Literatuurberichten

Logo

(Leestijd: 27 - 54 minuten)

In dit Literatuurbericht is een selectie te vinden van publicaties op het terrein van het diaconaat vanaf 2010 tot ongeveer midden 2013. Daarbij komen zowel wetenschappelijke publicaties aan de orde als uitgaven voor een breed publiek, die, hoewel niet wetenschappelijk van karakter, materiaal bevatten dat inzicht geeft in het diaconaat.
Een beknopte versie is als ‘Trendbericht Diaconaat 2010-2013’ verschenen in Handelingen 2014/2 (juni). Een vorig bericht over Diaconaat verscheen in Handelingen 2010/2 (waarvan de uitvoerige versie eveneens op deze website is te vinden: Literatuurbericht diaconaat 2006-2009).
In dit bericht wordt het protestantse woord ‘diaconaat’ (equivalent voor het rooms-katholieke ‘diaconie’) aangehouden ter aanduiding van activiteiten van kerken en daarmee verbonden groepen en organisaties ter bestrijding van materiële en sociale noden.

 

Diaconiewetenschap

Internationaal
In de diaconiewetenschap gaat het om de theologische reflectie op diaconaat. Vanuit losse samenwerkingsverbanden van diaconiewetenschappers uit vooral Noord- en West-Europa kwamen belangrijke initiatieven tot inhoudelijke verdieping en institutionalisering van dit vakgebied. Vanaf 2010 verschijnt twee maal per jaar het eerste internationaal diaconiewetenschappelijke tijdschrift: Diaconia. Journal for the Study of Christian Social Practice. Elk nummer bevat wetenschappelijke artikelen, discussiebijdragen, essays, praktijkberichten en boekbesprekingen. De hoofdredacteur is Trygve Wyller, hoogleraar Praktische theologie aan de Theologische faculteit van de Universiteit van Oslo. Verder hebben in de redactie diaconiewetenschappers zitting uit Finland, Zweden, Duitsland en uit Nederland (in de persoon van de schrijver van dit bericht). Het tijdschrift draagt een sterk Noord- en West-Europees stempel. De redactie streeft echter nadrukkelijk naar een verdere internationalisering (Midden- en Oost-Europa, buiten Europa).
Uit deze internationale samenwerkingsverbanden komen ook de Europese conferenties over diaconaat voort, die vanaf 2006 tweejaarlijks plaatsvinden. In 2010 was dat in Heidelberg waar het gerenommeerde Diakoniewissenschaftliches Institut gevestigd is. Thema was ‘Diaconia against Poverty and Exclusion: Future Challenges and Contexts in Europe’, waarin sprekers vanuit geheel Europa dit thema belichtten. Een selectie van de papers werd opgenomen in de bundel Diaconia against Poverty and Exclusion in Europe. In 2012 werd de conferentie in Praag gehouden, met dit keer de Theologische Faculteit aldaar als voornaamste organisator. Het thema was ‘Hidden Europe: The Challenge to Diaconia and Christian Social Practice’. Een aantal papers van deze conferentie werden gepubliceerd in Diaconia 3 (2012) Issue 2 en 4 (2013) Issue 1.
In Praag vond ook de oprichting plaats van een vereniging van diaconiewetenschappers: de International Society for the Research and Study of Diaconia and Christian Social Practice. Deze vereniging beoogt een internationaal netwerk te vormen dat een platformfunctie vervult, onder meer door de opzet van een website, de uitgave van een nieuwsbrief, de organisatie van de genoemde conferenties en een sterke relatie met het tijdschrift Diaconia (www.diaconiaresearch.org).
Een bijdrage aan de diaconiewetenschap is de inleiding die de Zwitserse diaconiewetenschappers Heinz Rüegger en Christoph Sigrist schreven, Diakonie – eine Einführung. Beiden hebben een jarenlange ervaring in het diaconale werk en zijn daarnaast ook als wetenschapper op het diaconaat betrokken. De inleiding schetst allereerst bijbelse en historische achtergronden. Voor ingewijden zal dit grotendeels bekend zijn, maar de lezer die zich wil oriënteren vindt in beknopt bestek een goed overzicht. Daarna volgt de tweede helft van het boek, theologische grondslagen en perspectieven, die verbonden worden met het hedendaagse diaconaat. Hier ligt het zwaartepunt van deze inleiding. Het uitgangspunt van de auteurs ligt in ‘Helfendes Handeln im Zeichen der Menschenliebe Gottes’. Hun verhandeling grijpt in op een belangrijke discussie in Zwitserland over het eigene van diaconale instituten. Is er zoiets als een ‘diaconaal proprium’? Rüegger en Sigrich zijn daar kritisch over. Dit denken wordt maar al te vaak gebruikt om belangen van diaconale instituten te verdedigen en om zich af te sluiten van niet-christenen. Theologisch komen zij op voor het scheppingstheologisch inzicht dat ‘zorgen en helpen’ algemeen menselijk handelen is. In een strijdbare toonzetting wijzen zij een theologie af die meent hier nog bovenuit te komen door iets specifiek christelijks toe te voegen. De auteurs hebben gelijk in hun kritische beschouwingen over een legitimerend gebruik van de opvatting dat er zoiets is als een diaconaal proprium. Toch is wat zij schrijven over ‘helpen’ minder universeel dan zij suggereren. Wel degelijk is vanuit christelijk geloof een eigen visie op wat ‘helpen’ is en voor wie dat ‘helpen’ is (niet alleen voor leden van de eigen groep, maar voor een ieder). Daarbij treden gelukkig overlappingen op met de inzet van anderen met wie dan tot een gezamenlijke inzet voor menselijkheid gekomen kan worden. Die eigen visie is nu nog van des te meer belang omdat helpen steeds meer onderworpen wordt aan de markt, een tendens die de auteurs terecht bekritiseren in hun laatste hoofdstuk. Dat alles neemt niet weg dat we hier met een waardevolle inleiding te doen hebben.
Een fundamentele bijdrage in de doordenking van ditzelfde centrale diaconaal begrip ‘helpen’ levert de Duitse diaconiewetenschapper Anika Christina Albert in haar uitvoerige en voortreffelijke studie over Helfen als Gabe und Gegenseitigkeit. Zij belicht het thema vanuit diverse wetenschappen, zoals psychologie, sociologie en biologie, maar uiteraard ligt het zwaartepunt op de theologie. Zij komt met behulp van onder meer de Lutherse rechtvaardigingsleer en inzichten van Ricoeur – maar ook Barth en Kierkegaard komen voorbij, tot een theologische doorlichting van het begrip helpen: ‘Omdat ik ontvangen heb (Gods genade), kan ik anderen geven.’ Daaruit vloeit wederkerigheid voort omdat wij, alle mensen, afhankelijk zijn van een derde die voorafgaat aan de relatie tussen hulpgever en hulpontvanger. Dat schept fundamentele gelijkwaardigheid. Het leven als zodanig is een geschenk, zoals door niet-gelovigen beaamd kan worden. Dat maakt samenwerking tussen christenen en niet-christenen mogelijk. Helpen is algemeen menselijk. Net als bij de hiervoor besproken publicatie maak ik daarbij de opmerking dat de aard van het helpen en op wie het zich richt historisch gesproken sterk varieert. In die zin is het minder algemeen menselijk dan Albert suggereert.

Nationaal
In Nederland zijn met name twee publicaties als belangrijke bijdragen aan de diaconiewetenschap te noemen. In 2011 verscheen in beweging. Handboek diaconiewetenschap (2011), het vervolg op het in 2004 verschenen Barmhartigheid en gerechtigheid. Het Handboek beoogt een aantal onderwerpen een plaats te geven die in het eerste deel onvoldoende aan de orde kwamen, te weten exegetische, bijbels-theologische en kerkhistorische bijdragen met vooral aandacht voor de Vroege Kerk en de Middeleeuwen. Na deze terugkeer naar bijbelse en historische wortels komen hedendaagse vragen in relatie tot diaconaat in beeld: globalisering, de verschuivingen in de verzorgingsstaat en immigratie. De in het laatste hoofdstuk geformuleerde agenda voor de diaconiewetenschap laat zien hoeveel er nog te onderzoeken valt: exegetisch, bijbels-theologisch, de rol van kerken en diaconaat in het publieke domein, modellen van diaconaal handelen, met bijzondere aandacht voor de relatie tussen hulpgever en hulpontvanger.
Als tweede noem ik de studie van Henk Meeuws, Diaconie, waarop deze veteraan uit het rooms-katholieke diaconale werk op 18 oktober 2011 aan de Tilburg University promoveerde. Dit kloeke werk heeft een documentaire waarde doordat het een overzicht bevat van de ontwikkelingen in de ‘diaconie’ (nu houd ik de rooms-katholieke term aan, die in dit boek wordt gehanteerd) in de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland in de afgelopen decennia met aandacht voor de ecclesiologische positionering en organisatorische aspecten. Het proefschrift graaft echter dieper, doordat het de grondslagen van de diaconie onderzoekt. Aansluitend bij discussies in de zorgethiek betoogt Meeuws dat alle ‘gewoon-menselijke’ zorg zich kenmerkt door ‘transcendentie’: in deze relatie gaat het om het ontvangen en doorgeven van de gift van het ‘waarlijk leven’, voortkomend uit het ‘surplus van de liefde’. Zo vinden we in het gewone het Verhevene, de Verhevene. Diaconie is in de gelovige beleving het gaan van een weg van Godsontmoeting die even oorspronkelijk en wezenlijk is voor het leven van de kerk en het geloofsleven als de verkondiging en de viering van de sacramenten. Meeuws heeft met zijn proefschrift een fundamentele bijdrage geleverd aan de diaconiewetenschap.

 

Bijbelstudies

Grondige studie van de bijbelse gegevens is onmisbaar voor de diaconale reflectie. Daarbij hoort een basaal onderzoek naar het begrip ‘arme’. De oudtestamenticus Berger en de nieuwtestamenticus Hoppe presenteren in Arm und Reich een hoofdzakelijk semantisch onderzoek, dat in zijn zorgvuldigheid een goed overzicht biedt van de bijbelse gegevens over arm en rijk. Daarmee documenteren zij hoe diep de oproep tot bestrijding van armoede als continu element in de bijbel geworteld is en zonder welke ‘de provocerende boodschap van Jezus’ niet te begrijpen is. Wie een handzaam en wetenschappelijk verantwoord overzicht wil hebben over het thema van rijk en arm in de Bijbel, kan in dit boek goed terecht.
Amos is de profeet die het met grote kracht voor de armen opnam. Sociale gerechtigheid gaat boven offeranden en degene die offers brengt, maar de armen vertrapt, is onwaarachtig. John Barton, The Theology of the Book of Amos ontleedt gedetailleerd het bijbelboek Amos, waarbij de vragen van redactie en vorm en het eigen karakter van dit bijbelboek in soms technische verhandelingen veel aandacht krijgen. Ook komt in kort bestek de receptiegeschiedenis van Amos’ theologie aan de orde. Dit is vooral een boek voor geïnteresseerden in teksthistorische vragen.
Dat ook voor Paulus de aandacht voor de armen een essentieel onderdeel was van zijn missie en niet iets ondergeschikts, maakt Bruce Longenecker duidelijk in zijn voortreffelijke studie over Paulus met de aan Galaten 2:10 ontleende titel Remember the Poor. Hij heeft daarbij bijzondere aandacht voor de sociaaleconomische context waarbinnen de vroegchristelijke gemeenten functioneerden. Longenecker geeft een grondig overzicht van de literatuur dienaangaande. Terwijl de aandacht voor de armen in het jodendom in het religieuze leven was opgenomen, kon deze traditie in de christelijke gemeenten die uit niet-joden bestond, zoals in Galatië, niet bekend verondersteld worden. Daarom: denk aan de armen!

 

Historische studies

Er verschenen vele historische publicaties die van belang zijn voor de studie van het diaconaat. Ik noem er enige. In haar als proefschrift verdedigde studie Leden van één lichaam onderzoekt Anita Boele de denkbeelden over armen, armenzorg en liefdadigheid in de late Middeleeuwen en de vroeg-Renaissance in de Noordelijke Nederlanden, met een toespitsing op Haarlem, Deventer en Den Bosch. Zij bestudeerde daartoe een breed scala aan literaire, historiografische en educatieve teksten. Zij wist daaruit een aantal elementen op te delven die daarin steeds weer terugkeerden, te weten de werken van barmhartigheid, het beeld van het lichaam (1 Corinthiërs 12) en een aantal positieve en negatieve exemplarische bijbelse figuren als Tobias, de barmhartige Samaritaan en de rijke man en de arme Lazarus. Welke rol speelden deze beelden in het stimuleren van de rijken om solidair te zijn met armen? Zorg dragen voor de armen was een uit het geloof voortkomende plicht, die gecombineerd moest worden met een innerlijk gevoel van compassie en een vermogen om zich in de arme in te kunnen leven. Het ging niet om een vrijblijvende zaak, omdat het wel of niet voldoen aan deze plicht iemands positie in het hiernamaals bepaalde, zoals de gelijkenis van het laatste oordeel in Matteüs 25 aangaf. Op grond van haar bronnen betoogt Boele dat er veel meer continuïteit is tussen de late Middeleeuwen en de vroeg-moderniteit, en ook tussen rooms-katholieke en protestantse praktijken, dan veelal wordt gedacht. Maar, zo is mijn vraag, was er dan toch geen verschuiving in de visie op de arme, op het bedelen bij humanisten (Coornhert) en de reformatoren, die we bijvoorbeeld terugvinden in het sterker op de voorgrond treden van het onderscheid tussen echte en niet-echte armen en de tewerkstelling van armen? Boele schreef een boeiende en goed te lezen studie waarin zij duidelijk maakt dat religieus-morele visies doorwerkten in sociaaleconomisch handelen van individuen en in het (in dit geval: lokale) beleid, al blijft de vraag in hoeverre die denkbeelden dan doorwerkten in het handelen van de rijken (de vraag naar de ‘toe-eigening’) lastig te beantwoorden. Het boek bevat in ieder geval indringende citaten over de veroordeling van de hebzucht en de hardvochtigheid van rijken en het belang van daadwerkelijke aandacht voor de armen.
Het diaconaat in de Evangelisch-Lutherse Kerk in de Lage Landen krijgt een plaats in de geschiedschrijving van die kerk in het omvangrijke werk Lutheranen in de Lage Landen, dat ongetwijfeld een standaardwerk zal worden. Een van de auteurs van dit boek, Th. A. (Arno) Fafié, gaf in zijn bijdrage aan het eerder genoemde Diaconie in beweging een handzaam samenvattend overzicht. Deze geschiedschrijving maakt duidelijk hoezeer de context van invloed is op de vormgeving van het diaconaat. Luther zag het ambt van diaken als de hoogste taak van de kerk na de verkondiging van het Woord en zag armoede als een maatschappelijke misstand die bestreden moest worden. Omdat de kerk daar nog onvoldoende voor was toegerust, legde Luther de verantwoordelijkheid voor de zorg voor de behoeftigen bij de overheid. Het diaconale werk in Duitsland kwam in de meeste lutherse staten in handen van de stedelijke overheden. Daarbij moet men bedenken dat het een christelijke overheid betrof, die nauw verweven was met de lutherse kerk. In de Lage Landen was sprake van een geheel andere situatie. De lutherse gemeenten in Amsterdam en in andere steden ontstonden uit de vluchtelingenstroom die de val van Antwerpen in 1585 veroorzaakte. Zij vormden een minderheid. De overheid was niet-luthers. De lutherse gemeente in Amsterdam hanteerde de kerkorden van Keulen, Aken en Antwerpen, die het ambt van diaken kenden. De voornaamste taak van de diakenen was de armenzorg. Maar daarnaast waren er vele andere initiatieven, zoals de huizen voor wezen, oude mannen en vrouwen. Lutheranen in de Lage Landen behandelt uiteraard veel meer dan het diaconaat, maar ondanks het ontbreken van een zakenregister kan men door een omvangrijke inhoudsopgave de gedeelten over het diaconaat vrij snel vinden. Een van die initiatieven vormden de hofjes. De zojuist genoemde Arno Fafié schreef de geschiedenis van een van die hofjes, de Lutherhof in Amsterdam, onder de titel Schuiling gezocht. De Lutherhof aan het Staringplein te Amsterdam (1909-2009). De auteur plaatst het hofje in het kader van de Lutherse Gemeente in Amsterdam en de diaconie in het bijzonder en behandelt ook in kort bestek de hofjes en hoven in Amsterdam en de voorgeschiedenis van de Lutherhof. Deze gaat terug tot 1670. Toen werd het Konijnenhofje, een hofje met acht huisjes die bestemd waren voor oudere armlastige alleenstaanden, meestal vrouwen, gebouwd. Fafié beschrijft minutieus de geschiedenis van het hof in Amsterdam Oud West met daarbij aandacht voor het gebouw, het bestuur, de bewoners en de activiteiten. Het huidige Lutherhof biedt een vorm van beschermd wonen vooral voor ouderen. Het boek is een waardevolle casestudy over een eeuwenoud diaconaal fenomeen.
De negentiende eeuw was er één waarin vele diaconale initiatieven tot ontplooiing kwamen. In de protestantse wereld kreeg dat vooral gestalte in het zogeheten ‘vrije diaconaat’: bewogen christenen die vanwege de geringe weerklank binnen de institutionele kerken hun activiteiten buiten de kerk moesten opzetten. Daarbij moet dan vooral het Réveil genoemd worden met zijn christelijke filantropie, en daarbinnen dan allereerst weer de hervormde predikant Ottho Gerhard Heldring (1804-1876). Hij stichtte in 1847 in Zetten een opvanghuis voor wat toen heette ‘gevallen vrouwen’. Dit was het begin van een groter geheel van tehuizen voor de opvang van verwaarloosde meisjes en jonge vrouwen, die gecombineerd werd met onderwijs en geestelijke vorming. In 2010 gingen de Heldringstichtingen op in een groter verband. Dat was reden om een gedenkboek uit te geven. Op grond van jaarverslagen, De bode der Heldring-gestichten en het archiefmateriaal schreef de historicus en kenner van het Réveil O.W. Dubois de geschiedenis van de Heldringstichtingen. Hij behandelt de periode tot 1945, die het overgrote deel van het boek beslaat. De naoorlogse periode is door twee (ex-)bestuursleden J.A.M.A Venmans en A. Kuijpers geschreven. Dubois beschrijft met grote liefde en invoelingsvermogen deze christelijke barmhartigheid, die toont ‘wat particulier initiatief van bezielde christenen vermocht’ en die de ‘grote maatschappelijke bewogenheid van het Réveil’ toont. In historische volgorde komen de verschillende tehuizen en instituten aan de orde. Dat gebeurt vaak in parafrases waarbij niet altijd duidelijk is waar de auteur aan het woord is en waar de bronnen. Daarbij wordt ook het breedvoerige taalgebruik uit die tijd overgenomen. Duidelijk wordt daarbij met welke grote inzet, die vaak heel ver ging, het personeel zijn werk verrichtte. Van de discussies die inmiddels in historisch-pedagogische studies gevoerd zijn over ‘opvoedingsregimes’ en hun uitwerking vinden we bij de auteurs weinig terug.
In de Rooms-Katholieke Kerk zien we vanaf het begin van de negentiende eeuw de opkomst van vele nieuwe kloostergemeenschappen. Deze congregaties, waarbij de vrouwelijke religieuzen verreweg in de meerderheid waren, ontplooiden een scala aan sociale werkzaamheden. Over de vrouwelijke religieuzen verscheen de naar inhoud en omvang (meer dan duizend bladzijden) monumentale studie Ex caritate. Het boek behandelt in het eerste deel de werkvelden van de religieuzen, te weten onderwijs en opvoeding, caritatieve en professionele verpleging, de zorg voor hulpbehoevenden en de missie, waar zij in de overzeese gebieden ook actief waren in gezondheidszorg en onderwijs. In de lopende tekst zijn steeds ‘cursiefjes’ opgenomen waarin de beschrijving vlees en bloed krijgt in het leven van een zuster, een congregatie of een activiteit. Ongeveer honderdduizend vrouwen kozen voor een kloosterleven dat zij combineerden met werken in de wereld. Er waren negentig actieve vrouwencongregaties. Het tweede deel behandelt het kloosterleven. Door dit alles in een bredere kerkelijke en maatschappelijke context te plaatsen, is dit boek uitgegroeid tot een integrale geschiedschrijving en een standaardwerk.

 

Kerken

De rooms-katholieke sociale leer, zoals met name neergelegd in een aantal encyclieken, is van grote betekenis voor de visie op diaconaat en het sociaal handelen van gelovigen en katholieke organisaties. Donal Dorr publiceerde een herziene en geactualiseerde versie van zijn standaardwerk Option for the Poor. De aanvullingen betreffen vooral de twee sterk diaconaal gekleurde encyclieken van paus Benedictus XVI: Deus caritas est en Caritas in Veritate. Voor wie een goed overzicht zoekt van de rooms-katholieke sociale leer, is dit boek een aanrader. Het overstijgt echter het beschrijvende en samenvattende niveau door ontwikkelingen te laten zien en te analyseren en door een evaluatie waarin naar het oordeel van de auteur zowel sterke als zwakke punten worden behandeld. Daarmee is deze studie ook een bijdrage aan de inhoudelijke betekenis van deze sociale leer. Het proefschrift van Roberto Puggioni bevat een stap-voor-stap-analyse van het rooms-katholieke sociale denken en van Caritas in Veritate in het bijzonder. De auteur is vooral een analyticus. De kritische evaluatie blijft beperkt tot enige punten. De vraag of er in de jaren zestig niet een paradigmatische verschuiving heeft voorgedaan (kort geformuleerd: minder deductief en meer inductief) wordt niet bevredigend behandeld. Suggereert de auteur meer continuïteit dan er is?
De Lutherse Wereld Federatie publiceerde een inhoudelijk belangrijk document Diakonia in Context, waarvan de ondertitel een aantal belangrijke kernpunten weergeeft: Transformation, Reconciliation Empowerment. (2009). Dit is een fundamenteel rapport waarin op grond van bijbelse gezichtspunten betoogd wordt dat diaconaat een integraal onderdeel vormt van het kerk-zijn. Opvallend is dat dit niet verder wordt uitgewerkt naar de ambtelijke structuur van de kerk (de plaats van de diakenen). Was dit een stap te ver of wilden de opstellers voorkomen dat de discussie zich vooral daarop zou richten? In kort bestek komen echter wel vele andere zaken aan de orde, zoals doel en richting van het diaconaat, de actoren en de methoden. Een van de opstellers van het rapport was de Noorse theoloog Kjell Nordstokke, die na tien jaar in Brazilië gewerkt te hebben als predikant en docent, werkzaam was als directeur van het Department of Mission and Development van de Lutherse Wereld Federatie. Hij beëindigde in 2013 wegens pensionering zijn beroepsmatige loopbaan als hoogleraar voor diaconaat in Oslo. In een bundel met eerder gepubliceerde artikelen werkt Nordstokke enige gedachten, zoals we die ook vinden in het rapport van de Lutherse Wereld Federatie, nader uit. Daarbij verloochent hij zijn bevrijdingstheologische inzichten niet. Daarbij komen de theologie van het diaconaat, het ambt van diaken en het diaconaat als integraal onderdeel van de missie van de kerk aan de orde. De aard van de bundel, een verzameling van artikelen en gehouden lezingen, maakt dat er soms herhalingen te vinden zijn en het geheel wat fragmentarisch blijft. Desalniettemin bevat het vele waardevolle inzichten.
De bijdragen van migrantenkerken zijn niet terug te vinden in door hen zelf gepubliceerde documenten. Zij vormen echter, zo bevestigen de onderzoeken van Davelaar en Noordegraaf, belangrijke netwerken voor hun leden die zich vaak maatschappelijk en juridisch in kwetsbare posities bevinden.

 

Organisaties

Er zijn vele organisaties die onderdeel zijn van kerken of als zelfstandige organisatie in nauwe verbinding werken met kerken, die van belang zijn voor het diaconaat. We noemen er enige. In 2008 werd op initiatief van de Diaconie van de Lutherse Kerk in Silezië en het Helsinki Deaconess Institute de International Academy for Diaconia and Social Action, Central & Eastern Europe opgericht, in de afkorting Interdiac (zie www.interdiac.eu). Doel is het verzorgen van trainingen en cursussen en het ontwikkelen van netwerken tussen diaconale organisaties. Interdiac verricht pioniersarbeid. Het diaconale werk moest in Midden- en Oost-Europa na de val van de muur grotendeels weer opgebouwd worden in sociaaleconomisch en politiek gezien veelal moeilijke omstandigheden. Onder de bezielende leiding van Janka Adameová en de predikant Tony Addy is een aantal trainingen verzorgd, zowel in het gebouw van de lutherse diaconie in het Tsjechische Tesin als in diverse landen in Midden- en Oost-Europa. Deze trainingen zijn gebaseerd op ervaringsgericht leren en omvat elementen van ‘exposure’, zoals die in Nederland ontwikkeld is in het oude-wijkenpastoraat en internationaal in het werk van industrial and urban mission. Tony Addy was jarenlang in Engeland en later in Europees verband in die sector werkzaam. Op basis van de trainingen zijn enige publicaties verschenen, over onder meer vrijwilligerswerk, gemeenschapsopbouw en jeugdwerk. Inmiddels zijn veertien diaconale organisaties uit Midden- en Oost-Europa aangesloten bij Interdiac.
In Duitsland is het in 1954 opgerichte Diakoniewissenschaftliches Institut van de Theologische Faculteit van de Universiteit te Heidelberg een gerenommeerd instituut dat zijn wetenschappelijke sporen onder meer in een reeks van publicaties verdiend heeft. Elders in dit Literatuurbricht worden enige uitgaven genoemd. Hier zijn nog te noemen de jaarboeken, die theologische, historische en actuele vragen behandelen alsmede recensies van recente publicaties.
In Nederland bestond van 1981 tot 1998 het Multidisciplinair Centrum voor Kerk en Samenleving (MCKS), dat fundamenteel denkwerk verrichtte op het terrein van geloof, economie en kerk in de samenleving. Bij dat laatste moet vooral het concept van moreel beraad genoemd worden, dat door het MCKS uitgewerkt werd. De godsdienstsociologe Mady Thung en de econoom H.M. de Lange, gedurende decennia een van de gezichtsbepalende figuren in de sociale tak van de oecumene, waren de initiatiefnemers. Het MCKS bracht in zijn beraden wetenschappers uit verschillende disciplines bij elkaar, omdat alleen zo gefundeerd denkwerk over de opstelling van kerken ten opzichte van maatschappelijke vragen tot stand kan komen. De vruchten van het denkwerk vonden hun weg in vele publicaties. Het MCKS moest uiteindelijk bij gebrek aan financiële middelen opgeheven worden. Om de verworven inhoudelijke inzichten en de opgedane ervaringen wat betreft werkwijze niet verloren te laten gaan, schreven Herman Noordegraaf en Greetje Witte-Rang de geschiedenis van dit instituut met een slothoofdstuk waarin zij op grond daarvan aanbevelingen formuleren.
Dan is nog nadrukkelijk te noemen de Stichting Rotterdam, protestants-christelijk stimuleringsfonds voor projecten op sociaal-diaconaal, missionair-pastoraal en cultureel terrein. Deze stichting maakt door financiële bijdragen heel wat diaconaal werk mogelijk en financiert ook de bijzondere leerstoel voor diaconaat die aan de Protestantse Theologische Universiteit verbonden is. De stichting en de leerstoel organiseren elk jaar een diaconale lezing. Op enige van deze lezingen presenteerden promovendi hun onderzoek, te weten Hans de Waal over diaconaat en ouderen en Bert Roor en Herman van Well over diaconale gemeenteopbouw. Voorts hield Carlos E. Ham, predikant bij de Presbyteriaanse Kerk in Cuba en tot eind 2013 werkzaam bij de Wereldraad van Kerken voor diaconaat, een lezing over de ontwikkelingen in het diaconaat in de Wereldraad van Kerken.

 

Herziening van de verzorgingsstaat

Al enige decennia is de welfare state, in het Nederlands meestal weergegeven met het woord ‘verzorgingsstaat’, aan herziening onderhevig. In Nederland kwam de verzorgingsstaat relatief laat ten tonele, na de Tweede Wereldoorlog, maar toen ging het ook in snel tempo. De verzorgingsstaat kenmerkt zich door een actieve overheid, die zich garant stelt voor (op zijn minst) een materiële bestaansbasis op het minimumniveau en voor het welzijn voor haar burgers. Dat kwam tot uitdrukking in de ontwikkeling van een stelsel van sociale zekerheid en de subsidiëring van voorzieningen op onder meer het terrein van zorg en welzijn. De verzorgingsstaat was het antwoord op de vraagstukken van armoede en bestaansonzekerheid in de industrieel-kapitalistische samenleving. Hij handhaafde de markteconomie en koos dus niet voor de formule van de staatseconomie, maar het is wel een gecorrigeerde markteconomie. Overigens zijn er verschillende typen van verzorgingsstaat die variëren in de verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid, sociale partners, maatschappelijke organisaties (waaronder de kerken) en familie, de voorwaarden waaronder uitkeringen worden verleend en de hoogte daarvan. Zo vormen de Scandinavische verzorgingsstaten de meest uitgebreide, zijn Nederland en Duitsland voorbeelden van het Rijnlandse model waarin naast de staat sociale partners een grote rol spelen, heeft het Anglo-Saksische model sterke elementen van een minimumvariant en kennen Zuid-Europese landen een belangrijke plaats toe aan de familie. In alle landen is echter een verschuiving waar te nemen naar een strengere en soberder verzorgingsstaat, al blijven er aanzienlijke verschillen. Voorts komt er meer nadruk te liggen op de rol van gemeenten (decentralisatie), markt en civil society. In het kader van dat laatste komen kerken of breder ‘faith based organisations’ (ook moslims, hindoes, sikhs en nog andere) in beeld. Het is een markante ontwikkeling dat terwijl de institutionele kerken, althans de mainstream kerken, aan betekenis en omvang inboeten, er meer een beroep op kerken gedaan wordt om in het publieke domein op het terrein van zorg en welzijn meer actief te worden. Deze ontwikkelingen stellen kerken voor de vraag hoe zij zich hiermee te verhouden hebben. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er enige grote onderzoek zijn verricht. Een van de meest interessante en omvangrijke is het project dat uitgevoerd is door de Uppsala Religion and Society Research Centre aan de universiteit van Uppsala tezamen met universiteiten in Noorwegen, Finland, Duitsland, Engeland, Frankrijk, Italië en Griekenland. De directeur van het onderzoekscentrum was de inmiddels emeritus hoogleraar op het terrein van religie en samenleving Anders Bäckström, die samen met onder meer de bekende godsdienstsociologe Grace Davie de drijvende kracht achter dit project was. Het onderzoek richtte zich op de rol van meerderheidskerken op het terrein van zorg en welzijn in genoemde landen en bevat de voornaamste christelijke tradities in Europa, anglicaans, protestants/luthers, rooms-katholiek en (Grieks-)orthodox. De calvinistische variant ontbreekt, omdat deze niet als meerderheidskerk aanwezig is. Het onderzoek omvatte acht case studies in middelgrote steden in de genoemde landen. De resultaten werden gepubliceerd in twee bundels, waarvan de eerste vooral de uitkomsten weergeeft en de tweede analytische beschouwingen bevat vanuit de perspectieven die in de studie gecombineerd worden: sociologie, gender studies en theologie. Omdat het om kwalitatief onderzoek ging, zijn de resultaten niet zonder meer te generaliseren, maar geven zij wel interessante indicaties. Een opmerkelijke conclusie is dat alle veranderingen die plaatsvinden in dezelfde richting gaan ongeacht het type verzorgingsstaat. Deze omvatten demografische veranderingen (zoals de vergrijzing), de toenemende behoefte aan zorg, de effecten van de globalisering die tot een reconstructie van de verzorgingsstaat leiden, nieuwe vormen van sociale uitsluiting, de veranderde positie van vrouwen (meer deelname aan betaalde arbeid) en veranderingen in de aard van de religie (meer een kwestie van keuze dan een verplichting, pluralisme). Voorts is een belangrijke uitkomst dat meerderheidskerken (nog steeds) een belangrijke rol vervullen op het terrein van zorg en welzijn en dat deze zelfs aan betekenis wint. Het aantal leden daalt echter en vrouwelijke leden zijn minder dan vroeger voor onbetaalde arbeid beschikbaar. In alle genoemde landen zijn zorg en welzijn in hoge mate het terrein van vrouwen. Voorts staan alle kerken voor de vraag hoe zij tot nieuwe vormen van binding komen in een tijd van individualisering. Nog een ander punt is hoe kerken en overheden zich tot elkaar verhouden en hoe kerken bij subsidiëring toch indien zij dat nodig achten een profetisch geluid kunnen laten horen.
Genoemde punten zien we ook terugkeren in het door de Europese Commissie gesubsidieerde onderzoek naar ‘Faith Based Organisations and Exclusion in European Cities’ (FACIT). In zeven Europese landen onderzochten onderzoekers de huidige rol van fbo’s in de bestrijding van sociale uitsluiting. Het gaat daarbij niet alleen om kerkelijke organisaties, maar ook die van andere religies, zoals de islam. Meer nog dan in het eerstgenoemde onderzoek komt de vraag aan de orde wat het betekent dat door decentralisatie op gemeentelijk niveau ‘welfare regimes’ ontstaan en voor de interactie tussen lokale overheden en maatschappelijke organisaties waaronder fbo’s. De projectcoördinator was de (nu emeritus) hoogleraar sociologie Jan Vranken, die de Onderzoeksgroep Armoede, Sociale Uitsluiting en de Stad aan de Universiteit Antwerpen leidde en jarenlang de hoofdredacteur was van de Jaarboeken Armoede en sociale uitsluiting (in België en Vlaanderen in het bijzonder). De onderzoeken vonden plaats in 21 steden in België, Duitsland, Spanje, Zweden, Nederland, Turkije en het Verenigd Koninkrijk. Het onderzoek in Nederland werd verricht door het Verwey-Jonker Instituut en de Universiteit Groningen, faculteit Ruimtelijke wetenschappen en richtte zich op enige organisaties op het nationale niveau en op Amsterdam, Rotterdam en Tilburg. Er is een uitgave die alle nationale rapporten bevat. Daarnaast zijn afzonderlijke landenrapporten uitgegeven en in Nederland de onderzoeksverslagen van Rotterdam en Tilburg. De activiteiten van levensbeschouwelijke organisaties in Nederland betreffen vooral de opvang van groepen als dak- en thuislozen, verslaafden, slachtoffers van geweld, activering tot vrijwilligerswerk, ondersteuning van vluchtelingen, armoedebestrijding, gemeenschapsvorming en ondersteuning van mensen met een klein netwerk. Activiteiten omvatten dienstverlening, informele hulp en steun, gemeenschapsopbouw en empowerment, werven, activeren en begeleiden van vrijwilligers, politiek-maatschappelijke belangenbehartiging, het signaleren en agenderen van sociale problemen en het vervullen van een brugfunctie tussen moeilijk bereikbare personen/groepen en reguliere instanties. Het geloof speelt een rol in de motivatie van vrijwilligers en beroepskrachten, in de identiteit van de organisatie en de publieke profilering. Er zijn overigens verschillen tussen de levensbeschouwelijke organisaties in de mate waarin het geloof expliciet aan de orde komt in de activiteiten. Levensbeschouwelijke organisaties hebben een belangrijke rol in de lokale netwerken rond de zojuist genoemde velden van activiteit. De uitkomsten van beide genoemde onderzoeksprojecten leiden dus tot en nuancering van de secularisatiethese als het gaat om bepaalde niches op de terreinen van armoede en bestaansonzekerheid, zorg en welzijn. De rol van kerken lijkt eerder aan betekenis te winnen. De vraag is hoe dat zich verhoudt tot de ontkerkelijking en verandering in de aard van het geloven. Tevens is het de vraag hoe kerken zich opstellen en zullen opstellen tegenover het andere type samenleving dat ontstaat en waarbij meer de nadruk ligt op zelfredzaamheid en het beschikken over netwerken. In vrijwel alle landen hebben kerken zich kritisch getoond over een vergaande reductie van de verzorgingsstaat en zich tot pleitbezorgers ontwikkeld van de armen. De kansen en spanningen komen aan de orde in de bundel Working Faith, die een aantal case studies bevat om tot een beter begrip te komen hoe geloof in de praktijk uitwerkt. Deze komen vooral uit Engeland, maar er zijn ook twee case studies uit Nederland (Herman Noordegraaf over de Werkgroep De Arme Kant van Nederland/EVA en Maarten Davelaar over de protestants-diaconale organisatie KSA in Rotterdam) en uit Zweden en Duitsland. Fbo’s kunnen zich ontplooien tot hulpverleningsorganisaties en organisaties die ook in verzet komen tegen het politieke beleid. Zij dragen expliciet en in hun werkzaamheden een andere waardeoriëntatie uit dan het neoliberale beleid. De paradox is dat het neoliberale beleid de mogelijkheden tot optreden van kerken in het publieke domein vergroot, terwijl de onderliggende waardenoriëntaties fundamenteel verschillen. In de post-seculiere situatie is er voorbij het seculiere een positief engagement vanuit een multiculturele levensbeschouwelijke achtergrond waar te nemen, die kritische vragen stelt bij het zelfbegrip van de seculiere samenleving. Overigens zijn er duidelijke verschillen tussen organisaties in de mate waarin zij vragen van sociale gerechtigheid aan de orde stellen, zoals vooral naar voren komt in de casestudy over schuldhulpverlening in Engeland.
In Nederland zien we de herschikking van verantwoordelijkheden tussen overheden, individuen en civil society duidelijk terug in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), die vanaf 2007 is ingevoerd en die de verantwoordelijkheid voor het beleid op het terrein van zorg en welzijn in belangrijke mate legt bij de burgerlijke gemeenten. Deze moeten in de beleidsvoorbereiding, -uitvoering en -evaluatie wel de bevolking en maatschappelijke organisaties betrekken. Zo is er in bijna alle gemeenten zoiets als een Wmo-adviesraad en zijn er inspraakbijeenkomsten. De vraag is nu of gemeenten kerken al dan niet betrekken in het beleidsproces. Dat is de ene kant. De andere kant is of kerken daar zelf voor open staan en meer dan dat: zelf initiatieven in deze nemen. In ieder geval is duidelijk dat kerken geconfronteerd worden met de vraag hoe zij kerk willen zijn in de lokale en regionale samenleving en dat in een breder kader van een type samenleving waarin zelfredzaamheid en de inzet vanuit netwerken van mantelzorgers en vrijwilligers een grote rol krijgen toebedeeld. Er is in beperkte mate onderzoek gedaan naar de rol van kerken in de Wmo. Op 27 september 2012 promoveerde Marja Jager-Vreugdenhil op het proefschrift Nederland participatieland. De ambitie van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de praktijk in buurten, mantelzorgrelaties en kerken. Zij is werkzaam bij de Gereformeerde Hogeschool in Zwolle en heeft veel onderzoek gedaan naar diaconaat in de lokale samenleving. Sinds april 2014 is zij lector samenlevingsvraagstukken op deze hogeschool. Haar dissertatie bevat drie case studies waarvan er dus één betrekking heeft op kerken. Zij maakt duidelijk dat participatie altijd plaatsvindt in specifieke contexten, die niet zo maar zijn over te zetten naar het algemene niveau van de samenleving of andere contexten. Kerken vormen ook een eigen context waarin bepaalde waarden en doeleinden opgeld doen. Zorg valt daaronder, maar is niet het enige en kan niet geïsoleerd worden van andere doelen zoals de liturgie, het getuigen van het geloof en de onderlinge zorg van de medegelovigen. Kerken hanteren nu voor zorg regels die beïnvloed zijn door de verzorgingsstaat: zij helpen mensen zolang deze geen hulp van de overheid krijgen. Daarom betekent de ambitie van de Wmo een grote verandering voor kerken. De vraag waar kerken voor staan, is of zij een formele rol hebben als instituut of dat de kerkleden een rol hebben als leden van de gemeenschap. Voorts: hebben kerken alleen een rol in de informele zorg als zij ook hun andere doelen, zoals het brengen van het evangelie, kunnen nastreven? Richten zij zich alleen op de eigen kerkleden of ook op anderen? Kerken zullen hierin hun richting moeten bepalen. Gemeenten kunnen kerken niets opleggen, maar wel kerken mogelijkheden bieden om activiteiten te ontwikkelen die aansluiten bij hun motivaties. Het zou een misvatting zijn om te denken dat bijvoorbeeld het benutten van vrijwilligers uit kerken mogelijk is zonder daarbij met de eigen aard en motivatie van kerkelijke vrijwilligers rekening te houden. Noordegraaf deed onderzoek naar de betrokkenheid van vooral Protestantse Gemeenten in zeven burgerlijke gemeenten bij de Wmo. Ook hij komt tot de bevinding dat er nog sprake is van een zoekproces waarbij zowel bij overheden als kerken de visie op de rol van kerken in de Wmo nog moet uitkristalliseren. Hij hanteert een buitenperspectief (de benadering vanuit de overheid) en een binnenperspectief (de visie van kerken zelf over deelname aan de Wmo). Lokale overheden verschillen nogal in hun benadering: van afwijzend tot uitnodigend. Kerken zijn overigens enkele van de vele organisaties en zij worden vooral instrumenteel benaderd. Zij zijn van belang vanwege de vele vrijwilligers, de toegang tot bepaalde doelgroepen, de kwaliteit van hun werk en hun gebouwen. Voor kerken betekent deelname aan de Wmo dat zij bereid moeten zijn om naar buiten te treden en te participeren in netwerken, waarbij zij zich bewust moeten zijn van hun mogelijkheden en onmogelijkheden. Noordegraaf pleit voor ‘kritische participatie’, dat wil zeggen: bereidheid om deel te nemen als kerken, maar vanuit eigen visie en motivatie en knelpunten signalerend die zij tegenkomen in hun activiteiten naar overheid en samenleving toe.

 

Armoede

De verzorgingsstaat was zoals gezegd het antwoord van de industrieel-kapitalistische samenleving op vragen van armoede en bestaansonzekerheid. Hij heeft een grote invloed gehad op het diaconaat omdat de overheid door middel van sociale zekerheid de traditionele armenzorg terugdrong en in 1965 met de invoering van de Algemene Bijstandswet (ABW) overnam. Bovendien ging de overheid in toenemende mate allerlei organisaties op het terrein van zorg en welzijn subsidiëren, zoals maatschappelijk werk, gezinszorg, jeugdzorg, ouderenzorg, bejaardenhuizen enzovoort. Kerken en levensbeschouwelijke organisaties kwamen hiermee in een andere verhouding te staan tot de (toen nog: vooral landelijke) overheid. Deze organisaties waren nog grotendeels op levensbeschouwelijke grondslag georganiseerd. Zonder de subsidiëring was de uitbouw van hun werk niet mogelijk geweest, omdat zij noch het groeiend aantal beroepskrachten noch de stijgende salarislasten hadden kunnen financieren. Een belangrijke rol zowel wat betreft de ABW als de subsidiëring speelde de politica M.A.M. (Marga) Klompé (1912-1986). In 1948 werd zij voor de toenmalige Katholieke Volks Partij (KVP) (later opgegaan in het CDA) lid van de Tweede Kamer, waarna zij van 1956 minister van Maatschappelijk Werk was, vervolgens weer Tweede Kamerlid en van 1966-1972 minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. Haar naam is vooral verbonden met de ABW. Vanwege het belang van deze wet voor het armoedevraagstuk en voor het diaconaat is het van belang om uit het proefschrift dat Gerard Mostert aan haar wijdde de gedeelten over de totstandkoming van de ABW te lichten. Al lang sleepte een discussie over een nieuwe wet die de Armenwet van 1912 (teruggaande op 1854) moest vervangen omdat deze naar breed gedragen overtuiging niet voldeed. Materiële hulpverlening was een gunst, waarvoor allereerst de familie of de kerk verantwoordelijk waren. Klompé stelde zich op het standpunt dat bijstand van overheidswege een ‘afdwingbaar recht’ moest zijn. De biograaf weet als achtergrond hierbij te vermelden dat het gezin Klompé toen het destijds door ziekte van de vader in moeilijke omstandigheden kwam niet afhankelijk wilde worden van de als vernedering ervaren katholieke caritas. Wat de betekenis van het rechtskarakter was, verwoordde zij tijdens de behandeling van het wetsontwerp in de Tweede Kamer op 3 april 1963:
‘Ik wilde een wet maken (…) waarop iedere burger een beroep kon doen, met opgeheven hoofd, en waardoor hij niet in een atmosfeer zou worden geplaatst, die in strijd zou zijn met zijn vrijheid en met de waardigheid van zijn menselijke persoon. Dit zijn mijn uitgangspunten geweest.’
En iets later in diezelfde vergadering:
‘Dit is voor mij het gehele uitgangspunt van dit wetsontwerp, het kernpunt geweest: dat er een wet zou komen, waarop ieder, die in moeilijkheden verkeert, zich kan beroepen, zonder het stigma te krijgen van wat men dan met een vreselijk woord “een kneusje”noemt.’
Als voorbereiding van de nieuwe wet maakte zij met de Wet Beperking Verhaalsrecht een einde aan de situatie dat ouders eerst bij de kinderen moesten aankloppen voordat zij voor steun in aanmerking kwamen. Die situatie was een bron van vele spanningen en creëerde ook een groep van ‘stille armen’: ouders die hun kinderen niet om hulp wilden vragen, omdat ze deze daarmee niet wilden belasten of omdat er verstoorde verhoudingen waren. Ter voorbereiding van het wetsontwerp van wat aanvankelijk heette ‘wet bijstand levensonderhoud’ pleegde zij uitvoerig overleg met maatschappelijke organisaties en met de kerken om zo een breed draagvlak te krijgen. Vooral in meer orthodoxe protestants-christelijke kerken leefden er bezwaren tegen deze wet, omdat zij de zorg voor de barmhartigheid voor de eigen kerkleden principieel als een taak van de kerken zag. Bij de voorbereiding van de wet werd onderscheid gemaakt tussen de door de overheid te garanderen voorziening in de kosten van het levensonderhoud en de immateriële zorg, zoals maatschappelijk werk, die bij kerken en particuliere organisaties lag. Voorkomen moest worden dat de materiële hulpverlening gekoppeld zou kunnen worden aan eisen op het immateriële vlak, zoals kerken vaak gedaan hadden om armen aan de kerk te binden. In de ABW werd de materiële steun opgenomen. Begin april 1963 behandelde de Tweede Kamer het ‘sluitstuk’ van de sociale zekerheid om na uitvoerige debatten en enige amendementen en moties op 10 april 1963 aangenomen te worden. Twee maanden later volgde de Eerste Kamer. Er was een breed draagvlak: alleen de fractie van de SGP en enige Kamerleden van de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) stemden tegen. Op 1 januari 1965 trad de wet in werking. Klompé’s ‘grote werkstuk’ betekende, zo schrijft Gerard Mostert, ‘het eindpunt van een ontwikkeling die al decennialang aan de gang was, een eindpunt waar de tijd meer dan rijp voor was en dat door Marga Klompé met overtuiging gerealiseerd is.’
Het kan verkeren. Als gevolg van een complex geheel van sociaaleconomische, sociaal-culturele, demografische factoren en politiek beleid hebben armoede en sociale uitsluiting zich weer genesteld in de rijke Noord- en West-Europese landen. Dat het bestrijden van armoede door materiële en immateriële hulp weer nadrukkelijk op de diaconale agenda staat, blijkt uit onderzoek van landelijke diaconale organisaties naar hulpverlening door plaatselijke kerken. Het eerste van dit type onderzoeken werd gepubliceerd in 2002 en was gebaseerd op een steekproef onder protestantse diaconieën en parochiële caritasinstellingen en was een samenwerkingsproject van de werkgroep De Arme Kant van Nederland/EVA en van Kerk in Actie, de landelijke diaconale en missionaire organisatie van wat sinds 2004 de Protestantse Kerk in Nederland heet. Vervolgonderzoeken volgden in 2005, 2006, 2008 en, binnen de periode van dit bericht, in 2010 en 2013. Daarbij is de kring van deelnemers sterk uitgebreid en bestrijkt hij diaconale organisaties en kerken van protestantse, rooms-katholieke en evangelicale zijde. Het onderzoek van 2010 kende naast het algemene onderzoek ook nog een drietal deelonderzoeken, te weten over armoedebestrijding door kerken op het platteland, migrantenkerken en moskeeën. De onderzoeken geven inzicht in de omvang en de wijze waarop kerken bij armoedebestrijding betrokken zijn en lopen uit op signaleringen en adviezen voor kerken zelf, landelijke en lokale overheden en maatschappelijke organisaties. Ruim zeventig procent van de lokale diaconale organisaties is inmiddels betrokken bij de ondersteuning van mensen die niet goed kunnen rondkomen. Het betreft individuele financiële hulp en collectieve hulp, zoals steun aan voedselbanken, diaconale projecten ten behoeve van armoedebestrijding in Nederland, participatie in een noodfonds, maatjesprojecten voor mensen met schulden en dergelijke. Opvallend is dat zestig procent van de deelnemende diaconale organisaties betrokken is bij een kerstpakkettenactie en dat bijna een derde financiële steun heeft gegeven aan een inloophuis. Zowel in 2009 als in 2012 besteedden diaconieën bijna dertig miljoen euro aan armoedebestrijding. Een grote vlucht hebben de schuldhulpmaatjesprojecten genomen. Het project SchuldHulpMaatje kwam in 2010 tot stand op initiatief van Kerk in Actie, het landelijk Katholiek Diaconaal Beraad (LKDB), Samen Kerk in Nederland (SKIN) van migrantenkerken, de Evangelische Alliantie, de Vincentius Vereniging Nederland en de Protestantse Christelijke Ouderen Bond (PCOB). De start werd mogelijk gemaakt door een eenmalige subsidie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Inmiddels zijn er in meer dan zestig burgerlijke gemeenten schuldhulpverleningsprojecten met meer dan twaalfhonderd vrijwilligers. Evaluaties wijzen uit dat deze projecten immaterieel en materieel (uitsparen van kosten) positieve effecten hebben.
Nog een belangrijke activiteit is de steun aan de voedselbank door middel van materiële steun, inzet van vrijwilligers, het beschikbaar stellen van kerkelijke accommodaties als uitdeelpunt en nog anderszins. Meer dan de helft van de diaconale organisaties is hierbij betrokken. In 1967 ontstond de eerste voedselbank en wel in Amerika. Vooral vanaf de jaren tachtig verspreidden de voedselbanken zich over de hele wereld. In alle continenten zijn ze inmiddels te vinden. In 1984 werd in Parijs de eerste voedselbank in Europa opgericht, waarna vele Europese landen volgden. In 1986 ontstond er al een Europese Federatie van voedselbanken. Nederland was een laatkomer. In 2002 vond in Nederland de oprichting plaats van de eerste officiële voedselbank (al eerder waren er informele initiatieven). De eerste gedachte daarbij was om mensen in financiële nood een helpende hand toe te steken. Al snel kwam de koppeling met de bestrijding van verspilling van voedsel bij zowel bedrijven als consumenten. Armoede bestrijden met behulp van consumeerbare levensmiddelen die anders vernietig zouden worden. Zo snijdt het mes aan twee kanten: minder verspilling en dus ook minder afval met alle positieve gevolgen van dien (minder CO2-uitstoot, minder zwerfafval enzovoort) en tegelijkertijd armoede bestrijden. De voedselbank heeft een grote vlucht genomen en is niet meer weg te denken: in 2012 waren er 134 voedselbanken actief die aangesloten waren bij de Stichting Voedselbanken Nederland (als het gaat om het aantal moet er dus nog een onbekend aantal voedselbanken bij opgeteld worden). Daarbij waren ruim 6.500 vrijwilligers actief. Afgerond werden wekelijks 27.000 huishoudens (66.700 personen) geholpen met een voedselpakket. Ook Groot-Brittannië kent inmiddels een wijdvertakt netwerk van voedselbanken. De meeste voedselbanken zijn onderdeel van de Trussell Trust, een christelijke hulporganisatie met inmiddels dertigduizend vrijwilligers. Die zijn hard nodig: in 2012-2013 maakte 350.000 mensen gebruik van de voedselbank, terwijl dat er in 2010-2011 68.500 waren en in 2011-2012 128.700.
Deze ontwikkeling was reden voor Church Action on Poverty (CAP) om samen met Oxfam een rapport uit te brengen: Walking the breadline. The scandal of food poverty in 21st century Britain. De aanpak van dit rapport is dat kwantitatieve gegevens gecombineerd worden met verhalen van mensen die gebruik maken van de voedselbanken en dat de voedselbanken als weliswaar noodzakelijk worden gezien, maar dat het politieke beleid nadrukkelijk mede hiervoor verantwoordelijk wordt gezien. Verandering van politiek beleid ten dienste van mensen in armoede is dan ook noodzakelijk. Een kritische studie over de voedselbanken in vooral Duitsland (1,3 miljoen gebruikers) is van de hand van de Duitse socioloog Stephan Lorenz: Tafeln im flexiblen Überfluss. Hij combineert een macrosociologisch perspectief met empirisch onderzoek onder gebruikers van de voedselbank, vrijwilligers en ponsoren. In een maatschappij met overvloed is niet absolute schaarste het probleem, maar de uitsluiting die ontstaat als gevolg van het onvoldoende kunnen deelnemen aan het dominante consumptiepatroon. Lorenz analyseert de ambivalentie van het verschijnsel voedselbank. Deze heeft geen rechtsbasis en geeft de gebruikers niet de mogelijkheid om zelf te beslissen over welke inkopen zij willen doen. Voedselbanken zijn tot een vast onderdeel geworden van maatschappijen met overvloed zonder dat de vraag gesteld wordt of deze overbodig zouden moeten zijn. Zij bieden de mogelijkheid om goed te doen en aan ondernemingen om zich als een maatschappelijk verantwoordelijke onderneming te profileren. Voedselbanken vormen in een samenleving met groter wordende sociale ongelijkheid geen oplossing van het probleem, maar een bevestiging daarvan. Directe hulp om mensen te ontlasten in hun uitgaven kan nodig zijn, maar moet gecombineerd worden met een strategische visie op mogelijke oplossingen en met pleitbezorging met daaronder de vraag naar de omgang van de samenleving met overvloed. Wie een bredere visie heeft op diaconaat – helpen, maar ook signaleren, pleitbezorging en werken aan structurele oplossingen – zal de benadering van Church Action on Poverty en van Lorenz alleen maar kunnen onderschrijven.
Al deze ontwikkelingen roepen de vraag op naar de rechtstaak van de overheid om de economisch zwakkeren te beschermen. De jurist Willem Sinninghe Damsté behandelt deze vraag in zijn proefschrift Gedeelde zorg, dat hij op 6 oktober 2011 aan de Vrije Universiteit verdedigde. Zijn studie bevat een waardevolle behandeling van de discussie over de verantwoordelijkheid voor de armenzorg en de ontwikkelingen in de wetgeving dienaangaande. Vanuit een juridisch perspectief wordt zo een waardevolle bijdrage geleverd aan de diaconaalwetenschappelijke doordenking van het armoedevraagstuk. Dit maakt weer eens duidelijk dat diaconiewetenschap interdisciplinair van karakter moet zijn. De auteur komt tot de conclusie dat in het recht deze verantwoordelijkheid van de overheid volop van kracht is. Hij meent ook dat de overheid in haar politieke beleid dat ook waarmaakt. Dat laatste is een aanvechtbare conclusie en wordt niet in relatie gebracht met onderzoeken naar armoede in Nederland.
Ter afsluiting van deze paragraaf over armoede wijs ik op het omvangrijke verzamelwerk Kirchen aktiv gegen Armut und Ausgrenzung. Deze uitgave van het Diakoniewissenschaftliches Institut in Heidelberg telt meer dan veertig auteurs en zevenhonderd bladzijden. Vanuit vele invalshoeken worden de vragen van armoede en sociale uitsluiting in het licht gesteld: exegetisch, historisch, theologisch-systematisch, praktisch-theologisch, sociaalwetenschappelijk, sociaal-politiek, educatie en praktijkvelden. Een ware ‘Fundgrube’!

 

Praktijkvelden

Het diaconaat beweegt zich op vele velden. Naast het zojuist genoemde veld van armoede en sociale uitsluiting, noem ik nog enige publicaties op andere velden. Fundamenteel voor het diaconale werk met mensen met een verstandelijke beperking is het fundamentele werk van de ethicus Hans Reinders. Zijn hoofdwerk Receiving the Gift of Friendship. Profound disability, Theological Antropology and Ethics (2008) werd voor een breder publiek in een Nederlandse versie omgezet, Geen leven zonder vriendschap. Dit boek is van belang voor wie zoekt naar fundamentele bezinning op de relaties met mensen met een verstandelijke beperking. Omdat Alma Lanser al een uitvoerige bespreking wijdde aan de Engelstalige versie, volsta ik met een verwijzing daarnaar.
Jan Eerbeek was gedurende vele jaren werkzaam in het justitiepastoraat. In 2013 nam hij afscheid als hoofdpredikant bij het ministerie van Veiligheid en Justitie. Hij was oprichter van de Stichting Exodus, die zich met behulp van veelal kerkelijke vrijwilligers inzet voor (ex-)gedetineerden. Een aantal praktijkverhalen uit zijn werk is te vinden in zijn Gaan in het licht van de hoop. Exodus en Kerk in Actie startten in 2011 een proefproject met als doel alle hulpverlening in detentie in kaart te brengen en zoveel mogelijk te verbeteren. Van het startsymposium van dit project ‘Verbinden en Versterken’ verscheen een verslagboek waarin vele aspecten van dit werk aan de orde komen.
Van belang is nog om te wijzen op het Centrum voor Justitiepastoraat, dat vanaf 2009 als een samenwerkingsproject van de Tilburg School of Catholic Theology en de Protestantse Theologische Universiteit functioneert. De grenzen tussen pastoraat en diaconaat zijn vloeiend. Daarom is de ‘Publicatiereeks’ van dit centrum ook vanuit diaconaal oogpunt van belang. Kerken zijn lokaal, nationaal en internationaal volop betrokken bij het werken met vluchtelingen. Zij doen aan opvang en hulpverlening, integratieactiviteiten en pleitbezorging.
Een voorbeeld van een noodopvang en daaruit voortvloeiende activiteiten vormt het centrum Plexat in Rotterdam. Bij het tienjarig bestaan verscheen er een jubileumboek dat een goed beeld geeft van de werkzaamheden. Een voorbeeld van pleitbezorging voor in dit geval vreemdelingen in detentiecentra is het rapport Humaniteit in vreemdelingenbewaring. Het is gebaseerd op een onderzoek onder rooms-katholieke geestelijk verzorgers naar hun ervaringen in vreemdelingenbewaring. Het vormt een goed voorbeeld van hoe de kritische signaleringsfunctie vorm kan krijgen: vanuit het werken met mensen ervaringen inbrengen in het publieke debat en in pleitbezorging bij in dit geval de overheid en de politiek. Het werken aan goede relaties is onderdeel van het diaconaat.
Vanuit het oorspronkelijk mede door de Protestantse Diaconie van Amsterdam opgezette project ‘Samenwonen-Samenleven’ wordt een gezamenlijke inzet tegen armoede en sociale uitsluiting gerealiseerd via relatie-opbouw tussen buurtbewoners in Amsterdam. In samenwerking tussen de stichting Samenwonen-Samenleven en stichting IHSAN (voor islamitisch maatschappelijk activeringswerk) kwam in opdracht van het Bos en Lommer Interreligieus Beraad/West Interreligieus Netwerk een boekje tot stand waarin verslag van dit werk wordt gedaan, vooral bezien door moslims. In het kader van de ondersteuning van interreligieuze dialoog en praktijken wijs ik op de bundel Chesed, caritas en diaconie, zakaat waarin de aandacht voor de naaste in nood vanuit verschillende levensbeschouwelijke tradities wordt belicht. Geld en goederen behoren tot de middelen waarover het diaconaat beschikt om zijn doelstellingen zoveel mogelijk te realiseren. Daar zit meer aan vast dan bij eerste denken het geval lijkt te zijn. Hoe komt men aan het geld? Mag men een vermogen hebben? Zo ja, hoe hoog mag dit zij en hoe wordt het belegd? Wat zijn de sociale en ecologische criteria? Huub Lems redigeerde een handzaam boekje waarin wordt ingegaan op de vraag hoe verantwoord beleggen gerealiseerd kan worden. Dat hier nog veel moet gebeuren wijst een onderzoek uit naar duurzaam beleggen en kerkelijke instellingen.
Meer fundamentele beschouwingen geïnspireerd oor de economische crisis vinden we in het boek van de journalist en theoloog Arjan Broers over geld en goed. De auteur wil dieper boren door fundamentele vragen over onze cultuur aan de orde te stellen daarbij onder meer geïnspireerd door het verhaal over de verering van het gouden kalf. Hij sprak daarvoor met enige economen en theologen. In het tweede deel presenteert Broers een onderdeel van een alternatief, namelijk Oikocredit, de in 1975 opgerichte bank van de wereldraad van Kerken die pioniersarbeid verrichtte wat betreft microkrediet. Zij krijgt steun van nogal wat diaconieën uit de Protestantse Kerk in Nederland. Daarnaast pleit Broers voor een cultuurverandering waarin niet meer het gelddenken overheerst. Bezinning op wat werkelijk van waarde is, is daarvoor noodzakelijk.

 

Diversen

In deze paragraaf noem ik tot slot nog enige publicaties die zich niet lieten onderbrengen bij een van de vorige paragrafen, maar die ik wel nadrukkelijk wil signaleren.
Op 20 januari 2012 hield Jozef B.M. Wissink zijn afscheidsrede als hoogleraar praktische theologie aan de Faculteit Katholieke Theologie van de Universiteit van Tilburg. Hij heeft een sterke diaconale betrokkenheid, zoals blijkt uit zijn lidmaatschap van de redactie van Diaconie in beweging. Handboek diaconiewetenschap (zie boven, onder paragraaf ‘Diaconiewetenschap’) en zijn bijdragen daaraan en zijn deelname aan het Platform Diaconale Ecclesiologie, in 1984 opgericht door de Calamagroep, een beweging van oorspronkelijk priesterarbeiders. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de afscheidsbundel die hem werd aangeboden en die gaat over de vitalisering van de katholieke kerk ook bijdragen bevat die diaconaal relevant zijn, zo over bidden en gerechtigheid, liefde die vindingrijk maakt en kerk en kredietcrisis.
De (katholieke) Stichting Theologisch Vormingswerk Amsterdam verzorgt cursussen onder andere op het gebied van de diaconie. Daaruit voortkomend verscheen als inspiratie en oriëntatie voor een breed publiek van vrijwilligers in het diaconaat en voor degenen die daarin actief willen gaan woorden, het handzame boekje Diaconie in tien woorden.
De Pauluskerk in Rotterdam, in 1980 als diaconaal centrum begonnen door ds. Hans Visser, is een van de meest bekende diaconale centra in het land. Onder leiding van Vissers opvolger, ds. Dick Couvée, kwam op de oude plek een nieuw gebouw tot stand dat op 2 juni 2013 geopend werd. Ter gelegenheid daarvan verscheen het overzichtsboek Pauluskerk Rotterdam.
In Engeland worden sinds het begin van deze eeuw vanuit de anglicaanse en methodistische kerken nieuwe vormen van kerk-zijn gestimuleerd. Van deze beweging voor ‘Fresh expressions and emerging Church’ maakt het Desmond Tutu House in Bradford deel uit. In deze oude industriestad met veel armoede en spanningen tussen groepen van verschillende etnische herkomst, werkt sinds 2005 Chris Howson als ‘City Centre Mission Priest’. Hij doet dit vanuit de bevrijdingstheologie, die als kern heeft dat God aan de zijde van de armen staat. De emerging church movement is daarom naar Howsons mening alleen een teken van Gods liefde en barmhartigheid als het de agenda voor sociale rechtvaardigheid tot de hare maakt. Howson beschrijft de vele activiteiten die vanuit deze agenda plaatsvinden: relaties tussen verschillende bevolkingsgroepen, mensenrechten, klimaatsverandering, internationale solidariteit, het Palestijns-Israëlisch conflict en nog meer. Hoewel de ‘building the Kingdom’-theologie wel eens kort door de bocht is (ik zou daar terughoudender over spreken), is het onderliggende concept – de inzet voor sociale rechtvaardigheid – onmiskenbaar een onlosmakelijk onderdeel van het christelijk geloof.
Erik Sengers, een vruchtbaar auteur op het terrein van kerk en samenleving, bracht een aantal beschouwingen over diaconie bij elkaar in zijn boek Caritas. Sengers pleit ervoor dit begrip te gebruiken en niet ‘diaconie’, omdat dit te zeer met ambt en met de verzorgingsstaat te maken heeft. ‘Caritas’ geeft echter aan waar het in de christelijke zorg voor de naaste overgaat. De bijbehorende spiritualiteit biedt een bron van vernieuwing. Daarnaast vinden we interessante beschouwingen over voor wie diaconie bestemd is, de plaats in de geloofsgemeenschap, de parochiële caritasinstellingen, de relatie met de overheid, de Wmo en nog meer.
Tussen 2008 en 2012 deed Nico van der Perk, diaconaal zzp’er, onderzoek naar diaconale projecten waarbij mensen uit de zogeheten ‘creatieve klasse’, onder wie kunstenaars, werden ingeschakeld. Hij ontdekte veel interessante, stimulerende diaconale projecten waaraan niet-kerkelijke creatieve mensen van harte meewerkten, met als resultaat dat kerken in hun diaconale verlangen veel verder konden komen dan ze hadden verwacht. Door zijn plotselinge dood in 2012, moest het boek dat hij erover schreef -Creatief diaconaat. Voorbeelden uit de praktijk- door anderen worden afgemaakt. Het bevat praktijkvoorbeelden en concrete aanbevelingen en handreikingen.
Uit het bovengenoemde overzicht blijkt dat diaconiewetenschap een breed terrein beslaat en een interdisciplinaire aanpak vergt. De voornaamste onderwerpen komen voort uit diep ingrijpende maatschappelijke, sociaaleconomische en culturele ontwikkelingen, zoals om enige sjabloonachtige steekwoorden te geven: globalisering, herziening van de verzorgingsstaat, migratie en armoede en sociale uitsluiting. Zoals vermeld wordt het beroep op kerken daarbij groter en dat in een tijd van kerkelijke krimp. De vraag naar een adequate diaconale infrastructuur (lokaal, nationaal en internationaal) die toekomstbestendig is, is dan ook van groot belang. Dat was reden om in 2013 een themanummer van Handelingen over diaconaat en gemeenteopbouw te maken. Verdere doordenking is echter nodig.

Herman (prof.dr. H.) Noordegraaf is bijzonder hoogleraar en universitair docent voor diaconaat aan de Protestantse Theologische Universiteit in de vestigingen Amsterdam en Groningen.
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

Literatuur

Albert, A.C. (2010). Helfen als Gabe und Gegenseitigkeit. Perspektiven einer Theologie des Helfens im interdisziplinären Diskurs. Heidelberg: Winter.
Armoede in Nederland 2010. Onderzoek naar hulpverlening door diaconieën, parochiële caritasinstellingen en andere kerkelijke organisaties in Nederland (2010). Utrecht: Kerk in Actie; Noordegraaf, H. (2010). Deelonderzoek 1. Kerken in plattelandsgebieden en armoede in Nederland, een verkennend onderzoek. Utrecht: Kerk in Actie; Noordegraaf, H. (2010). Deelonderzoek 2. Migrantenkerken en armoede in Nederland, een verkennend onderzoek. Utrecht: Kerk in Actie; Nistelrooy, R. van (2010). Deelonderzoek 3. Armoedebestrijding door moskeeën, een verkennend onderzoek. Utrecht: Kerk in Actie; Armoede in Nederland 2013. Onderzoek naar hulpverlening door diaconieën, parochiële caritasinstellingen en andere kerkelijke organisaties in Nederland. Utecht: Kerk in Actie.
Bäckström, A., Davie, G. (eds.) (2010). Welfare and Religion in 21st Century Europe: Volume 1. Configuring the Connections. Farnham: Ashgate; Bäckström, A. e.a. (eds.) (2012). Welfare and Religion in 21st Century Europe: Volume 2. Gendered, Religious and Social Change. Farnham: Ashgate.
Barton, J. (2012). The Theology of the Book of Amos. Cambridge: Cambridge University Press.
Berger, U., Hoppe, R. (2009). Arm und Reich. Würzburg: Echter.
Boele, A. (2013). Leden van één lichaam. Denkbeelden over armen, armenzorg en liefdadigheid in de Noordelijke Nederlanden 1300-1650. Hilversum: Verloren.
Borgman, E. e.a. (2011). Voor anker. Tien jaar omzien naar vreemdelingen in noodopvang. Plexat. Rotterdam: Werkgroep Diakonie voor parochie De Heilige Drie-Eenheid en het Rotterdams Ongedocumenteerden Steunpunt.
Broers, A. (2013). Geld en goed. Lessen voor welwillende kapitalisten. Vught: Skandalon.
Cloke, P. e.a. (eds.) (2013). Working Faith. Faith-based Organisations and Urban Social Justice. Crownhill: Paternoster.
Cooper, N., Dumpleton, S. (2013). Walking the breadline – The scandal of food poverty in 21th century Britain. Manchester: Church Action on Poverty.
Davelaar, M. e.a. (2012). Naar een hoger plan. De vrijwillige inzet van internationale en migrantenkerken in Den Haag. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut; Noordegraaf, H. (2010). Armoede in Nederland 2010. Deelonderzoek 2. Migrantenkerken. Utrecht: Kerk in Actie.
Diaconia. Journal for the Study of Christian Social Practice. Vandenhoeck&Ruprecht, Göttingen (www.v-r.de).
Dierckx, D. e.a. (eds.) (2009). Faith-based Organisations and Social Exclusion in European Cities. National Context Reports. Leuven/Den Haag: Acco; Davelaar, M. e.a. (2011). Faith-based Organisations and Social Exclusion in the Netherlands. Leuven/Den Haag: Acco; Davelaar, M. e.a. (2010). Buitengewoon alledaags. De rol van levensbeschouwelijke organisaties bij het bestrijden van sociale uitsluiting in Tilburg. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut; Davelaar, M., Toorn, J. van den (2010). Geloof aan het werk. De rol van levensbeschouwelijke organisaties bij het bestrijden van sociale uitsluiting in Rotterdam. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
Dorr, D. (2012). Option for the Poor and for the Earth. Catholic Social Teaching. Maryknoll: Orbis Books.
Dubois, O.W. (2010). Reddende liefde. Het werk van de Heldringstichtingen in Zetten 1847-2010. Hilversum: Verloren.
Eerbeek, J. (2013). Gaan in het licht van de hoop. Amsterdam: Ark Media.
Eurich, J., Barth, F., Baumann, K., Wegner, G. (Hrsg.) (2011). Kirchen aktiv gegen Armut und Ausgrenzung. Theologische Grundlagen und praktische Ansätze für Diakonie und Gemeinde. Stuttgart: Kohlhammer.
Eurich, J., Hübner, I. (ed.) (2013). Diaconia against Poverty and Exclusion in Europe. Leipzig: Evangelischer Verlagsanstalt.
Faber, P. e.a. (red.) (2012). Samen rijker. Voor en door vrijwilligers. Amsterdam: Stichting Samenwonen-Samenleven/Stichting IHSAN.
Fafié, Th. A. (2011). Lutherse diaconie in (de) Nederland(en). In: H. Crijns e.a., Diaconie in beweging. Handboek diaconiewetenschap (203-211). Z.p.: Kok..
Fafië, Th. A. (2009). Schuiling gezocht. De Lutherhof aan het Staringplein te Amsterdam (1909-2009). ’s-Gravenhage: Stichting Lutherse Uitgeverij en Boekhandel.
Gootjes, K. (2011). Duurzaam beleggen en kerkelijke instellingen. God, Geld en Geloof. Utrecht: VDBO (Vereniging voor Beleggers voor Duurzame Ontwikkeling).
Heijst, A. van, Derks, M., Monteiro, M. (2010). Ex caritate. Kloosterleven, apostolaat en nieuwe spirit van actieve vrouwelijke religieuzen in de 19e en 20e eeuw. Hilversum: Verloren.
Hellemans, S., Eijnden, J. van den, Rentinck, P. (red.) (2012). Een katholieke kerk met toekomst. Bergambacht: 2VM.
Hogema, H.A. (2012). Diaconie in tien woorden. Amsterdam: Stichting Theologisch Vormingswerk.
Pauluskerk Rotterdam. Overwin het kwade door het goede (2013). Rotterdam: Pauluskerk.
Howson, C. (2011). A Just Church. 21st century liberation theology. London: Continuum.
Humaniteit in vreemdelingenbewaring. Ervaringen van het r.-k. justitiepastoraat. Den Haag: Justitia et Pax.
Jager-Vreugdenhil, M. (2012). Nederland participatieland? De ambitie van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de praktijk in buurten, mantelzorgrelaties en kerken. Amsterdam: Vossiuspers UvA.
Noordegraaf, H. (2012). Kerk en Wmo. De eerste vijf jaren (2007-2011). Een onderzoek naar (kritische) participatie van kerken in de Wmo. Groningen: Stichting Rotterdam.
Jong, N. de (2012). 10 jaar voedselbank. Iedereen aan tafel. Rotterdam: Trichis Publishing BV.
Kooi, A. (eindredactie) (2012). Laat Hou me los vast. Utrecht: Kerk in Actie.
Kruis, G., Jungmann, N., Blommesteijn, M. (2011). Maatschappelijk rendement van vrijwilligersprojecten in de schuldhulpverlening. Amsterdam: Regioplan; Bulsink, D., Nederland, T., Stavenuiter, M. (2012). Kwaliteitsverbetering schuldhulpverlening. Evaluatie van de ‘Spekman- en Ortega-Martijn’projecten, onderzoek in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut. Zie ook: www.schuldhulpmaatjes.nl.
Lems, H. (red.) (2011). Investeren in je/de missie! Duurzaam beleggen door kerken. Utrecht/Zoetermeer: Protestantse Kerk in Nederland/Boekencentrum.
Longenecker, B.W. (2010). Remember the poor. Paul, poverty and the Greco-Roman World, Grand Rapids: Eerdmans.
Lorenz, S. (2012). Tafeln im flexiblen Überfluss. Ambivalenzen sozialen und ökologischen Engagements. Bielefeld: Transcript.
Lutheran World Federation (2009). Diakonia in Context. Transformation, Reconciliation, Empowerment. An LWF Contribution to the Understanding and Practice of Diakonia. Geneva: The Lutheran World Federation.
Make Change Yourselves! Handbook for empowering Young people in everyday life (2011). Tesin: Interdiac; Addy, T. (ed.) (2012). Community Development & Diaconia. Case Studies from Central and Eastern Europe. Tesin: Interdiac; Addy, T. (ed.) (2012). New Directions in Voluntary Action and Community Engagement. Tesin: Interdiac.
Manen, K.G. van (2011). Lutheranen in de Lage Landen. Geschiedenis van een godsdienstige minderheid. Zoetermeer: Boekencentrum.
Meeuws, H. (2011). Diaconie. Van grondslagenonderzoek tot een pleidooi voor een diaconale mystagogie. Gorinchem: Narratio.
Mostert, G. (2011). Marga Klompé 1912-1986. Een biografie. Amsterdam: Boom.
Noordegraaf, H., Stoppels, S., Well, H. van (red.) (2013). Diaconaat en gemeenteopbouw. Themanummer Handelingen 2013/2.
Noordegraaf, H., Witte-Rang, G. (2011). In de wereld werkzaam zijn. Anders denken over kerkelijk optreden door het MCKS 1981-1998. Vught: Skandalon.
Nordstokke, K. (2011). Liberating Diakonia (2011). Trondheim: Tapir Akademisk Forlag.
Oelschlägel, C. (Hrsg.) (2011). Diakonische Einblicke. DWI-Jahrbuch 41 (2010). Heidelberg: Diakoniewissenschaftliches Institut; Kauderer, D. (Hrsg.) (2012). Forschungswerkstatt Diakonie. DWI-Jahrbuch 42 (2011). Heidelberg: Diakoniewissenschaftliches Institut. Zie ook www.dwi.uni-hd.de.
Perk, N. van der (2013). Creatief diaconaat. Voorbeelden uit de praktijk. Vught: Skandalon.
Puggioni, R. (2013). The Social and Economic Message of Benedict XVI’s Caritas in Veritate in the Perspective of Roman Catholic Social Doctrine. Leiden: Leiden Institute for Religious Studies, Faculty of Humanities, Leiden University.
Reinders, H. (2010). Geen leven zonder vriendschap. Over mensen met een ernstige beperking. Zoetermeer 2010. Zie de uitvoerige bespreking door Alma Lanser, ‘De levensnoodzakelijkheid van vriendschap’, in: Handelingen 2009/5, 23-31.
Rüegger, H., Sigrist, C. (2011). Diakonie – eine Einführung. Zur theologischen Begründung helfenden Handelns. Zürich: Theologischer Verlag Zürich.
Sengers, E., Koet, B. (red.) (2010). Chesed, caritas, diaconie, zakaat. ‘Zorg voor de naaste’ in jodendom, christendom en islam. Delft: Eburon.
Sengers, E. (2012). Caritas. Naastenliefde en liefdadigheid in de diaconia van de kerk. Delft: Eburon.
Sinninghe Damsté, W. (2011). Gedeelde zorg. De rol van de Nederlandse Hervormde Kerk / Protestantse Kerk in Nederland bij de bestrijding van armoede in relatie tot de overheidstaak. Purmerend: FAMA.
Waal, H. de (2011). Diaconaat en het ouder worden van kerk en samenleving. Vierde Diaconale Lezing, Groningen: Stichting Rotterdam; Roor, B., Well, H. van (2012). Diaconaat als kans. Twee casestudies in diaconale gemeenteopbouw. Vijfde Diaconale Lezing. Groningen: Stichting Rotterdam. Deze lezingen verschenen in gedrukte vorm, maar zijn ook te vinden op de website van de Stichting Rotterdam: www.stichtingrotterdam.nl/actueel. Daar is ook de lezing van Carlos Ham te vinden: Transformative Diakonia in a Rapidly Changing World.
Wit, Th. De, Vries, R. de, Eijk, R. van (red.) (2013). Grensverkeer. De meerstemmigheid van de geestelijk verzorger bij justitie. Nijmegen: Wolf Legal Publishers.

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn