2015

Logo

Handelingen2015 2 omslagEditieredactie: Henk de Roest & Sake Stoppels

 

INLEIDING | Henk de Roest & Sake Stoppels
Missionair kerk-zijn in het dorp
Missionair kerk-zijn doet het momenteel goed binnen de Nederlandse kerken. Breed zoeken lokale gemeenten en parochies naar missionaire aanwezigheid binnen de eigen context. We zien vooral in steden veel nieuwe missionaire initiatieven en experimenten, maar ook in dorpen wordt gezocht naar presentie en dienst. (Groot)stedelijke initiatieven zijn vaak wat opvallender en gedurfder dan initiatieven in dorpen en middelgrote plaatsen en trekken daarom doorgaans ook meer de aandacht. In dit nummer concentreren we ons juist op missionair zijn op het dorp.

U kunt de hele inleiding lezen door te klikken op Inleiding

 

CASUS 1
Groenmarkt in Droogveen: veredeld hobbyisme?

Droogveen is een dorp in het oosten van het land, met één (dorps)kerk, die niet zo’n centrale plek heeft in het dorp (noch geografisch, noch sociaal-maatschappelijk). De kerk heeft vanouds weliswaar een vanzelfsprekende betekenis, maar in de laatste decennia is ze wat in de vergetelheid geraakt. Soms vragen mensen zich af of er nog wel diensten gehouden worden in het kerkje.
Met de komst van de nieuwe predikant heeft de kerkenraad als één van de beleidsspeerpunten de plek van de kerk in het dorp benoemd. Het is de bedoeling dat de kerk zichtbaarder wordt, onder meer door verbindingen aan te gaan met andere ‘partijen’ in het dorp: winkeliersvereniging, ondernemers, scholen, rooms-katholieke parochie, burgerlijke gemeente.
De predikant speelt een centrale rol in het nadenken over dit streven. Er is geen werkgroep Apostolaat of zendingscommissie, alle uitvoerende taken liggen bij de kerkenraad. Er wordt een aantal initiatieven opgestart, elk met eigen werkgroepjes die weer een lijntje hebben naar de kerkenraad. Eén van de initiatieven wordt hieronder uitgelicht: de Groenmarkt.
(…)
Vragen en overwegingen
De Groenmarkt is onder de vlag van ‘missionaire gemeente’ geplaatst, maar je kunt je afvragen of het wel echt missionair is. Is er een grondige bezinning binnen de kerkenraad (of sterker nog: binnen de gemeente) aan vooraf gegaan? (antwoord: nee). Wordt het door de gehele kerkenraad als een missionaire activiteit gezien? (gezien de opmerking van de kerkrentmeesters ‘het moet geen geld kosten’: nee). Is het ook niet (of misschien wel vooral) een manier van de zorgkweekster om haar eigen plantjes te kunnen verkopen en van de dominee om een groep vrijwilligers door zijn achtertuin te kunnen jagen? (in beide gevallen: zeker!). Is het dus wel missionair? Is het geen veredeld hobbyisme?

REACTIE op casus 1 | Rein Brouwer
Veredeld hobbyisme? ‘So what?’

Geachte Droogveense collega,
Dank dat je ons hebt laten delen in dit missionaire (als het dat is?) initiatief in je dorp. Dank ook voor de lichte, enigszins relativerende toon waarmee je het project en het succes beschrijft. Wellicht heeft dit bijgedragen aan het feit dat ik de casus gelezen heb met een brede glimlach op mijn lippen. Het riep onweerstaanbare associaties op met de Britse soap ‘The Vicar of Dibly’.

 

CASUS 2
Welk verhaal vertelt ons dorp? Help ons het te ontdekken!

In onze plattelandsgemeente hebben we een kerkgebouw gesloten. We hebben het aangedurfd om het andere kerkgebouw te renoveren; we hebben de zalenruimtes bij de tijd gebracht, en het ziet er werkelijk schitterend uit. Inmiddels gebruiken we het volop: we houden tentoonstellingen, we kunnen weer vieren zoals ons voor ogen staat en niets staat ons geluk meer in de weg.

Het knaagt …
En juist daar knaagt het bij mij als voorganger. Een van de uitgangspunten voor beleid is dat we kerk voor het dorp willen zijn. Maar ons vernieuwde gebouw ligt tussen een aantal buurtschappen in. We zijn weggetrokken uit de grootste kern en daar hadden we met het dorp meer over kunnen overleggen. Toch lijken we de band met het dorp niet kwijt te zijn. De mensen van het dorp (buiten onze kerkgemeenschap) hebben ruimhartig meegeholpen bij de renovatie van ons gebouw en ze waren in groten getale bij de opening. Maar toch.
(…)
We kennen elkaar wel. We kennen elkaar al zo lang. We weten wel hoe de hazen lopen. Dat hoeven we niet uit te zoeken. En toch, als ik een betrokken jongere van 25 vraag: ‘Wat hebben jouw generatiegenoten nou nodig?’, dan valt het stil.
Daarom is de casusvraag: help mij en onze gemeente om het verhaal van dit dorp en dit plattelands-kerkgebouw te ontdekken, te vertellen, te delen, zodat het verhaal van de Opgestane klinkt.

REACTIE op casus 2 | Stefan Paas
Gast of vreemdeling in het eigen dorp

Beste voorganger,
Graag grijp ik de ietwat apostolische setting van dit nummer van
Handelingen aan om je als mede-dienaar en mede-oudste allereerst genade en vrede toe te wensen van onze Heer. Ik ben dankbaar voor wat je schrijft over je verlangen naar een gesprek tussen het verhaal van de Opgestane en het verhaal van het dorp waar je herder bent. De kerk is missionair, gezonden, naar haar aard en zodoende is er altijd onrust. Van wereldsteden tot piepkleine dorpen: overal geeft de Geest heilige zwerfdrift aan mensen.

 

CASUS 3
Kerk zijn voor zoekers naar zin en spiritualiteit

De kerkelijke gemeente is een doorsnee plattelandsgemeente in een dorp op het Groningse Hogeland. Zij wordt gevormd door een federatie van een hervormde gemeente en een gereformeerde kerk. Er zijn rond de 500 leden. Ik werk er als predikant met een aanstelling van 70 procent. Ook in ons dorp ontkomen we niet aan de terugloop van het aantal leden. De zondagse erediensten worden bezocht door rond de 70 mensen, maar het aantal reguliere kerkgangers loopt gestaag terug. In dit proces vallen mij een paar dingen op. Mensen blijven niet weg, omdat het hen tegenstaat; het zijn vooral de drukte van het dagelijks leven en de volle agenda die de betrokkenheid bij de kerk in de weg staan. Daarnaast zijn de kerkgangers kritisch. Ze kiezen wat hen aanspreekt en blijven weg wanneer het hen niet aanspreekt.

Liturgisch present
In de loop van de jaren is in de gemeente het verlangen gegroeid om als kerkgemeenschap een rol in het dorp te hebben. We willen graag de mensen bereiken die zijn afgehaakt, maar ook hen die niet met de kerk zijn opgegroeid maar wel behoefte hebben aan spirituele verdieping en zingeving. Daarom besluiten we om bij de organisatie van de diensten aan te sluiten bij de wensen van deze groepen. We kiezen daarvoor twee momenten in het kerkelijk jaar: de Stille Week en de Gedachteniszondag.
(…)
Samengevat is de vraag dus deze: in hoeverre bewijzen we de kerk en de mensen een dienst wanneer we in de vieringen inspelen op de behoeften van zoekers naar zin en spiritualiteit?

REACTIE op casus 3 | Sake Stoppels
Missionair op maandag

Beste predikant,
In een dorp is het vaak niet zo eenvoudig de koers van de kerk echt te veranderen. Kerkelijke tradities en culturen, de dorpsadat en de verwevenheid met klassieke dorpspatronen kunnen vernieuwing behoorlijk in de weg staan (Brouwer 2011). Daarom verdient jullie zoektocht veel waardering. Er is openheid naar het dorp en een verlangen er werkelijk dienstbaar aan te zijn. Je legt met de vraag waar je mee eindigt een belangrijke kwestie op tafel. Je laat met die vraag ook een spanning zien die kennelijk zit ingebakken in de koers van de gemeente. Mijn reflectie, toegespitst op de inzet bij vieringen, cirkelt ook rond deze kwestie.

 

CASUS 4
Grenzen aan de gastvrijheid?

De protestantse gemeente is klein en grijs; ze leeft, net als heel het eiland, van de gasten van de wal. Omdat het eiland als het ware uitnodigt tot contemplatie en bezinning, mede door de prachtige natuur vlak om het dorp en de kerk heen, worden vele bezoekers gestimuleerd tot allerlei meditatieve activiteiten en oude en nieuwe vormen van spiritualiteit. Er is een grote diversiteit onder de bezoekers van de kerkdiensten, van mensen die geen zondag overslaan tot hen die voor het eerst in dertig jaar de eredienst bezoeken. De fysieke afstand tot het dagelijkse leven ‘aan de wal’ schept kennelijk een geestelijke ruimte, die tot nieuw perspectief en heroverweging van traditionele vanzelfsprekendheden kan leiden. Zo vindt hier uitwisseling plaats in oecumenische verband tussen mensen die ‘thuis’ nauwelijks buiten hun eigen kring komen.
(…)

Vragen
De persoonlijke vraag die me bezig blijft houden is: had dit anders kunnen of moeten gaan? Was het met meer inzet of dienstbaarheid van mijn kant wel mogelijk geweest tot een voor alle betrokkenen zinvolle samenwerking te komen? Een tweede vraag is meer algemeen: mag je een oecumenische instelling eisen van mensen die, met welk motief dan ook, toenadering tot ‘de kerk’ zoeken? Een derde vraag is deze: is betekenisvolle dienstverlening zonder voorwaarden mogelijk? Of is de enige begaanbare weg gelegen in het over en weer helder aangeven van de motieven, doelen en belangen en dus ook van de grenzen?

REACTIE op casus 4 | Harm Dane
‘Nee, niet nog meer dienstbaarheid!’

Beste predikant,
Dank voor je casus. Je beschrijft helder het dilemma en eerlijk de knoop waar je mee zit nadat de kerkenraad een besluit genomen heeft. De beschrijving van je (grenzen van) gastvrijheid geeft me aanleiding tot twee bespiegelingen, de eerste over gastvrijheid, de tweede over de gastheer/gastvrouw.

 

CASUS 5
Op zoek naar zin op zondagmorgen

In de protestantse gemeente van een middelgroot provinciestadje, waar ik als predikant aan verbonden ben, zien we ook de neergang van de kerkelijke betrokkenheid. Het ledental loopt terug en vergrijst. Met name op zondagmorgen is dat goed zichtbaar. In onze stad zijn zes wijkgemeenten die steeds meer samenwerken. Op bestuurlijk vlak is gekozen voor samenvoegen van wijken. De bedoeling is om tot drie, krachtige, wijkgemeenten te komen.
Parallel aan dit convergentieproces, groeit de behoefte aan meer diversiteit of profilering. Nu we meer samen werken, en vanuit het geheel denken, komt daar ruimte voor. Dat ‘we’ op zondagmorgen op zes verschillende plekken in de stad, min of meer hetzelfde aanbieden tussen 10.00 en 11.00, wordt als een gemiste kans gezien. Tegelijk is er onder sommige kerkelijk betrokkenen behoefte om zondagsvieringen anders in te vullen, met meer ruimte voor inbreng van de deelnemers.
(…)
Een paar dilemma’s:
- Het blijkt lastig om steeds goede interactieve vormen te bedenken. De bijeenkomsten tenderen soms al te makkelijk naar het model: lezing met vragen, en dat willen we juist niet.
- De locatie van een monumentaal kerkgebouw lijkt geen drempel op te werpen. Mensen waarderen het eigen karakter van de kerk en voelen zich welkom (een experiment op de bovenverdieping van een grand café pakte niet goed uit). Nu we op zoek gaan naar een nieuw onderkomen, is de vraag of we voor een locatie in het centrum moeten kiezen of toch voor een beschikbaar kerkgebouw, dat enigszins buiten de stadskern ligt.
- We weten niet goed wie de deelnemers zijn. Uiteraard wisselt dat per bijeenkomst, al zijn er een aantal vaste bezoekers. Deels lijken dat kerkleden te zijn, die aangesproken worden door deze vorm. Het is onduidelijk of ons project ook 'buitenstaanders' bereikt.

REACTIE op casus 5 | Henk de Roest
Wie heeft zin in ‘zin-in-zondag’?

Beste predikant,
In zijn boek Introduction to Practical Theology maakt de auteur, Rick Osmer, gebruik van een indeling in vier fasen, die helpen om een bepaald probleem dat zich in een geloofsgemeenschap voordoet, te analyseren. Deze indeling in ‘waarnemen-interpreteren-normeren-handelingsadvies’ vormt een variant op de aloude drieslag ‘zien-oordelen-handelen’ van Jozef Cardijn. Het ‘zien’ wordt bij Osmer in tweeën geknipt: het gaat zowel om het vinden van een antwoord op de vraag ‘what is going on?’ als om een antwoord op de vraag ‘why is this going on?’. Daarna is pas een (normatief) oordeel mogelijk:’what ought to be going on?’ en pas in vierde instantie komt de vraag naar het handelingsadvies aan de orde: ‘how can we respond?’. Deze indeling hanteer ik ook losjes in deze reflectie en ik moet dus allereerst meer weten over wat er gaande is in de zinnige zondagen die je beschrijft.

 

CASUS 6
Muziek in de eredienst – ‘Wij willen graag een gewone dienst’

Onze protestantse gemeente telt zo’n 1500 leden, waarvan er gemiddeld 250 tot 300 op zondagmorgen naar de kerk komen. Het dorp telt zo’n 10.000 inwoners en trekt vanwege haar centrale ligging in een bosrijke omgeving relatief veel nieuwe inwoners.
Iedere zondagmorgen is er één ochtendviering. Eenmaal per maand is dat een jeugddienst. Deze diensten hebben een eigen karakter, vaak met de medewerking van gospelkoren, en trekken daardoor, zo merken we, een heel ander publiek dan de reguliere eredienst. Met name jongeren en jonge gezinnen, ook van buiten onze eigen gemeente, voelen zich aangesproken door deze diensten. In de reguliere eredienst ligt de gemiddelde leeftijd van de kerkganger duidelijk hoger. Zouden de bezoekers van de jeugddiensten ook allemaal de reguliere dienst bezoeken, dan zouden er waarschijnlijk stoelen bij gezet moeten worden.
(…)

Kort samengevat is ons dilemma:
deze nieuwe vorm van kerk-zijn roept van binnenuit weerstand op en stoot mensen af, van buitenaf is er waardering en spreekt het mensen aan. Zij die het huidige muziekbeleid waarderen, zijn over het algemeen minder trouw in hun kerkbezoek dan zij die moeite hebben met alle vernieuwingen.

REACTIE op casus 6 | René Erwich
Frames, oefenruimte en het experiment: uitwegen uit een ‘liturgisch dilemma’

Beste predikant,
Veel dank voor je uitvoerige beschrijving van jullie dilemma rondom de eredienst. Het beeld dat je schetst roept veel herkenning op. Ik zie het maar zo: er is een spanning tussen bewaren en vernieuwen, die tastbaar wordt in verschillende percepties en waardering van mensen binnen en buiten de gemeente. Enerzijds het goede van de traditie met waardevolle vormen, zeker ook als het gaat om liturgie en muziek. Anderzijds de nodige vernieuwing juist daarin, omdat een andere tijd ook weer vraagt om andere vormen en variatie. En dan is de vraag natuurlijk terecht: hoe ga je met die verschillende perspectieven van mensen om? Sluit je goedkope compromissen met voor ‘elk wat wils’ of moet het toch anders?

 

CASUS 7
Het Nieuws Huis, een winkel onder de winkels

Een klein Drents dorp met minder dan 3000 inwoners. Kerkelijk is er een gereformeerde kerk en een hervormde gemeente binnen de Protestantse Kerk in Nederland. Beide gemeenten zijn ongeveer even groot qua ledenaantal (ongeveer 550 leden per kerkgemeenschap). Er is bewust voor gekozen om twee gemeenten te laten bestaan, met een eigen profiel. Hierdoor kunnen mensen zelf kiezen bij welke vorm van geloofsbeleving en kerk-zijn zij zich thuis voelen. Het dorp is een toeristisch dorp dat zich een groot deel van het jaar in belangstelling vanuit heel Nederland mag verheugen.
Een gemeentelid vanuit de gereformeerde kerk heeft een initiatief ontwikkeld om een Nieuws Huis te beginnen. De doelstelling is om een inloophuis te hebben waar je terecht kunt voor een goed gesprek en een luisterend oor onder het genot van een bakje koffie of thee. De combinatie met het verkopen van boeken/cd's en andere christelijke artikelen maakt dat de drempel heel laag wordt. De toonbank is een soort tafel met stoelen erom heen, waar je koffie/thee aangeboden krijgt. Van daar uit kan het geloofsgesprek op gang komen.
(…)

Overwegingen en vragen
Na anderhalf jaar blijkt dat deze opzet perspectief naar voren toe geeft. Het doet ook veel met de vrijwilligers. Ze zien de nood van allerlei mensen enerzijds en horen anderzijds de vreugde die het geloof geeft aan mensen. Het inloophuis is door de opzet van een winkel voor iedereen interessant. Voor mensen zonder en met problemen, zonder en met geloof. Door in het toeristisch hoogseizoen zes dagen per week open te zijn, ben je als geloofsgemeenschap in plaats van twee uur opeens 45 uur per week beschikbaar. Bovendien ook nog eens op een manier die heel gastvrij en uitnodigend is. Gewoon in de hoofdstraat naast andere winkels.
De eerste stappen die gezet zijn vragen om meer bezinning en misschien ook verbreding van dit initiatief. Graag horen we daarom van een deskundige wat die hier verder over heeft te zeggen en misschien handreikingen kan doen om zo nog meer dienstbaar te zijn aan mensen in de concretisering en het delen van het goede nieuws van Jezus Christus.

REACTIE op casus 7 | Marten van der Meulen
Het Nieuws Huis als kerkplek

Beste voorganger,
Bedankt voor je update over wat er in jouw dorp gebeurt. Het borrelt in heel Nederland van missionaire en diaconale initiatieven. Vaak is er hierbij veel aandacht voor de stedelijke initiatieven – alsof ‘het’ alleen gebeurt in steden. Ook in kleinere dorpen wordt veel aandacht aan innovatie geschonken, en alleen daarom is het al interessant om hierover te horen. Er zijn een aantal punten waar ik aandacht aan zou willen schenken.
Het is goed te horen dat het Nieuws Huis een samenwerking is tussen verschillende kerken. Projecten kunnen op deze manier een extensie zijn van het kerkelijke werk en de samenwerking tussen kerken ook concreet vorm geven. Let wel op dat de groep die achter dit project staat niet los of zelfs alleen komt te staan.
Er is de laatste tijd veel aandacht voor pionieren. Het lijkt mij dat jullie een mooi voorbeeld van pionieren vormen. Jullie zouden kunnen overwegen om aan te sluiten bij het pioniersprogramma van de Protestantse Kerk. Dan heb je toegang tot financiering en (misschien nog wel belangrijker) inhoudelijke ondersteuning.

 

REFLECTIE | Stefan Paas
Missionair op z’n dorps

De omslag van een kerkelijke cultuur die berust op verplichting, fatsoen en gewoonte naar een cultuur die gekenmerkt wordt door consumptie is volgens Stefan Paas goed zichtbaar in de zeven casestudies die in dit nummer van Handelingen worden gepresenteerd. Kijkend met een missiologische blik ziet hij aanknopingspunten voor de missionaire praktijk en concludeert dat de weg vooruit ligt in een geleid proces waarin gemeenten worden toegerust om zelf visie te vormen en experimenten in praktijk te brengen.

 

IN BEELD | René Rosmolen
De architect

 

SLOTREFLECTIE | Henk de Roest & Sake Stoppels

Terug naar de kern?

Wie zijn wij als christelijke geloofsgemeenschap en op welke wijze kunnen wij juist vanuit die identiteit in ons dorp, vanuit ons christelijk zelfverstaan, dienstbaar en heilzaam present zijn? Hebben wij een eigen perspectief? Juist het verlangen missionair present te zijn in de eigen omgeving drijft de gemeente onontkoombaar naar soteriologische vragen. Er is daarom alle reden het geloofsgesprek grondig te voeren.

‘Hoe kunnen wij als kerk meer zichtbaar worden?’
‘Hoe kunnen we de kerk in het dorpsgebeuren nadrukkelijk voor het voetlicht plaatsen?’
‘Hoe kunnen wij kerk voor het hele dorp zijn?’
‘Kunnen we met nieuwe vieringen, andere bijeenkomsten, nieuwe mensen (zinzoekers? afgehaakte kerkgangers?) bereiken?’
‘Wat betekent een toenemende consumptieve houding van onze kerkleden voor ons aanbod?’
‘Hoe voorkomen we dat we met nieuwe muziekstijlen en andere typen kerkdiensten andere kerkgangers vervreemden?’
‘Hoe krijgen we mensen die nooit eerder een voet over de drempel hebben gezet zo ver om in de kerk te komen?’

De vragen en dilemma’s die in de praktijkberichten in dit nummer naar voren komen geven naar onze indruk een goed beeld van de situatie in veel lokale kerken. Als onderzoekers die hun kennis willen delen zijn ondergetekenden de afgelopen jaren bijna wekelijks op pad geweest voor het geven van lezingen en het beeld is, zowel in katholieke als protestantse geloofsgemeenschappen, op veel plaatsen hetzelfde. We zien een betrokken, veelal verouderende groep gelovigen, die houdt van de kerk en nog altijd veel beleeft aan de liturgie, de catechese, de preek en de ondersteuning door een geloofsgemeenschap en die hoopt op remedies om het tij te keren.

 

INTERVIEW | Nico Krijn
Hart Joep deJoep de Hart is cultuur- en godsdienstsocioloog. Hij is als onderzoeker verbonden aan het Sociaal en Cultureel Planbureau en daarnaast is hij bijzonder hoogleraar aan de Protestantse Theologische Universiteit. Zijn leeropdracht daar betreft ‘Nieuwe en vernieuwende vormen van christelijke gemeenschap in hun betekenis voor de Nederlandse samenleving’. Zijn onderzoeken op het terrein van de godsdienstsociologie zijn gericht op religieuze ontwikkelingen, de relatie van deze met maatschappelijke veranderingen en de betekenis van religie voor de Nederlandse samenleving. Zijn werk op het Sociaal en Cultureel Planbureau is breder gericht, maar aan wat hij schrijft als godsdienstsocioloog ligt volgens hem altijd verwondering ten grondslag. Die begint waar de dingen niet of niet langer vanzelfsprekend zijn, waar alternatieven opdoemen, wanneer de grond onder je voeten begint te bewegen. Wie, zoals De Hart, als katholiek opgroeide in de Kop van Overijssel kreeg naar zijn mening de onvanzelfsprekendheid van religie met de paplepel ingegoten. Sociologisch onderzoek relativeert voortdurend vanzelfsprekendheden. Hij ziet het vooral als een methode om de tijd waarin wij leven beter te begrijpen, ook waar het om religie en religieuze ontwikkelingen gaat.

‘Secularisatie als reorganisatie van religie’
In het boek God in Nederland 1996-2006 constateert u dat de kerken leeglopen en velen de traditioneel-christelijke opvattingen hebben losgelaten. Men heeft de afgelopen tijd de band met de kerkelijke godsdienstigheid massaal laten vieren. Op de vraag waarom het zo slecht gaat met de kerken antwoordt Harry Kuitert: ‘De kerkelijke leer houdt in dat de kerk zichzelf als spreekbuis van boven presenteert, en met die zelfinterpretatie haar gezag over de zielen legitimeert. Zo beroven kerkelijke ambtsdragers de gelovigen bewust of onbewust van hun vrijheid om zelf te kiezen.’ Wat vindt u daarvan?

‘Voor wat betreft de hedendaagse gelovigen lijkt mij dat toch een beetje een onderschatting van hun mondigheid. Binnen en buiten de kerken geldt dat je tegenwoordig veel meer zelf zult moeten uitvinden waar het in het leven om gaat; er is wat dat betreft geen ‘his masters voice’ meer en naar de dominee of pastor wordt sowieso veel minder geluisterd. Nog maar nauwelijks een halve eeuw terug was het van de wieg tot het graf deel uitmaken van een en hetzelfde godsdienstige milieu het overheersende patroon. Dat is niet meer zo.
In plaats van het op een vanzelfsprekende wijze overnemen van een complete traditie, zijn veel hedendaagse Nederlanders een leven lang op zoek naar de antwoorden op de vragen die hen bezighouden. De eigen, vaak zeer persoonlijk gekleurde ervaring en het op een of andere manier emotioneel geraakt worden is daarbij veel belangrijker geworden. Die groeiende nadruk op wat je de psychologische kant van religie zou kunnen noemen, zie ik overal terug. Bij de sterke groei van de ‘halleluja-kerken’ (zoals de Pinkstergemeenten), maar ook bij de verkoopcijfers van populaire zelfhulp- en therapieboeken. In het cursusaanbod in bezinningscentra, maar ook bij wat er op de televisie te zien is, en in de rubrieken van kranten en weekbladen.’

 

TRENDBERICHT | Jessie Dezutter
Psychologie van religie, spiritualiteit en zingeving: verankering en groei
Dit trendbericht beschrijft de recente ontwikkelingen en veranderingen in het domein van de psychologie van religie, spiritualiteit en zingeving. Het gaat om trends die naar voren komen in zowel internationale als nationale publicaties van de laatste vijf jaar. Twee duidelijke ontwikkelingen tekenen zich af. Enerzijds verankert het domein van de religiepsychologie zich meer in andere gevestigde deeldomeinen van de psychologie en anderzijds is er een groeiende interesse vanuit andere wetenschapsdomeinen zoals geneeskunde en verpleegkunde, maar ook neurowetenschappen en positieve psychologie.
Een uitgebreidere versie van dit trendbericht vindt u in het Literatuurbericht religiepsychologie 2014

 

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn