2005

Logo

Editieredactie: René Hornikx, Henk de Roest & Sake Stoppels

 

Drie wegen

In brede kring wordt erkend dat de opbouw van gemeente of parochie het niet kan stellen zonder geloofsopbouw van de individuele gelovigen die samen de gemeente of parochie vormen. Echter, deze erkenning betekent niet dat we op het terrein van kerkopbouw uitsluitend modellen en methoden zien waarin de opbouw van het persoonlijke geloof van mensen en de opbouw van de geloofsgemeenschap qua aandacht en systematische uitwerking gelijk op gaan. We menen dat er op het raakvlak van individuele geloofsopbouw en collectieve kerkopbouw grosso modo drie benaderingen zijn te onderscheiden:
De aandacht gaat vooral uit naar de opbouw van de gemeente of parochie als geheel. Uiteraard wordt ook in dergelijke benaderingen het belang van persoonlijke geloofsopbouw voluit erkend, maar er is hier geen systematisch uitgewerkte methodiek om tot een dergelijke geloofsopbouw te komen. Een goed voorbeeld van deze benadering vinden we in de modellen en methoden van Jan Hendriks. Hij benadrukt keer op keer de noodzaak van (groei in) de drieledige relatie die de individuele gelovige en de geloofsgemeenschap als geheel constitueert, namelijk de relatie met God, met de omringende samenleving en met elkaar binnen de geloofsgemeenschap. 1 Zijn boeken bieden echter geen uitgewerkt kader voor hoe aan deze drie relaties gewerkt kan worden. Iets soortgelijks kunnen we zeggen van het gemeenteopbouwmodel dat Albert Ploeger en Joke Ploeger-Grotegoed in 2001 presenteerden, het model ‘kerk met een aanbod’. 2 Ook hier is volop aandacht voor de spirituele kant van kerkopbouw, maar ook zij komen niet tot een uitgewerkt model waarin die aandacht wordt omgezet in concrete suggesties voor inhouden en werkvormen voor de bedoelde geloofsopbouw.
Aan de andere kant van het opbouwkundige spectrum vinden we werkvormen en methoden voor de opbouw van individuele gelovigen, zonder dat er lijnen worden getrokken naar de opbouw van de gemeenschap als geheel. We kunnen hier denken aan bijvoorbeeld bijbelstudiemethoden, aan cursussen spiritualiteit en aan missionaire catechese. Het ontbreken van een koppeling naar het functioneren van de gemeente of parochie als geheel kan ertoe leiden dat de op zich zeer zinvolle activiteiten een geïsoleerd karakter krijgen en worden tot – wat Jan Hendriks beeldend noemt – zwerfstenen die verspreid liggen over het kerkelijk landschap. 3 Als voorbeeld kan hier genoemd worden de populaire Alpha-cursus, die echter tegelijk soms nauwelijks geïntegreerd wordt binnen de parochies en gemeenten waarbinnen ze wordt georganiseerd.4
In een derde benadering wordt ervoor gekozen aan beide systematisch aandacht te schenken. In termen van de beeldtaal van zo-even: activiteiten en elementen die gericht zijn op de opbouw van het individuele geloof zijn hier geen zwerfstenen, maar juist bouwstenen voor de opbouw van de parochie of gemeente als geheel. Omgekeerd is hier kerkopbouw van meet af aan systematisch doortrokken van de noodzaak van en de aandacht voor individuele geloofsopbouw.
Als we het goed inschatten, dan zijn de eerste twee benaderingen favoriet. Er verschijnt veel materiaal over kerkopbouw en datzelfde kunnen we zeggen van materiaal op het gebied van individuele geloofsopbouw. In een situatie van plurale kerken hoeft dat ook niet te verbazen. Immers, het wordt pas echt spannend als we de twee tot een twee-eenheid proberen te combineren. Dat gaat niet zonder een zekere profilering en juist het aanbrengen van dat noodzakelijke profiel is in plurale kerken geen eenvoudige opgave. Dat verklaart bijvoorbeeld ook waarom iets als een Alpha-cursus soms nauwelijks wordt opgenomen in het totale functioneren van een gemeente of parochie. Men ervaart deze cursus qua inhoud als te gesloten en te massief om een geïntegreerd onderdeel te kunnen uitmaken van een geloofsgemeenschap die pluriformiteit hoog acht.
We richten ons in dit themanummer op modellen die de derde weg willen gaan. Dat doen we omdat deze derde weg zowel veelbelovend als spannend is. Misschien is het zelfs de enige begaanbare weg voor de toekomst. Van der Ven & Van der Tuin stellen dat het fundament van kerkopbouw ligt in de ‘theologale relatie’ van individuele gelovigen tot God, welke de grondslag vormt van hun relatie tot elkaar. Hier wordt geen chronologie bedoeld, maar principieel gaat volgens de auteurs de theologale relatie aan de communautaire relatie vooraf: ‘Wat gelovigen van niet-gelovigen onderscheidt en waarom zij als een gezelschap van gelovigen bijeen komen en van daaruit hun leven en werken geïnspireerd en georiënteerd weten, is uiteindelijk het besef van goddelijke transcendentie.’ 5 De transcendente macht constitueert hun kerk-zijn. Volgens Van der Ven & Van der Tuin staat de godsleer voorop in de opbouw van de kerk: ‘Om het experiëntieel uit te drukken: de spiritualiteit staat voorop in kerk en kerkopbouw.’ 6 De auteurs wijzen erop dat reeds Ernst Troeltsch het belang beklemtoonde om aan de zorg voor de relatie van de gelovige mens tot God en diens spiritualiteit de hoogste prioriteit toe te kennen. Kerkopbouw dient voluit een spirituele basis te hebben.

 

Doelstelling en vraagstelling

Het gaat ons in dit themanummer primair om een beschrijving en evaluatie van methodische benaderingen van de gemeente en de parochie die persoonlijke geloofsopbouw én gemeente- of parochievernieuwing in hun doelstelling combineren. Daarbij kijken we niet alleen naar de modellen die dit (zeggen te) doen, maar besteden we ook aandacht aan de ervaringen die zijn opgedaan in de concrete praktijk. We hebben ons daarbij laten leiden door de volgende vraagstelling: op welke wijze integreren bestaande, methodisch opgezette kerkopbouwmodellen persoonlijke geloofsopbouw en opbouw van de geloofsgemeenschap? Welke ervaringen zijn daar in de praktijk mee opgedaan? Hoe kunnen we de onderzoeksresultaten evalueren en welke aanbevelingen kunnen we formuleren voor zowel de inhoudsbepaling als de vormgeving van dergelijke geïntegreerde modellen?

 

Onderzochte modellen en beschreven praktijkervaringen

We hebben vier verschillende methoden beschreven en geëvalueerd. Twee ervan zijn van Nederlandse bodem, twee komen uit het buitenland. We introduceren ze hier kort. In de eerste plaats is er de methode van Marius Noorloos, getiteld Leven uit de Bron. Via geloofsontwikkeling naar gemeenteopbouw. Noorloos heeft zijn methode ontwikkeld binnen de kaders van wat nu de Protestantse Kerk in Nederland is. Het boek verscheen in 1999 en is inmiddels aan zijn vijfde en bijgewerkte druk toe. Over het werken ermee in een Gelderse Hervormde Gemeente bericht ds. Jaap van de Windt. Een tweede methode komt uit de Verenigde Staten. Het is het veel gehanteerde model Purpose Driven Church van Rick Warren uit 1995. In de VS werd dit boek een bestseller en in 2003 verscheen het ook in een Nederlandse vertaling met als titel Doelgerichte gemeente. Evangeliegemeente De Pijler in Lelystad ontdekte dat ze intuïtief al volgens dit model werkte. Guido Berger, een van de predikanten van de gemeente, schrijft over het functioneren van deze gemeente en de plek die Warrens model daarbinnen inneemt. Naast deze twee protestantse modellen zijn er ook twee uit de katholieke wereld. Allereerst is dat het model dat René Hornikx ontwikkelde, Spiritualiteit als motor tot vernieuwing. Het is ontstaan binnen de kaders van het bisdom Den Bosch. Jos Deckers schrijft over de ervaringen die werden opgedaan met deze methode in de parochie van het Brabantse Nuenen. Ten slotte is er een model dat in Duitsland tot ontwikkeling is gekomen binnen het bisdom Rottenburg-Stuttgart, het zogenaamde Rottenburger Model. Het vertoont een sterke gelijkenis met het model van Hornikx, maar is tegelijk toch ook weer zo anders dat het de moeite waard is het op te nemen in dit themanummer. Het praktijkbericht komt ook uit Duitsland en is van de hand van pastor Ernst Steinhart uit Köngen.

 

Richtvragen voor de beschrijving van de methoden en voor de praktijkverhalen

De vier onderzochte methoden worden op twee manieren gepresenteerd. Allereerst door een zo neutraal mogelijke beschrijving van het eigene van de methode. Het gaat immers in dit empirische deel van het themanummer vooral om een ‘zakelijke’ kennismaking met een aantal methoden. Een evaluatie kan nog even wachten. We hebben de auteurs die de beschrijving voor hun rekening hebben genomen de volgende richtvragen of aandachtspunten meegegeven:
Welke aanleiding was er voor het ontwikkelen van de methode?
Wat is de opzet van de methode?
Vanuit welke vooronderstellingen is de methode opgezet (godsbeeld, soteriologie , verhouding individu-gemeenschap, wat is persoonlijke geloofsopbouw, wat is kerkopbouw)?
Welk doel streeft de methode na?
Op welke wijze hebben Schrift en traditie een plaats in de methode?
In welke mate komt de samenleving in beeld? Welk beeld van de samenleving wordt geschetst, eventueel mede in relatie tot de kerk?
Kent de methode indicatoren om te kunnen bepalen of en zo ja, hoe de methode heeft gewerkt? Zo ja, welke?
Hoe verhouden zich de aandacht voor de enkeling en het collectief? Gaat een van tweeën vanuit een principiële keuze voorop? Hoe wordt een wisselwerking tussen de beide gezien?
(Op welke wijze) wordt er systematisch gewerkt aan de samenhang tussen persoonlijke en collectieve opbouw?
Vervolgens gaat het ons om inzicht in de ervaringen die in de praktijk met een methode worden opgedaan. De auteurs aan wie we gevraagd hebben te schrijven over hun ervaringen met het werken met een methode, hebben we de volgende vragen meegegeven:
Kunt u een beknopte beschrijving geven van de (kerkelijke) gemeenschap waarin de methode is gevolgd?
Hoe bent u de methode op het spoor gekomen?
Wat waren de aanleiding en de motivatie om met de methode te beginnen?
Wie (welk orgaan) heeft besloten om met de methode te gaan werken?
Hebt u van te voren ook verwachtingen en/of doelen geformuleerd? Zo ja, welke?
Hoe hebt u een en ander aangepakt (waar, wat, hoe en hoelang)?
Wie hebben eraan meegedaan? Hoeveel deelnemers? Was dit (ook qua omvang) de beoogde doelgroep?
Welke ervaringen zijn opgedaan, uitgesplitst naar een aantal deelaspecten:
Persoonlijke geloofsopbouw ; welke resultaten bij wie? Indicatoren?
Opbouw van eventueel betrokken kleine groepen ; welke resultaten? Indicatoren?
Opbouw van de geloofsgemeenschap ; welke resultaten? Indicatoren?
Eventuele wisselwerking tussen de drie (individu, kleine groep, gemeente/parochie)? Indicatoren?
Zijn uw verwachtingen uitgekomen en/of uw doelstelling(en) gehaald? Welke langetermijneffecten zijn er (te voorzien)?
Wat heeft u er van geleerd?
Welke twee kritische vragen zou u aan de methode stellen? Welke verbetersuggesties hebt u eventueel? Hoe verhoudt zich het model tot eventuele andere modellen die u kent?
Zou men in uw geloofsgemeenschap opnieuw met de methode in zee kunnen en willen gaan? Zo ja, waarom, zo nee, waarom niet?
Welke zaken zou u nog willen noemen die in het bovenstaande niet of onvoldoende aandacht hebben gekregen?
Uiteraard gaat het hier, anders dan bij de beschrijving van de methode op zich, niet om een neutraal geformuleerd verhaal, maar om een persoonlijke evaluatie van de (opbouw)waarde van een specifieke methode. De vier auteurs hebben positieve ervaringen opgedaan met het werken met de betreffende methode, maar zijn wel in staat hun eigen spoor te trekken en ook kritische kanttekeningen en vragen te plaatsen bij de methode.

 

Een drieledige evaluatie: spiritualiteit, de wisselwerking geloofsopbouw-kerkopbouw en de kunst van veranderen

In het derde deel komen we tot een drievoudige evaluatie. Drie auteurs reageren ieder vanuit een specifieke invalshoek. Gerard Groener concentreert zich op geloofsopbouw en reageert primair op de spiritualiteit die hij in de verschillende modellen tegenkomt. Hij stelt drie vragen: welke specifieke spiritualiteit komen we tegen in de modellen, welke spirituele route wordt aangegeven en wat levert het op? Hij maakt bij zijn analyse gebruik van het concept ‘een school van spiritualiteit’, zoals dat werd ontwikkeld door Kees Waaijman. Rein Brouwer staat in zijn beschouwing stil bij de vraag hoe geloofsopbouw en kerkopbouw zich onderling verhouden. Hij stelt de principiële vraag of geloofsopbouw, dat wil zeggen het gericht en doelbewust schenken van aandacht aan de ontwikkeling van de individuele spiritualiteit, wel een beleidsinstrument ten dienste van kerkopbouw kan zijn. Zijn de verwachtingen dat geloofsopbouw invloed heeft op kerkopbouw, niet te hoog gespannen en vooral: moet geloofsverdieping niet worden beschouwd als een doel in zichzelf? Veerle Rooze ten slotte concentreert zich primair op kerkopbouw. Ze vraagt zich af welke visies op verandering schuilgaan achter de verschillende modellen. Haar benadering is dus vooral veranderkundig, waarbij ze drie veranderparadigma’s onderscheidt. Ze meent dat geen van de vier beschreven modellen uitgaat van het paradigma dat voor de kerk in deze tijd het meest adequaat is, namelijk het paradigma van de Transformative Teleology. Het alledaagse speelt daarin een grote rol.
In het uitleidende artikel van Henk de Roest komen drie zaken nog eens aan de orde. Allereerst is dat de plek van de kleine groep in gemeente en parochie. Vervolgens staat hij stil bij de vraag wie het zijn die de opbouw van de kerk dragen. Daarbij is de vraag naar de verhouding tussen vrijblijvendheid en betrokkenheid van belang. Een derde punt betreft de relatie van de kerk tot haar omgeving. Voor vernieuwingen zijn steeds ‘anderen’ nodig, zo stelt hij.

Noten
Zie bijvoorbeeld Hendriks, J. (1995). Terug naar de kern. Vernieuwing van de gemeente en de rol van de kerkeraad (pp. 27vv.). Kampen.
Ploeger, A.K. & Ploeger-Grotegoed, J.J. (2001). De gemeente en haar verlangen. Van praktische theologie naar de geloofspraktijk van de gemeente (m.n. pp. 354vv.). Kampen.
Hendriks, J. (1993). Het vuurtje brandend houden. Bulletin voor charismatische theologie, nr. 32, 45. Zie ook Hendriks, J. (red.). (1993). Spiritualiteit en engagement (pp. 94, 95). Zoetermeer.
Vergelijk Verboom, W. (2002). De Alpha-cursus onderzocht. Een onderzoek naar hedendaagse missionaire catechese (pp. 173vv.). Zoetermeer.
Ven, J.A. van der & Tuin, L.W.J.M. van der (1990). Communicatie omtrent lijden als aspect van kerkopbouw. Praktische Theologie 17, nr. 2, 234.
Idem, p. 235.

 
René Hornikx, Henk de Roest & Sake Stoppels, Geloofsopbouw en kerkopbouw. Inleiding (125)

Methoden en praktijkervaringen

Henk de Roest, Geloofsopbouw als weg voor kerkopbouw. Over de methode ‘Leren uit de Bron’ (132)
Jaap van der Windt, Werken met ‘Leven uit de Bron’ (145)
Sake Stoppels, Doelgerichte gemeente (156)
Guido Berger, De Pijler, een doelgerichte gemeente (167)
Hessel Zondag & Ton Bernts, Ontwikkeling van een geloofsgemeenschap. Over ‘Spiritualiteit als motor tot vernieuwing’ (179)
Jos Deckers, Werken met ‘Spiritualiteit als motor tot vernieuwing’ (191)
René Hornikx, Het ‘Rottenburger Model’ voor gemeentevernieuwing (199)
Ernst Steinhart, Wat te doen, als alles functioneert? Werken met het ‘Rottenburger Model’ (213)

 

Praktisch-theologische beschouwingen

Gerard Groener, Kerkopbouw als school van spiritualiteit? (222)
Rein Brouwer, Gemeenteopbouw als voorwaarde voor kerkopbouw? (235)
Veerle Rooze, Kerk en vernieuwing. Een analyse van vier gemeenteopbouwmodellen vanuit transformatiesperspectief (248)
Henk de Roest, Spiritualiteit als fundament voor kerkopbouw. Uitleiding (262)

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn