Jaargangen

Logo

Editieredactie: Gerrit Immink, Evert Jonker, Alma Lanser & Hans Siemerink

 

1. Vragen roept vragen op

Met dit themanummer, gewijd aan het vraaggebed, hopen we pastores te dienen in hun theologische reflectie op de vraag wat ze doen als ze vragen stellen aan God in liturgie en pastoraat, en hen te ondersteunen in hun bidden met en voor mensen.
Het vraaggebed is een specifieke modaliteit van bidden. Bidden slaat doorgaans op een breed scala van activiteiten (meditatie, mijmeren over de zin van het leven, zich op gezette tijden min of meer bewust openstellen voor en zich georiënteerd weten op een ‘ultimate concern’, bidden voor of na het eten, een avondgebed uitspreken, gezamenlijk in de kerkdienst bidden, biddend bijbellezen enz.). Meer specifiek kan bidden worden gezien als het zich uitdrukken in gedachten en woorden ten overstaan van God of – in een nog meer toegespitste vorm – als spreken tot God. Dat specifieke bidden kent verschillende modaliteiten: klagen, aanklagen, vragen, danken, aanbidden. We beperken ons binnen dit vijftal tot het vraaggebed als een specifieke, veel voorkomende en ook veel vragen oproepende vorm van bidden.
Bidden is een respons op Gods heilzame woorden en daden. Vragen en klagen, danken en aanbidden, verhaal doen en verhaal halen, roepen uit de diepte en stil zijn, zingen en spreken: het geschiedt buiten en binnen de kerk van alle tijden en plaatsen. In elk geval is een kenmerk van de kerk dat ze een biddende gemeenschap is, die zich in allerlei toonaarden uitspreekt voor – bijbels gezegd – het aangezicht van God. De dienaren in de geloofsgemeenschap, zoals pastores, kunnen met enige overdrijving beroepsbidders worden genoemd. Bidden is niet alleen hun professie in de meerdere gebedsvormen in de liturgie, maar ook in het pastoraat, dat kan worden opgevat als ‘kijken of er iets te bidden valt’. Een pastor verwoordt de pijn en het verlangen van mensen, zoekt naar redenen en mogelijkheden in de werkelijkheid van alledag om met alle fijnzinnigheid en onderscheidingsvermogen de juiste vraag te vinden en onder woorden te brengen waarop het in de gebedssituatie aankomt voor God en mensen. Bidders hebben meestal het eerbiedige besef dat God groter is dan hun hart en meer kan geven dan zij vragenderwijs als antwoorden kunnen bedenken. Zoals een ochtendlied het uitdrukt – nota bene als vraag aan God:
‘O Heer, die ons uw liefde geeft waardoor ’t geloof dit uitzicht heeft, sta Gij ons bij en help ons dan meer dan ons lied U vragen kan’.
(Liedboek voor de Kerken, Gezang 381:5).
Mensen bidden, ook als geloof en de kerk allang uit hun gezichtsveld zijn verdwenen of nooit in het vizier waren. Ze doen aan de grenzen van hun kunnen en kennen schietgebeden, stellen hun prangende vragen, luidkeels, maar ook in stilte. Ze vatten bidden vaak allereerst op als vragen aan of ten overstaan van een ultieme zin of vrijheid of aan en ten overstaan van de drie-enige God. Ondanks deze algemene vanzelfsprekendheid van bidden als vragen is het vraaggebed niet zonder problemen.
Om de gedachten bij enkele kwesties te bepalen: welke relatie tussen vraagsteller en adres ligt aan het vraaggebed ten grondslag? Wie veronderstelt een bidder al biddend dat God is? Wat vraag je wel en wat vraag je niet? Waar bid je om? Om gehoorzaamheid? Om iets materieels, of alleen om iets geestelijks? Bid je om God? Zodat je kunt zeggen dat de ervaren aanwezigheid van God de verhoring is? Is bidden wel nodig, waar God toch al weet wat nodig is, nog voor het wordt gevraagd? In hoeverre is regelmatig bidden een plicht, zoals het volgende gebed suggereert?
‘Mijn God. U hebt me geboden te bidden en te geloven, dat het gebed wordt verhoord. Daarom bid ik en daarop verlaat ik mij: U zult me niet verlaten en mij het rechte geloof geven’ (Maarten Luther, Gebeden, Baarn 1979, 13).
Ander punten van overweging. Het vraaggebed heeft een reinigende functie (catharsis). Het dient het komen tot zelfinzicht. Men kan zich afvragen of het gebed niet eerder een vorm van zelfconstructie is dan het beïnvloeden van God. Ook de vraag naar de relatie tussen de verantwoordelijkheid om de boontjes zelf te doppen en de vraag aan God om handelend bij te staan, is niet zomaar te beantwoorden. In Tibet gebruikt men gebedsvlaggen en gebedsmolens – mijn kinderen brachten deze mee uit het Verre Oosten – vanuit de gedachte dat de wensen in beweging moeten worden gebracht, wil de goddelijke wereld er aandacht voor hebben. Kant spreekt daarover in termen van waan en bijgeloof als hij dat wat men buiten de goede levenswandel nog aan Gode welgevalligs meent te moeten doen ‘blosser Religionswahn und Afterdienst Gottes’ noemt. Bijgeloof, dat een verlicht mens misstaat (Kant, Die Religion innerhalb der Grenzen der blossen Vernunft in: Kant Werke, herausgegeben durch W. Weischedel Teil VII, Darmstadt 1975, 842-847). Trouwens, hoe ver staat het vraaggebed van magisch handelen af? Veronderstellen bidders werkelijk in hun vragen zoiets als invloed op ombuiging van bestemming of voorzienigheid? Ook is er verschil tussen een toegespitst vraaggebed in een pastorale relatie (waar de pastor meestal eerst bespreekt waarvoor moet worden gebeden) en de vraaggebeden in de eredienst (voorbede), die zo geformuleerd moeten zijn, dat de kerkgangers ze kunnen herkennen als hun gebeden en er aan kunnen participeren. Soms zijn vraaggebeden zodanig alomvattend onder woorden gebracht dat niemand (ook God niet) er een buil aan kan vallen. Dan worden vragen alleen gesteld, voorzover ze niet vooronderstellen dat God een God is die tussenbeide komt in het menselijke bestaan.

 

2. Vragen aan de medewerkers van het themanummer

Deze opsomming maakt al duidelijk dat we onszelf zouden overschatten als we alle aspecten van vragen aan de orde zouden stellen in dit themanummer. Daarom hebben we ons beperkt tot de bespreking van enkele kwesties en mogelijkheden, die zich voordoen als pastores in een vraaggebed bidden met en voor mensen in pastoraat of liturgie. De auteurs hebben hun bijdrage geschreven tegen de achtergrond van de volgende vragen. Hun is gevraagd concrete gebeden in hun reflectie te betrekken.

1. Waar ligt volgens u het probleem bij het vraaggebed?
Welke achtergronden en vooronderstellingen zijn volgens u in het geding?

2. Wat?
Wat is volgens u een geoorloofde vraag? Kunnen we in principe onbekommerd alles vragen? Bidden om genezing? Om regen? Of is er sprake van selectie? Van onderscheid in natuurlijke zaken, in materiële zaken en in mentaliteitsaangelegenheden (kracht, vergeving enz.)? Op grond waarvan worden volgens u selecties gemaakt?

3. Wie?
Iets vragen aan God houdt in dat bidders deelhebben aan een machtsbereik, mogelijk een goede macht die de wereld stuurt en stuwt. Tegelijk benoemt de bidder al biddend een heils- en machtsbereik in de zekerheid (de hoop?) dat God in de performatieve acte van het vraaggebed present komt. Vragen aan God veronderstelt anamnese en anticipatie. Wie bidt, herinnert aan eerder ervaren heil van Godswege. Drukt verwachtingen uit van God. Welke is de relatie tussen de vraag en Gods geschiedenis met mensen in verleden en toekomst?
Tegelijk wordt bidden als vragen ervaren als een zelfgesprek, een intensieve expressie van eigen gevoelens, gedachten en wensen. Een innerlijke afweging van waar het voor de bidder uiteindelijk op aankomt in de vraag. Bidden is vanuit jezelf tot jezelf spreken voor een derde in jezelf, zei Valéry ergens. Hoe verhoudt deze psychologische kant van het vraaggebed als expressie van een dialogisch zelf zich tot God als een actieve macht van liefde en zorg?

4. Antwoord?
In een vraaggebed wordt gehoopt op grensverlegging en wordt uitdrukking gegeven aan het besef dat er in de gebedssituatie meer in het spel is dan wij mensen kunnen doorgronden. Wat is in het vraaggebed gehoopt als een goede inwilliging van de vraag door God? Wat is het aandeel van de gemeente in de beantwoording van de vraag? Bijvoorbeeld: wat verwacht iemand die om een schoon milieu bidt van God? En van zichzelf? En van de geloofsgemeenschap? Iemand die bidt om een schoon milieu, maar afval overal dumpt, is niet geloofwaardig.

 

3. Aanpak

We hebben getracht de aanpak bescheiden te houden. Meestal opteert een themanummer voor een empirische route. Na een inhoudelijke probleemverkenning volgt een empirisch gedeelte, waarin de praktijk wordt verkend. Vervolgens vindt een praktisch-theologische verwerking en beoordeling van de getoonde praktijk plaats en ten slotte worden in een laatste deel mogelijk nog voorstellen voor de vernieuwing van de praktijk gedaan. Deze drieslag van zien, oordelen en handelen is beproefd, vooral als de samenhang tussen de verschillende onderdelen klip en klaar voor het voetlicht komt. Wij zijn in die zin afgeweken van deze drieslag dat we van de poging hebben afgezien om in de korte tijd van voorbereiding van het themanummer een volgorde en samenhang aan te brengen.
We hebben nu gekozen voor een onzes inziens vruchtbare manier van doen, waarin we de stappen niet na elkaar zetten, maar naast elkaar.
(1) Een empirische benadering, waarin pastores voorbeelden geven van hun praktijk van vragen en daarop ook theologisch reflecteren. Langs die weg komt de praktijk in samenhang met de eigen reflectie op de praktijk naar voren. De vier bijdragen (De Vries, Koetsveld, Van Gaal en Velema) worden nog eens in samenhang bezien door een van ons (Lanser-van der Velde). Verrassend bleek in deze bijdragen meteen al dat een themanummer over bidden om een combinatie van precies taalgebruik en een persoonlijke toon vraagt. Bovendien is het verrassend dat een niet zo bekend artikel van een Firet over leren bidden uit 1977 op inspirerende wijze dienst kon doen als theoretische ordening van deze bijdragen.
(2) Daarnaast zijn we meteen begonnen met een fundamentele en problematiserende benadering van het vraaggebed. Immink plaatst praktisch-theologische notities bij het vraaggebed. Hij tast onder meer de grenzen van het vragen af. Sarot vraagt zich af of vragen om ingrijpen in de loop der dingen wijsgerig plausibel is. Zowel Immink als Sarot brengen hun persoonlijke ervaring in. Siemerink beschouwt het vraaggebed vanuit de taaldadentheorie van Austin en Searle. Dat leidt tot een verrassende kijk op vragen en tot een differentiatie in het soort vragen. Voor de lezer kan het boeiend zijn de overeenkomsten en verschillen in benadering tussen Immink en Sarot aan de ene kant en Siemerink aan de andere kant op te sporen. Heyen neemt een godsdienstpsychologisch en godsdienstpedagogisch perspectief in als hij verslag doet van een onderzoek naar kindergebeden. Hij vraagt zich af in hoeverre vraaggebeden de eigen verlangens wegdrukken of juist erkennen.
(3) En deze fundamentele beschouwingen worden geflankeerd door beschouwingen over manieren van doen in de praktijk: Menken-Bekius schrijft over de mogelijkheid en moeilijkheid van het vraaggebed door pastores, die in gesprek zijn met mensen die veel pijn lijden. Waayman doet verslag van de manier waarop het vraaggebed in een cursus spiritualiteit een plaats kan hebben. Hij komt met voorbeelden uit de Psalmen. Jonker bespreekt vier voorstellen om gemeenteleden of parochianen in leerprocessen te laten reflecteren op hun eigen vragen en vraaggebeden.

 

4. Tot slot

In onze besprekingen binnen de subredactie bleek soms dat we vonden dat we alles mochten vragen en soms vonden we dat onbetamelijk en kwamen we uit bij terughoudendheid. Soms gingen we naïef ver in het bedenken van wat God allemaal zou kunnen doen en tegelijk beseften we hoezeer het ons bezighield dat de biddende mens met zichzelf in gesprek raakt. Als auteur namens de redactie van deze inleiding brengt me deze spanning bij wat ik eens las in een van de in totaal veertien christelijke toespraken over de leliën des velds van Kierkegaard (1849 XI,16).
‘De ware bidder ligt soms iets op het hart, dat heel belangrijk voor hem is, dat hem bezighoudt, dat hij voor alles tracht zich precies voor God verstaanbaar te maken, bang als hij is dat hij iets vergeten zou. En als hij het vergeten heeft te zeggen, is hij weer bang dat God Zich dat niet uit Zichzelf zou herinneren: om al deze redenen wil hij dan heel zijn geest concentreren tot waarachtig innerlijk gebed. Maar wat gebeurt er dan, als hij innerlijk bidt? Hoe meer hij zichzelf in zijn gebed verinnerlijkt, des te minder en minder heeft hij te zeggen. Totdat hij uiteindelijk helemaal stil wordt . Hij wordt helemaal stil en wat is er meer tegengesteld aan het spreken dan de stilte? Zo is hij hoorder geworden. Hij meende, dat bidden spreken was en hij leerde dat bidden slechts zwijgen is, maar ook luisteren. En zo is het. Bidden betekent niet, dat je jezelf hoort spreken, maar het is langzamerhand leren zwijgen en blijven zwijgen, om te verwachten dat je God dan hoort spreken.’
Afgezien van de mannelijke vorm en afgezien van mogelijke misverstanden van deze passage, deze spanning tussen spreken en luisteren is te herkennen in veel van de bijdragen in dit themanummer. Vragen stellen aan God brengt de bidder vaak zelf in haar of zijn zelfreflectie bij het voor haar, voor hem, of voor de ander ene nodige.

 

I. Inleiding

Evert Jonker, Het vraaggebed. Inleiding (407)

II. Empirisch: praktijkverhalen & reflecties

Alma Lanser, Inleiding op het empirisch deel (413)
Anneke de Vries, Het vraaggebed in het pastoraat (415)
Herman Koetsveld, ‘Ik luister meer als ik bid en ik bid meer als ik denk’ (421)
Dorris van Gaal, Vragen krijgen, geven of ontvangen?
(428)
Velema, Arjen, Teksten van een legerpredikant (433)
Alma Lanser, Verlangen en ontvangen. Reflectie over de praktijkbijdragen (439)

III. Theoretisch: theorie van de praktijk

Gerrit Immink, Kun je alles aan God vragen? Praktisch-theologische notities bij het vraaggebed (449)
Marcel Sarot, Ik laat u niet gaan, tenzij Gij mij zegent. Wijsgerige reflecties over vraaggebed (464)
Hans Siemerink, Wat doen wij als wij bidden? (480)
Heye Heyen, Ontkenning of erkenning van de eigen verlangens? Godsdienstpsychologische aspecten van een weinig opgemerkte functie van het smeekgebed (495)

IV. Praktisch: manieren van doen in de praktijk

Corja Menken-Bekius, Bidden als alles pijn doet. Het vraaggebed in het pastoraat aan mensen die pijn lijden (508)
Kees Waaijman, Vragen als geestelijke weg (518)
Evert Jonker, ‘Het verlangen bidt, ook als de tong zwijgt’. Leren vragen (531)

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn