfirmation vorm en inhoud kan geven. In welke onderwerpen zijn Konfirmanden geïnteresseerd? Hoe kunnen catecheten beter leren luisteren naar en reageren op voor hen verrassende of schokkende theologische uitspraken van jongeren? Hebben catecheseretraites (weekenden) of jongerenkampen de voorkeur boven wekelijkse bijeenkomsten? Het onderzoek onderstreept de grote rol die ouders, het gezin en zelfs grootouders spelen bij de motivatie van de jongeren (Böhme-Lischewski et al. 2010; Schweizer et al. 2010). Zorgvuldige waarneming van een nauwkeurig begrensde empirische eenheid, mogelijk op meerdere momenten, is voor al deze onderzoeken fundamenteel.

 

Adressanten

De vijf voorbeelden zijn afkomstig uit verschillende subdisciplines van de praktische theologie, die zich de afgelopen vijfentwintig jaar in een voortgaand differentiatie- en specialisatieproces tot Expertendisziplinen hebben ontwikkeld, met als nieuwe loot sinds eind jaren ’90 de subdiscipline van de congregational studies of praktische ecclesiologie – gericht op beschrijven en interpreteren van geloofsgemeenschappen, naast de vooral op verandering en innovatie gerichte gemeenteopbouw. Opmerkelijk is in alle subdisciplines de sterke oriëntatie op degenen die in een geloofsgemeenschap leiding geven, die betrokken zijn bij bijvoorbeeld pastoraat, catechese, preekvoorbereiding, gemeenschapsvorming of bij de manier waarop (leden van) christelijke geloofsgemeenschappen zich in de samenleving bewegen. Het lijken de concerns van de leiding, geloofsgemeenschappen en de kerk te zijn die bepalend zijn. Het roept de vraag op, wie praktisch theologen naar eigen zeggen op het oog hebben met hun onderzoek. De zeer brede cultuurfilosofische studie van John Reader (2008), waarin de impact van de globalisering wordt onderzocht richt zich weliswaar niet alleen op de praktijk van Christian ministry, maar ook op de beleving van en identificatie met een kerkgebouw. Hij onderzoekt ook de relatie met het ‘lokale’ en de toenemende betekenis van face-to-face ontmoetingsgelegenheden. Worship en de media komen aan bod, maar ook marketingtheorieën, evenals het consumentisme, de nieuwe economie (en uitbuiting), nieuwe spiritualiteit, detraditionalisering en de toegenomen reflexiviteit. Alle veranderingen die teweeg worden gebracht door globalisering worden echter geanalyseerd met het oog op worship, pastoral care and youth ministry, waarin niet langer met vertrouwde categorieën kan worden gewerkt. Brouwer acht onderzoek naar de betekenis van een gemeente voor haar omgeving relevant voor de samenleving omdat zij daarin een bron van sociaal kapitaal kan herkennen, maar zijn studie beoogt ook ‘geloofsgemeenschappen te dienen’ met inzicht in de theologische en sociale betekenis van‘gemeenschap’ (Brouwer 2009, 21). In de eerder genoemde Miller McLemore (2012a; 2012b) zijn de adressanten van de praktische theologie de voorgangers (de ‘ministry’) en de gelovigen (2012a, 109). Door situaties, episodes en contexten beter te begrijpen, stelt Osmer (2008), kunnen mensen die leiding geven aan geloofsgemeenschappen (‘congregational leaders’) nieuwe perspectieven ontwikkelen op wat in een geloofsgemeenschap plaatsvindt en – daardoor, zo luidt de vooronderstelling – adequatere strategieën ontwikkelen voor wat plaats zou moeten vinden. Ook voor Nieman & Cahalan luidt het antwoord op de vraag voor wie praktisch theologisch onderwijs én onderzoek is bedoeld: de voorganger en kerkelijke werker, maar nadrukkelijk met het oog op de toerusting van de gelovigen zodat zij zich in de wereld gezonden weten. Hoewel praktische theologie bij hen gericht is op discipelschap en daarbinnen vooral op voorgangers in geloofsgemeenschappen, gaat het om de ‘mission in the world’ (m.n. 79). Dat veel praktisch-theologisch onderzoek vooral de leiding van geloofsgemeenschappen op het oog heeft blijkt ook uit onderzoeken van Doornenbal (2012) en Smit (2011). De empirie die in deze studies wordt onderzocht is hier juist het curriculum dat ten behoeve van de opleiding tot pastor of tot leider van een gemeente is ingericht. Is er voldoende ruimte voor het leren van competenties om met mensen met een verstandelijke beperking om te gaan en wat houden deze competenties in (Smit) en is er genoeg aandacht voor hedendaagse convergerende inzichten aangaande leiderschap zoals deze in nieuwere management literatuur en binnen de emerging church conversation en in de reflecties op de missional church zijn ontwikkeld (Doornenbal)? In zekere zin komt de praktische theologie in deze studies terug bij haar oorsprong. Het was een curriculumherziening die ten grondslag lag aan de eerste leerstoel in Wenen en latere herzieningen werden vrijwel altijd gemotiveerd en gelegitimeerd door het verlangen naar een grondiger praktijkoriëntatie voor de Kirchenleitung. Dat laatste komt overigens ook helder naar voren in het overzicht dat Osmer & Mikoski (2011) schreven over tweehonderd jaar praktische theologie in Princeton Theological Seminary. Het ging telkens om het bieden van guidance for future pastors, waarbij opvalt hoe het bewustzijn van de invloed van de context van de geloofsgemeenschap en de noodzaak om deze grondig te analyseren toenam, zonder de diepe betrokkenheid op de openbaring en theologische reflectie op te geven. We kunnen overigens niet stellen dat empirisch onderzoek in de praktische theologie altijd pastores en/of geloofsgemeenschappen op het oog heeft. Weliswaar geldt de kerk als één van de ‘publics’ van de theologie, maar onderzoek vindt ook plaats met het oog op de wetenschap en de samenleving (‘other audiences’). Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de leiding van scholen, maar ook aan politici, beleidsmakers en ambtenaren. In een bundel bijdragen aan de conferentie van 2006 van de International Society for Empirical Research in Theology (ISERT) acht Francis bijvoorbeeld onderzoek naar de consequenties van religiositeit en religieuze tradities, naar spiritueel en sociaal kapitaal, van belang voor ‘custodians of religious traditions’, maar nadrukkelijk ook voor ‘those who are concerned with the stability of the social order and with the well-being of individuals’ (Francis, in: Francis, Robbins & Astley 2009, 127-152, m.n.128). Een voorbeeld is ook de bundel met bijdragen aan de ISERT-conferentie van 2008, over de betekenis van religie in en voor het publieke domein (Francis & Ziebertz 2011). In de bijdragen valt niet alleen de grote finesse en accuratesse op waarmee empirisch religiewetenschappelijk onderzoek wordt uitgevoerd, bijvoorbeeld naar de visie van jongeren uit verschillende religies ten aanzien van religieus gelegitimeerd geweld in conflictsituaties, naar de mate van instemming met ‘klassieke’ onderdelen van de religieuze leer of naar de vraag of er aandacht is voor religieuze achtergronden bij het begin van het basisonderwijs, maar ook dat het adres van deze studies, zeker in het post 9/11 tijdperk, veel meer de bredere samenleving, en daarbinnen vooral de domeinen van cultuur, educatie en politiek betreft dan de kerkelijke leiding. Het maakt wel benieuwd of en in hoeverre beleidsmakers en leidinggevenden kennis nemen van dit belangwekkende onderzoek en of en in hoeverre het werkelijk traceerbare invloed uitoefent op discussies en te nemen beslissingen.


Praktische theologie als een theologische discipline

Leslie Francis geeft in een overzicht van onderzoek naar religiositeit binnen verschillende religies en denominaties aan dat een empirisch-theologische benadering een meerwaarde kan hebben boven een sociaal-wetenschappelijke benadering (Francis, in: Frans, Robbins & Astley 2009, 127-152). Dit geldt voor verschillende dimensies van religiositeit, te weten lidmaatschap, zelfidentificatie en toebehoren (affiliation), geloofsovertuiging (belief), praktijk  (practice) en houding (attitude). Ten aanzien van affiliation kunnen empirische theologen een scherper oog hebben voor de theologische verschillen binnen de christelijke traditie. Ze zijn zich ten aanzien van belief, de conceptualiseringen van geloofsovertuigingen en het meten van de mate van instemming daarmee, beter bewust van de moeilijkheden. Ze begrijpen religious practices, zoals het gebed, wat betreft complexiteit, subtiliteit en theologische verschillen, beter dan sociale wetenschappers. Ten slotte is een empirisch theoloog juist als theoloog beter thuis in de affectieve respons ten opzichte van religie door diens kennis van de innerlijke en spirituele aspecten van de christelijke traditie. Toch valt binnen de empirische theologie als geheel op dat de theologische dimensie in het onderzoek verschraalt of in elk geval de vraag naar de aanwezigheid ervan doet stellen. Waar Van der Ven in de empirische cyclus in het begin van de jaren ’90 nog nadrukkelijk opteerde voor theologische inductie, zich in de systematische theologie bewoog, bijvoorbeeld om theodiceemodellen te formuleren ten einde deze te kunnen ‘testen’, en waar hij ook een belangrijke rol toekende aan de theologie ten aanzien van de normativiteit, lijkt de theologie in het hedendaagse praktisch-religiewetenschappelijke onderzoek afwezig, ofschoon de resultaten van het onderzoek wel theologische implicaties bevatten. Lijkt afwezig, schrijf ik, maar toch verbindt bijvoorbeeld Chris Hermans aan het einde van een grondige analyse van de vraag naar kennisverwerving in empirisch onderzoek naar religie, toegespitst op de vraag naar theorievorming en het testen van theorieën, een niet-reductionistische religietheorie met een theologisch incarnatiemodel. Het laatste impliceert, zoals eerder ook Van der Ven betoogde, dat er geen tegenstelling is tussen goddelijk en menselijk handelen: “In the act of faith (...) God takes over’ (Hermans, in: Francis, Robbins & Astley 2009, 97). Het eerste geeft aan dat religieuze praktijken niet kunnen worden teruggebracht tot een psychologische, neurologische of sociologische oorsprong, een ‘natural’ en ‘observable cause’. Zowel de theologie als een niet-reducerende theorie van de religie, zoals de theorie van William James, rekenen met de realiteit van ‘sporen en tekenen van een transcendente werkelijkheid in de immanente werkelijkheid’ (‘there are traces and signs’). Beide doen daarmee recht aan het insiderperspectief van deelnemers aan religieuze praktijken. Een theologische conceptualisering kan derhalve behulpzaam zijn voor een wetenschappelijke interpretatie. Ook in andere bijdragen in Francis, Robbins & Astley 2009 wordt recht gedaan aan een empirisch-theologische benadering, bijvoorbeeld wanneer onderzocht wordt in welke mate theologische veronderstellingen over het bijzondere van christelijk onderwijs in de praktijk zichtbaar zijn in bijvoorbeeld de kwaliteit van het onderwijs, de kwaliteit van de relaties tussen leerlingen en tussen leerling en docent en in de voorbereiding voor het latere leven. Zijn de impliciete, theologisch gestempelde, doelstellingen van de scholen consistent met de ervaringen van leerlingen, wanneer zij op hun onderwijs terugzien? (Ap Siôn, Francis & Baker, in: Francis, Robbins & Astley 2009, 217-245).
Een met Hermans vergelijkbare, zij het anders beargumenteerde, stap zetten Swinton en Mowat (2007). Zij pleiten voor een integratie van praktische theologie en kwalitatief onderzoek. Daarbij houden ze vast aan de reële mogelijkheid van openbaring, al zien ze de begrenzing van kwalitatief onderzoek om dit aan het licht te brengen scherp onder ogen. Kwalitatief onderzoek kan op z’n hoogst de contexten, episodes en tradities beschrijven waarbinnen de openbaring wordt geïnterpreteerd en waarbinnen deze geacht wordt bepalend te zijn voor het leven. Het biedt inzicht in de praktijken die door openbaring zijn ontstaan. Praktische theologie kan door van kwalitatief onderzoek gebruik te maken een adequatere afstemming van Gods zelfcommunicatie (lees: openbaring) en christelijke praktijken mogelijk maken. Het opnemen van case studies illustreert hoe de integratie van praktische theologie en kwalitatief onderzoek eruit ziet. In het hoofdstuk van Swinton in Miller-McLemore (2012a) zien we overigens hoe de notie van de beperking een ontologische, antropologische realiteit vormt. Het is een bepalende karakteristiek van het mens-zijn.
Pete Ward (2009) verbindt cultuurstudies met de leer van de Triniteit, met behulp van theologische reflecties van o.a. Zizioulas, Karl Barth en Gregorius van Nyssa, om te laten zien hoe het evangelie door tal van christelijke praktijken in de breedte van de cultuur, evenals in verschillende subculturen, wordt bemiddeld en hoe de kerk, in al haar fluïde vormen, het ‘leven in God’ uitbreidt buiten de institutionele kaders. De kerk is een ‘cultureel veld’ in de cultuur. De verbinding van cultuuranalyse met vooral de pneumatologie biedt de theologie nieuwe waarnemingsmogelijkheden om te zien hoe de Geest van God instroomt in allerlei culturele expressies, hoe bijvoorbeeld christen-zijn een ‘lichamelijke uitdrukkingsvorm’ is van dat instromen. Hij stelt ook dat de perichorese van God het leven van een geloofsgemeenschap bepaalt en deze omgekeerd in gemeenschap met God verkeert.
In deze vorm van praktische theologie worden in feite missiologie, systematische theologie en cultuuronderzoek bij elkaar gebracht. Ten slotte noem ik in dit trendbericht hier nog de bundel die verscheen bij het afscheid van Evert Jonker (Asscher et al. 2011). Volgens diverse bijdragen gaat het in de praktische theologie in de lijn van Jonker om aandachtig, fijnzinnig, geconcentreerd en opmerkzaam waarnemen, wat tijd vergt, geduld en opschorting van het oordeel. Dit waarnemen gebeurt met een open oog voor het geheim van het geloof van de ander en voor de mogelijkheid dat God ter sprake komt. Geleefde religie en geleefd geloof worden waargenomen en geëvalueerd, maar het gaat ook om het ontwerpen van en methodisch reflecteren op gelovig leren (bijv. om te bidden, om te hopen) en op het geloofsgesprek. De christelijke symbooltaal, de verbeelding van de ander, maar ook culturele beeldtaal speelt daarin een grote rol. Het gaat om taal die de existentie raakt, waarin de hoop wordt gewekt.


Literatuur

Adriaanse, H.J., H.A. Krop & L. Leertouwer, Het verschijnsel theologie. Over de wetenschappelijke status van de theologie, Meppel 1987.
Asscher, E., Heyen, H. & Schaap-Jonker, H. (Red.) (2011). Hartstocht voor het mogelijke. Praktisch-theologische verkenningen opgedragen aan Evert Jonker. Bergambacht: 2VM.
Baumert, M. (2011). Natürlich – übernatürlich: Charismen entdecken und weiterentwickeln. Ein praktischtheologischer Konkretion. Frankfurt a. M.: Peter Lang.
Bass, D.C. & Dykstra, C. (2008) For Life Abundant. Practical Theology, Theological Education, and Christian Ministry. Grand Rapids: Eerdmans.
Böhme-Lischewski, Th., Elsebast, V., Haeske C., Ilg, W. & F. Schweizer (Hrsg.). (2010). Konfirmandenarbeit gestalten. Perspektiven und Impulse für die Praxis aus der Bundesweiten Studie zur Konfirmandenarbeit in Deutschland. Gütersloh: Gütersloher Verlagshaus.
Brouwer, R. (2009), Geloven in gemeenschap. Het verhaal van een protestantse geloofsgemeenschap. Kampen: Kok.
Capucao, D.D. (2010), Religion and Ethnocentrism. An empirical-theological study of the effects of religious attitudes towards attitudes towards minorities among Catholics in The Netherlands. Leiden: Brill.
Dinter, A. & Söderblom, K. (ed.), Lived Religion. Conceptual, Empirical and Practical Theological Approaches. Essays in Honor of Hans-Günter Heimbrock. Leiden: Brill.
Doornenbal, R. (2012). Crossroads. An Exploration of the Emerging-Missional Conversation with a Special Focus on ‘Missional Leadership’ and Its Challenges for Theological Education. Delft: Eburon.
Francis, L.J., Robbins, M. & Astley, J. (Eds) (2009). Empirical Theology in Texts and Tables. Qualitative, Quantative and Comparative Perspectives. Leiden: Brill.
Francis, L.J. & Ziebertz, H.G. (Eds.) (2011). The Public Significance of Religion. Leiden: Brill.
Ganzevoort, R.R. (2009). Forks in the Road when Tracing the Sacred. Practical Theology as Hermeneutics of Lived Religion, in:
Gräb, W. & Charbonnier, L. (Eds.) (2007). Secularization Theories, Religious Identity and Practical Theology. Developing International Practical Theology for the 21st Century International Academy of Practical Theology. Berlin: Lit.
Graham, E. (2009). Words Made Flesh. Writings in Pastoral and Practical Theology. London: SCM Press
Holten, J. van (2009). Rol en Roeping. Een praktisch-theologisch onderzoek naar de rolopvatting van aanstaande, beginnende en oudere predikanten gerelateerd aan hun roepingbegrip. Zoetermeer: Boekencentrum.
Lienau, Anna-Katharina. (2009). Gebete im Internet. Eine praktisch-theologische Untersuchung. Erlangen: Verlag Christliche Publizistik.
Merzyn, K. (2010), Der Rezeption der kirchlichen Trauung. Eine empirisch-theologische Untersuchung. Leipzig: Evangelische Verlagsanstalt.
Mikoski, G.S.&Osmer, R.R. (2011). With Piety and Learning. The Historicy of Practical Theology at Princeton Theological Seminary. Berlin: LIT.
Miller-Mclemore, B.J. (2012a). Christian Theology in Practice. Discovering a Discipline. Grand Rapids: Eerdmans.
Miller-Mclemore, B.J. (2012b). The Wiley-Blackwell Companion to Practical Theology. Chichester: WileyBlackwell.
Osmer, R.R. (2008). Practical Theology. An Introduction. Grand Rapids: Eerdmans.
Quartier, Th. (2007), Bridging the gaps: an empirical study of catholic funeral rites.
Pleizier, T. (2010). Religious Involvement in Hearing Sermons. A Grounded Theory study in empirical theology and homiletics. Delft: Eburon.
Reader, J. (2008). Reconstructing Practical Theology. The Impact of Globalization. Aldershot: Ashgate.
Robinson, R. (2007), Celebrating unions. An empirical study of notions about church marriage rituals.
Schweizer, F., Ilg, W. & H. Simojoki (2010). Confirmation Work in Europe. Empirical Results, Experiences and Challenges. A Comparative Study in Seven Countries. Gütersloh: Gütersloher Verlagshaus.
Smit, J. (2011). Competenties voor pastorale communicatie met mensen met een verstandelijke beperking. Een praktisch-theologisch onderzoek naar leerprocessen van pastores. Amersfoort: Wilco.
Swinton, J. & Mowat, H. (2007). Practical Theology and Qualitative Research. London: SCM Press.
Ward, P. (2008). Participation and Mediation. A Practical Theology for the Liquid Church. London: SCM Press.
Zaccaria, F. (2009). Participation and Beliefs in Popular Religiosity. An Empirical-Theological Exploration among Italian Catholics. Leiden: Brill

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn
Deze website gebruikt cookies. Door verder gebruik te maken van deze website gaat u daarmee akkoord.