2005

Logo

Artikelencluster: Transmuralisering als actueel veranderingsproces – beschrijving en reflectie

Henk Veltkamp, Geestelijke verzorging: aan bed gebonden of transmuraal? 403
Corry van Straten, De vreemde ander dichterbij (421)
Wija van der Kaaden Huttinga, Transmuralisering: een veranderingsproces voor kerk en instelling (440)
Herman P. Meininger, Transmuralisering en integratie. Geestelijke verzorging tussen idee en praktijk van vermaatschappelijking van de zorg (452)

In vrijwel alle sectoren van de gezondheidszorg is er momenteel sprake van een proces van transmuralisering, dat wil zeggen de verplaatsing van zorg die tot dan toe verleend werd binnen de muren van een ziekenhuis of een instelling voor verstandelijk of lichamelijk gehandicapten. In een artikelencluster beschrijven eerst drie ervaringsdeskundigen deze kanteling. Zij laten zien wat de onderliggende motieven zijn voor én wat de gevolgen zijn van dit proces, zowel voor de geestelijk verzorgers die verbonden zijn aan zorginstellingen, als voor basispastores en lokale zingevingsnetwerken.
Aan de hand van enkele casussen schrijft Henk Veltkamp over de dilemma’s die ten gevolge van de transmuralisering van de ziekenhuiszorg ontstaan voor de geestelijke verzorging. Is er aanleiding en zijn er mogelijkheden om met de geestelijke verzorging aan te sluiten bij het proces waarbij de zorg voor somatisch zieken zich (idealiter) voltrekt in het kader van een integrale zorgketen (onder andere ziekenhuis – polikliniek – thuiszorg – verpleeghuis)? Op grond van een kleinschalig onderzoek lijkt de conclusie gewettigd dat de geestelijke verzorging inderdaad op een zinvolle manier kan aansluiten bij de behoeften van patiënten door de geestelijke verzorging als kwaliteitsonderdeel van de zorg óók te integreren in de periklinische trajecten van die zorg.
Corry van Straten beschrijft en analyseert het proces van transmuralisering en vermaatschappelijking van de zorg vanuit het perspectief van de geestelijke verzorging in een psycho-medische instelling. In het bijzonder besteedt zij aandacht aan de filosofische, religieuze en multiculturele aspecten van dit proces.
Wija van der Kaaden Huttinga heeft als een ‘grensganger’ tussen een instelling voor meervoudig gehandicapten enerzijds en de kerkelijke gemeente anderzijds gekeken naar het proces van transmuralisering en naar de kansen en problemen die door dit veranderingsproces ontstaan. Zij formuleert hoe de interventiemethode ‘Zoekprocessen’ van Andries Baart wellicht ingezet kan worden bij dit veranderingsproces.
In een afsluitend reflectieartikel binnen dit cluster gaat Herman P. Meininger in op de vraag wie geestelijk verzorgers eigenlijk tot hun cliënten mogen rekenen en hoe ver dat contact mag reiken in ruimte en tijd. Daartoe brengt hij eerst de verschillende motieven achter het proces van transmuralisering in beeld om vervolgens stil te staan bij de gevolgen van de gesignaleerde ontwikkelingen voor zowel geestelijk verzorgers die verbonden zijn aan zorginstellingen, als voor basispastores en lokale zingevingsnetwerken. Ten slotte presenteert hij een model dat mogelijk kan helpen als referentiekader van een voluit cliëntgericht praktisch handelen waarbij recht gedaan wordt aan de verschillende motieven en perspectieven die in het geding zijn.
Het begrip ziel behoort niet meer tot het vanzelfsprekende vocabulaire van de hedendaagse theologen. Tegen gerechtvaardigde weerstand tegen het begrip ziel in houdt Doris Nauer een pleidooi voor zielzorg als een specifieke christelijke vorm van geestelijke verzorging. Uitgaande van een multidimensioneel begrip van ziel geeft zij inhoudelijk invulling aan het begrip zielzorg. Op grond van deze invulling pleit zij voor het zelfbewust invoeren van het begrip zielzorg en zielzorger, daarmee zowel het niet waarden-neutrale karakter van de christelijke geestelijke verzorging in instellingen markerend, alsook de attractiviteit en de geloofwaardigheid vergrotend van parochies en gemeenten als ervaringsgebieden van geleefde spiritualiteit en medemenselijke solidariteit.
Van de hand van Rein Brouwer is een overzicht van ‘congregational studies’, een begrip waarmee zowel een praktisch-theologische discipline als een analytisch model wordt aangeduid. In dit overzicht ligt de nadruk op de presentatie van ‘congregational studies’ als een adequaat praktisch-theologisch analysemodel voor lokale geloofsgemeenschappen.
In een drietal literatuurrubrieken achtereenvolgens aandacht voor een nieuw oecumenisch handboek diaconiewetenschap: H. Crijns e.a. (red.), Barmhartigheid en gerechtigheid, voor recente publicaties en ontwikkelingen op het gebied van de praktische theologie in de gelijknamige kroniek, en voor nieuwe publicaties binnen de liturgiewetenschap.

Overige artikelen

Doris Nauer, Pleidooi voor de zielzorg (465)
Rein Brouwer, De praxis van God in de plaatselijke geloofsgemeenschap. Theologie in congregational studies (484)
Gerrit Jan van der Kolm, Barmhartigheid en gerechtigheid. Een nieuw oecumenisch handboek ‘diaconiewetenschap’ (502)
Gerrit Immink, Kroniek Praktische Theologie. Een literatuurbericht (512)
Paul Post, Re-inventing liturgy: de Liturgische Beweging voorbij. Literatuurbericht liturgiewetenschap (532)

Artikelencluster: Vormen van professionele begeleiding voor pastores

Nelleke Boonstra, Werkbegeleiding voor predikanten (279)
Willem Putman, Pastorale supervisie. Professionalisering door (zelf)reflectie (294)
Jan van der Linden, Partners in menswording. Een introductie in geestelijke begeleiding voor pastores en predikanten (313)
Herman Andriessen, Leiding, leren en verlangen (331)

Wie als pastor behoefte heeft aan professionele ondersteuning bij zijn of haar functioneren, kan bijvoorbeeld een beroep doen op werkbegeleiding, (pastorale) supervisie of geestelijke begeleiding. Wij vroegen aan drie hulpverleners om onder andere aan de hand van een concrete casus toe te lichten wat de eigen aard is van de verschillende vormen van begeleiding en aan te geven wat voor hulp je als pastor bij elke vorm concreet kunt verwachten. We vonden Herman Andriessen bereid een afsluitende reflectie te schrijven over het geheel van het actuele begeleidingsaanbod voor pastores.
Nelleke Boonstra gaat als eerste in op de eigenheid van werkbegeleiding als professionele hulpverlening aan pastores. Met welke problemen melden pastores zich bij de werkbegeleiding en welke ondersteuning kan de werkbegeleiding in de praktijk bieden? Aan de hand van een casus bespreekt zij hoe de werkbegeleiding omgaat met aangedragen problemen, hoe een begeleiding in de praktijk verloopt en naar welke andere vormen van hulpverlening zo nodig verwezen wordt.
Vanuit de vraag wat is supervisie in het algemeen en pastorale supervisie in het bijzonder, stelt Willem Putman de volgende onderwerpen aan de orde: wanneer pastorale supervisie, waarom juist pastorale supervisie, en hoe verloopt zo’n proces? Aan de hand van een aantal voorbeelden concretiseert hij verschillende aspecten van het supervisieproces. De auteur onderscheidt pastorale supervisie (leervragen) daarbij van therapie (levensproblemen), pastoraat respectievelijk geestelijke begeleiding (levensproblemen, zingevings- en geloofsvragen) en coaching (werkproblemen).
In een derde artikel wordt aangegeven welke hulp pastores en predikanten van geestelijke begeleiding mogen verwachten. Jan van der Linden geeft een typering van geestelijke begeleiding in onderscheid met supervisie. De metafoor van de weg wordt toegelicht. Via gespreksfragmenten komt de eigen benadering van geestelijke begeleiding naar voren. Enkele aspecten van de spirituele weg, zoals die binnen geestelijke begeleiding aan de orde kunnen komen, worden belicht.
De slotbijdrage aan het artikelencluster over vormen van professionele hulpverlening voor pastores is van Herman Andriessen. Zijn verhaal sluit aan bij de voorgaande artikelen over werkbegeleiding, pastorale supervisie en geestelijke begeleiding, en heeft het karakter van een meer algemene beschouwing rondom de woorden leiden, leren en verlangen.
Als eerste van de ‘losse’ artikelen volgt dan een bijdrage van R. Ruard Ganzevoort, die vaststelt dat de confrontatie met getraumatiseerde mensen tot specifieke vragen leidt voor het pastoraat. Hij beschrijft wat de gevolgen zijn van traumatisering, met name op het terrein van religie en zingeving. Daarna verkent hij de mogelijkheden en valkuilen van het religieuze aanbod van de traditie, toegespitst op trauma en theodicee. Tot slot staat hij stil bij de vraag hoe pastorale zorg voor getraumatiseerden zinvol kan worden ingevuld.
Omdat er volgens Alphonse Borras (vicaris generaal van het bisdom Luik) een verband bestaat tussen interparochiële samenwerking en katholiciteit ter plekke, gaat hij in dit artikel in op de huidige samenwerkingsprocessen in het rooms-katholieke parochiële netwerk enerzijds en de katholiciteit van het Evangelie anderzijds. Onder katholiciteit verstaat hij de bekwaamheid om iets over Gods liefde te zeggen aan iedere mens, in alle tijden en op alle plaatsen. De auteur gaat in op de noodzakelijkheid van de samenwerkingsprocessen en, aan de hand van theologische en kerkrechtelijke overwegingen, formuleert hij criteria voor de aan de gang zijnde herstructurering van de parochies.
Sake Stoppels treedt als nieuwe auteur voor het periodieke literatuurbericht kerkopbouw in de voetsporen van Jan Hendriks. In vijf thematische blokken ordent hij zijn bespreking van recent verschenen literatuur rond kerkopbouw.


Overige artikelen

R. Ruard Ganzevoort, Als de grondslagen vernield zijn… Over trauma, religie en pastoraat (344)
Alphonse Borras, Interparochiële samenwerking en de katholiciteit van het Evangelie ter plekke (362)
Sake Stoppels, Literatuurbericht kerkopbouw (5) (377)

Editieredactie: René Hornikx, Henk de Roest & Sake Stoppels

 

Drie wegen

In brede kring wordt erkend dat de opbouw van gemeente of parochie het niet kan stellen zonder geloofsopbouw van de individuele gelovigen die samen de gemeente of parochie vormen. Echter, deze erkenning betekent niet dat we op het terrein van kerkopbouw uitsluitend modellen en methoden zien waarin de opbouw van het persoonlijke geloof van mensen en de opbouw van de geloofsgemeenschap qua aandacht en systematische uitwerking gelijk op gaan. We menen dat er op het raakvlak van individuele geloofsopbouw en collectieve kerkopbouw grosso modo drie benaderingen zijn te onderscheiden:
De aandacht gaat vooral uit naar de opbouw van de gemeente of parochie als geheel. Uiteraard wordt ook in dergelijke benaderingen het belang van persoonlijke geloofsopbouw voluit erkend, maar er is hier geen systematisch uitgewerkte methodiek om tot een dergelijke geloofsopbouw te komen. Een goed voorbeeld van deze benadering vinden we in de modellen en methoden van Jan Hendriks. Hij benadrukt keer op keer de noodzaak van (groei in) de drieledige relatie die de individuele gelovige en de geloofsgemeenschap als geheel constitueert, namelijk de relatie met God, met de omringende samenleving en met elkaar binnen de geloofsgemeenschap. 1 Zijn boeken bieden echter geen uitgewerkt kader voor hoe aan deze drie relaties gewerkt kan worden. Iets soortgelijks kunnen we zeggen van het gemeenteopbouwmodel dat Albert Ploeger en Joke Ploeger-Grotegoed in 2001 presenteerden, het model ‘kerk met een aanbod’. 2 Ook hier is volop aandacht voor de spirituele kant van kerkopbouw, maar ook zij komen niet tot een uitgewerkt model waarin die aandacht wordt omgezet in concrete suggesties voor inhouden en werkvormen voor de bedoelde geloofsopbouw.
Aan de andere kant van het opbouwkundige spectrum vinden we werkvormen en methoden voor de opbouw van individuele gelovigen, zonder dat er lijnen worden getrokken naar de opbouw van de gemeenschap als geheel. We kunnen hier denken aan bijvoorbeeld bijbelstudiemethoden, aan cursussen spiritualiteit en aan missionaire catechese. Het ontbreken van een koppeling naar het functioneren van de gemeente of parochie als geheel kan ertoe leiden dat de op zich zeer zinvolle activiteiten een geïsoleerd karakter krijgen en worden tot – wat Jan Hendriks beeldend noemt – zwerfstenen die verspreid liggen over het kerkelijk landschap. 3 Als voorbeeld kan hier genoemd worden de populaire Alpha-cursus, die echter tegelijk soms nauwelijks geïntegreerd wordt binnen de parochies en gemeenten waarbinnen ze wordt georganiseerd.4
In een derde benadering wordt ervoor gekozen aan beide systematisch aandacht te schenken. In termen van de beeldtaal van zo-even: activiteiten en elementen die gericht zijn op de opbouw van het individuele geloof zijn hier geen zwerfstenen, maar juist bouwstenen voor de opbouw van de parochie of gemeente als geheel. Omgekeerd is hier kerkopbouw van meet af aan systematisch doortrokken van de noodzaak van en de aandacht voor individuele geloofsopbouw.
Als we het goed inschatten, dan zijn de eerste twee benaderingen favoriet. Er verschijnt veel materiaal over kerkopbouw en datzelfde kunnen we zeggen van materiaal op het gebied van individuele geloofsopbouw. In een situatie van plurale kerken hoeft dat ook niet te verbazen. Immers, het wordt pas echt spannend als we de twee tot een twee-eenheid proberen te combineren. Dat gaat niet zonder een zekere profilering en juist het aanbrengen van dat noodzakelijke profiel is in plurale kerken geen eenvoudige opgave. Dat verklaart bijvoorbeeld ook waarom iets als een Alpha-cursus soms nauwelijks wordt opgenomen in het totale functioneren van een gemeente of parochie. Men ervaart deze cursus qua inhoud als te gesloten en te massief om een geïntegreerd onderdeel te kunnen uitmaken van een geloofsgemeenschap die pluriformiteit hoog acht.
We richten ons in dit themanummer op modellen die de derde weg willen gaan. Dat doen we omdat deze derde weg zowel veelbelovend als spannend is. Misschien is het zelfs de enige begaanbare weg voor de toekomst. Van der Ven & Van der Tuin stellen dat het fundament van kerkopbouw ligt in de ‘theologale relatie’ van individuele gelovigen tot God, welke de grondslag vormt van hun relatie tot elkaar. Hier wordt geen chronologie bedoeld, maar principieel gaat volgens de auteurs de theologale relatie aan de communautaire relatie vooraf: ‘Wat gelovigen van niet-gelovigen onderscheidt en waarom zij als een gezelschap van gelovigen bijeen komen en van daaruit hun leven en werken geïnspireerd en georiënteerd weten, is uiteindelijk het besef van goddelijke transcendentie.’ 5 De transcendente macht constitueert hun kerk-zijn. Volgens Van der Ven & Van der Tuin staat de godsleer voorop in de opbouw van de kerk: ‘Om het experiëntieel uit te drukken: de spiritualiteit staat voorop in kerk en kerkopbouw.’ 6 De auteurs wijzen erop dat reeds Ernst Troeltsch het belang beklemtoonde om aan de zorg voor de relatie van de gelovige mens tot God en diens spiritualiteit de hoogste prioriteit toe te kennen. Kerkopbouw dient voluit een spirituele basis te hebben.

 

Doelstelling en vraagstelling

Het gaat ons in dit themanummer primair om een beschrijving en evaluatie van methodische benaderingen van de gemeente en de parochie die persoonlijke geloofsopbouw én gemeente- of parochievernieuwing in hun doelstelling combineren. Daarbij kijken we niet alleen naar de modellen die dit (zeggen te) doen, maar besteden we ook aandacht aan de ervaringen die zijn opgedaan in de concrete praktijk. We hebben ons daarbij laten leiden door de volgende vraagstelling: op welke wijze integreren bestaande, methodisch opgezette kerkopbouwmodellen persoonlijke geloofsopbouw en opbouw van de geloofsgemeenschap? Welke ervaringen zijn daar in de praktijk mee opgedaan? Hoe kunnen we de onderzoeksresultaten evalueren en welke aanbevelingen kunnen we formuleren voor zowel de inhoudsbepaling als de vormgeving van dergelijke geïntegreerde modellen?

 

Onderzochte modellen en beschreven praktijkervaringen

We hebben vier verschillende methoden beschreven en geëvalueerd. Twee ervan zijn van Nederlandse bodem, twee komen uit het buitenland. We introduceren ze hier kort. In de eerste plaats is er de methode van Marius Noorloos, getiteld Leven uit de Bron. Via geloofsontwikkeling naar gemeenteopbouw. Noorloos heeft zijn methode ontwikkeld binnen de kaders van wat nu de Protestantse Kerk in Nederland is. Het boek verscheen in 1999 en is inmiddels aan zijn vijfde en bijgewerkte druk toe. Over het werken ermee in een Gelderse Hervormde Gemeente bericht ds. Jaap van de Windt. Een tweede methode komt uit de Verenigde Staten. Het is het veel gehanteerde model Purpose Driven Church van Rick Warren uit 1995. In de VS werd dit boek een bestseller en in 2003 verscheen het ook in een Nederlandse vertaling met als titel Doelgerichte gemeente. Evangeliegemeente De Pijler in Lelystad ontdekte dat ze intuïtief al volgens dit model werkte. Guido Berger, een van de predikanten van de gemeente, schrijft over het functioneren van deze gemeente en de plek die Warrens model daarbinnen inneemt. Naast deze twee protestantse modellen zijn er ook twee uit de katholieke wereld. Allereerst is dat het model dat René Hornikx ontwikkelde, Spiritualiteit als motor tot vernieuwing. Het is ontstaan binnen de kaders van het bisdom Den Bosch. Jos Deckers schrijft over de ervaringen die werden opgedaan met deze methode in de parochie van het Brabantse Nuenen. Ten slotte is er een model dat in Duitsland tot ontwikkeling is gekomen binnen het bisdom Rottenburg-Stuttgart, het zogenaamde Rottenburger Model. Het vertoont een sterke gelijkenis met het model van Hornikx, maar is tegelijk toch ook weer zo anders dat het de moeite waard is het op te nemen in dit themanummer. Het praktijkbericht komt ook uit Duitsland en is van de hand van pastor Ernst Steinhart uit Köngen.

 

Richtvragen voor de beschrijving van de methoden en voor de praktijkverhalen

De vier onderzochte methoden worden op twee manieren gepresenteerd. Allereerst door een zo neutraal mogelijke beschrijving van het eigene van de methode. Het gaat immers in dit empirische deel van het themanummer vooral om een ‘zakelijke’ kennismaking met een aantal methoden. Een evaluatie kan nog even wachten. We hebben de auteurs die de beschrijving voor hun rekening hebben genomen de volgende richtvragen of aandachtspunten meegegeven:
Welke aanleiding was er voor het ontwikkelen van de methode?
Wat is de opzet van de methode?
Vanuit welke vooronderstellingen is de methode opgezet (godsbeeld, soteriologie , verhouding individu-gemeenschap, wat is persoonlijke geloofsopbouw, wat is kerkopbouw)?
Welk doel streeft de methode na?
Op welke wijze hebben Schrift en traditie een plaats in de methode?
In welke mate komt de samenleving in beeld? Welk beeld van de samenleving wordt geschetst, eventueel mede in relatie tot de kerk?
Kent de methode indicatoren om te kunnen bepalen of en zo ja, hoe de methode heeft gewerkt? Zo ja, welke?
Hoe verhouden zich de aandacht voor de enkeling en het collectief? Gaat een van tweeën vanuit een principiële keuze voorop? Hoe wordt een wisselwerking tussen de beide gezien?
(Op welke wijze) wordt er systematisch gewerkt aan de samenhang tussen persoonlijke en collectieve opbouw?
Vervolgens gaat het ons om inzicht in de ervaringen die in de praktijk met een methode worden opgedaan. De auteurs aan wie we gevraagd hebben te schrijven over hun ervaringen met het werken met een methode, hebben we de volgende vragen meegegeven:
Kunt u een beknopte beschrijving geven van de (kerkelijke) gemeenschap waarin de methode is gevolgd?
Hoe bent u de methode op het spoor gekomen?
Wat waren de aanleiding en de motivatie om met de methode te beginnen?
Wie (welk orgaan) heeft besloten om met de methode te gaan werken?
Hebt u van te voren ook verwachtingen en/of doelen geformuleerd? Zo ja, welke?
Hoe hebt u een en ander aangepakt (waar, wat, hoe en hoelang)?
Wie hebben eraan meegedaan? Hoeveel deelnemers? Was dit (ook qua omvang) de beoogde doelgroep?
Welke ervaringen zijn opgedaan, uitgesplitst naar een aantal deelaspecten:
Persoonlijke geloofsopbouw ; welke resultaten bij wie? Indicatoren?
Opbouw van eventueel betrokken kleine groepen ; welke resultaten? Indicatoren?
Opbouw van de geloofsgemeenschap ; welke resultaten? Indicatoren?
Eventuele wisselwerking tussen de drie (individu, kleine groep, gemeente/parochie)? Indicatoren?
Zijn uw verwachtingen uitgekomen en/of uw doelstelling(en) gehaald? Welke langetermijneffecten zijn er (te voorzien)?
Wat heeft u er van geleerd?
Welke twee kritische vragen zou u aan de methode stellen? Welke verbetersuggesties hebt u eventueel? Hoe verhoudt zich het model tot eventuele andere modellen die u kent?
Zou men in uw geloofsgemeenschap opnieuw met de methode in zee kunnen en willen gaan? Zo ja, waarom, zo nee, waarom niet?
Welke zaken zou u nog willen noemen die in het bovenstaande niet of onvoldoende aandacht hebben gekregen?
Uiteraard gaat het hier, anders dan bij de beschrijving van de methode op zich, niet om een neutraal geformuleerd verhaal, maar om een persoonlijke evaluatie van de (opbouw)waarde van een specifieke methode. De vier auteurs hebben positieve ervaringen opgedaan met het werken met de betreffende methode, maar zijn wel in staat hun eigen spoor te trekken en ook kritische kanttekeningen en vragen te plaatsen bij de methode.

 

Een drieledige evaluatie: spiritualiteit, de wisselwerking geloofsopbouw-kerkopbouw en de kunst van veranderen

In het derde deel komen we tot een drievoudige evaluatie. Drie auteurs reageren ieder vanuit een specifieke invalshoek. Gerard Groener concentreert zich op geloofsopbouw en reageert primair op de spiritualiteit die hij in de verschillende modellen tegenkomt. Hij stelt drie vragen: welke specifieke spiritualiteit komen we tegen in de modellen, welke spirituele route wordt aangegeven en wat levert het op? Hij maakt bij zijn analyse gebruik van het concept ‘een school van spiritualiteit’, zoals dat werd ontwikkeld door Kees Waaijman. Rein Brouwer staat in zijn beschouwing stil bij de vraag hoe geloofsopbouw en kerkopbouw zich onderling verhouden. Hij stelt de principiële vraag of geloofsopbouw, dat wil zeggen het gericht en doelbewust schenken van aandacht aan de ontwikkeling van de individuele spiritualiteit, wel een beleidsinstrument ten dienste van kerkopbouw kan zijn. Zijn de verwachtingen dat geloofsopbouw invloed heeft op kerkopbouw, niet te hoog gespannen en vooral: moet geloofsverdieping niet worden beschouwd als een doel in zichzelf? Veerle Rooze ten slotte concentreert zich primair op kerkopbouw. Ze vraagt zich af welke visies op verandering schuilgaan achter de verschillende modellen. Haar benadering is dus vooral veranderkundig, waarbij ze drie veranderparadigma’s onderscheidt. Ze meent dat geen van de vier beschreven modellen uitgaat van het paradigma dat voor de kerk in deze tijd het meest adequaat is, namelijk het paradigma van de Transformative Teleology. Het alledaagse speelt daarin een grote rol.
In het uitleidende artikel van Henk de Roest komen drie zaken nog eens aan de orde. Allereerst is dat de plek van de kleine groep in gemeente en parochie. Vervolgens staat hij stil bij de vraag wie het zijn die de opbouw van de kerk dragen. Daarbij is de vraag naar de verhouding tussen vrijblijvendheid en betrokkenheid van belang. Een derde punt betreft de relatie van de kerk tot haar omgeving. Voor vernieuwingen zijn steeds ‘anderen’ nodig, zo stelt hij.

Noten
Zie bijvoorbeeld Hendriks, J. (1995). Terug naar de kern. Vernieuwing van de gemeente en de rol van de kerkeraad (pp. 27vv.). Kampen.
Ploeger, A.K. & Ploeger-Grotegoed, J.J. (2001). De gemeente en haar verlangen. Van praktische theologie naar de geloofspraktijk van de gemeente (m.n. pp. 354vv.). Kampen.
Hendriks, J. (1993). Het vuurtje brandend houden. Bulletin voor charismatische theologie, nr. 32, 45. Zie ook Hendriks, J. (red.). (1993). Spiritualiteit en engagement (pp. 94, 95). Zoetermeer.
Vergelijk Verboom, W. (2002). De Alpha-cursus onderzocht. Een onderzoek naar hedendaagse missionaire catechese (pp. 173vv.). Zoetermeer.
Ven, J.A. van der & Tuin, L.W.J.M. van der (1990). Communicatie omtrent lijden als aspect van kerkopbouw. Praktische Theologie 17, nr. 2, 234.
Idem, p. 235.

 
René Hornikx, Henk de Roest & Sake Stoppels, Geloofsopbouw en kerkopbouw. Inleiding (125)

Methoden en praktijkervaringen

Henk de Roest, Geloofsopbouw als weg voor kerkopbouw. Over de methode ‘Leren uit de Bron’ (132)
Jaap van der Windt, Werken met ‘Leven uit de Bron’ (145)
Sake Stoppels, Doelgerichte gemeente (156)
Guido Berger, De Pijler, een doelgerichte gemeente (167)
Hessel Zondag & Ton Bernts, Ontwikkeling van een geloofsgemeenschap. Over ‘Spiritualiteit als motor tot vernieuwing’ (179)
Jos Deckers, Werken met ‘Spiritualiteit als motor tot vernieuwing’ (191)
René Hornikx, Het ‘Rottenburger Model’ voor gemeentevernieuwing (199)
Ernst Steinhart, Wat te doen, als alles functioneert? Werken met het ‘Rottenburger Model’ (213)

 

Praktisch-theologische beschouwingen

Gerard Groener, Kerkopbouw als school van spiritualiteit? (222)
Rein Brouwer, Gemeenteopbouw als voorwaarde voor kerkopbouw? (235)
Veerle Rooze, Kerk en vernieuwing. Een analyse van vier gemeenteopbouwmodellen vanuit transformatiesperspectief (248)
Henk de Roest, Spiritualiteit als fundament voor kerkopbouw. Uitleiding (262)

Artikelencluster: Suïcide en pastoraat

Hal Droogleever Fortuyn, Suïcide en suïcidaliteit (5)
Nicolette Hijweege & Marieke de Fijter-Muijen, God is liefde, Hij heeft het niet zo gewild. Reflecties over de betekenis van de suïcide van een broer of zus en de rol van het geloof daarin (17)
Wim Smeets, Minder een antwoord geven dan wel zelf een antwoord zijn… In gesprek met Ans Withaar, directeur van ‘De Essenburgh’ te Hierden (25)
Michael Scherer-Rath, Ontoereikendheid van het menselijk handelen. Een praktisch-theologische reflectie op suïcidaliteit (43)

Af en toe wordt de redactie benaderd door lezers die in Praktische Theologie tevergeefs zoeken naar verdieping in bepaalde thema’s waarmee zij in het pastoraat geconfronteerd worden. Een dergelijk thema is de omgang met mensen die een suïcidepoging hebben gedaan en met nabestaanden van een suïcide. In dit tijdschrift is hier nog nooit specifiek aandacht aan besteed: de zoekfunctie op de website geeft geen resultaten bij de trefwoorden ‘suïcide’ of verwante termen. En afgezien van de in omvang bescheiden boeken ‘O toekomst, laat niet af’ uit 1996 van Jos Brink in de reeks ‘Op hoop van zegen’ en ‘Een doodstil doel’ uit 1990 in de reeks ‘Pastoraal perspectief’ van Jan W. Draijer, is er de laatste jaren in het Nederlandse taalgebied weinig gepubliceerd over suïcide en pastoraat. Dit staat in schril contrast met bijvoorbeeld de aandacht voor ethische vragen rondom euthanasie en hulp bij zelfdoding.
Dit alles vormde voor de redactie de aanleiding om een artikelencluster te wijden aan suïcide en pastoraat. Veel mensen met suïcidale neigingen komen vroeg of laat in contact met de psychiatrische hulpverlening. Ook pastores krijgen daar dan indirect of direct mee te maken: zij horen van de begeleiding door psychiaters of brengen pastoranten een bezoek in een psychiatrisch centrum. Om zicht te krijgen op de benadering van suïcide binnen de psychiatrie, schetst psychiater Droogleever Fortuyn een globaal beeld van de gangbare diagnostiek en therapie van suïcide binnen zijn beroepsgroep. Zijn bijdrage maakt onder meer duidelijk dat de psychoanalyse – jarenlang een toonaangevende dialoogpartner van pastoraalpsychologisch geschoolde pastores, mede onder invloed van de Klinische Pastorale Vorming – op dit moment weinig invloed heeft als verklaringsmodel en behandelingsmethode. Droogleever Fortuyn beklemtoont de mogelijke rol van de pastor als gesprekspartner voor mensen in een suïcidecrisis, waarbij een open houding van belang is. De pastor kan in dat geval de belangrijke ander zijn die wellicht het verschil maakt tussen leven en dood.
Nogal wat maatschappelijke organisaties houden zich bezig met de problematiek van suïcide. Eén zo’n organisatie is ‘De Essenburgh’, waar men cursussen en gespreksgroepen organiseert voor nabestaanden en voor hulpverleners. In een interview verheldert directeur Withaar de aanpak van haar organisatie. Die is er onder meer op gericht om suïcide uit de sfeer van het taboe te halen. Voor pastores onderstreept zij eveneens het belang van een open attitude. Pasklare antwoorden zijn er niet, het gaat er in eerste instantie om er te zijn voor de ander. Daartoe vindt Withaar het belangrijk dat pastores – net als andere professionals die betrokken zijn bij een suïcide – nagaan wat zij zelf vinden van suïcide. Het beeld van God is, zowel bij betrokkenen als bij professionals, medebepalend voor de opvatting over suïcide. ‘Als het leven niet meer smaakt, als je het niet meer aankan, mag je het leven misschien ook teruggeven aan de Schepper ervan.’ Vanuit dat beeld pleit Withaar voor het begrijpen in plaats van veroordelen van suïcide.
Pastores krijgen ook te maken met nabestaanden van een suïcide. De Fijter-Muijen onderzocht aan de hand van de Zelfconfrontatiemethode (cfr. Praktische Theologie, 2004, nr 1) de betekenis die suïcide in het leven van twee nabestaanden krijgt. Zij ging ook na welke rol religie kan spelen in de betekenisverlening aan suïcide. Op basis van deze resultaten reflecteert Hijweege over de rol van religie in de ‘coping’ met deze ingrijpende levenservaring. De geanalyseerde zelfonderzoeken geven aanleiding tot de hypothese dat het geloof niet zozeer invloed heeft op de cognitieve beschouwing van suïcide, maar meer op de affectieve beleving ervan. Daartoe is het belangrijk dat in de geloofsbeleving en in het pastoraat suïcide voldoende aandacht krijgt.
In een slotartikel blikt Scherer-Rath vanuit praktisch-theologisch perspectief terug op de vermelde bijdragen. Hij gaat in op de gedifferentieerde beleving van suïcide bij betrokkenen, maar ook in de kerkgeschiedenis. In de bijbel is er helemaal geen sprake van veroordeling van suïcide, maar veeleer van begrip. De dogmatische theologie, vooral sinds Thomas van Aquino, komt wel tot een negatief oordeel over suïcide, hetgeen gevolgen heeft voor de kerkrechtelijke en pastorale benadering ervan. Scherer-Rath pleit ervoor dat pastores suïcide niet als een ziekte of een zonde benaderen, maar als een handeling met een intentioneel doel, namelijk om een uitweg te vinden in een impasse. Vanuit dat perspectief kan suïcide een plek krijgen in een theologie van de ontoereikendheid van het menselijk handelen.

 

Overige artikelen

Anne-Mie Jonckheere, Pastoraat in een justitiële jeugdinrichting. Ruimte scheppen voor levensvragen en spirituele groei (57)
John Veldman, Grensoverschrijdende missie (75)
Wim in ’t Hout, Pastorale zorg voor uitgezonden militairen en veteranen. Een algemene beschouwing over diagnostiek en begeleiding (89)
Doris Nauer & Corja Menken-Bekius, Trends en uitdagingen in de poimeniek. Een literatuurbericht (99)

Een justitiële jeugdinrichting is een heel specifieke context voor pastoraat en geestelijke verzorging. De doelgroep aldaar bestaat uit jongeren die in hun leven vaak veel tekort zijn gekomen en beschadigingen hebben opgelopen. Bovendien hebben ze met andere jongeren gemeen dat slechts weinigen stevige ankers in een levensbeschouwing of godsdienst hebben, ofschoon de grote levensvragen hen intensief bezighouden. Op grond van eigen praktijkervaringen vertelt Anne-Mie Jonckheere over wat zij ervaart als richtinggevende perspectieven. Zij noemt in dat verband het scheppen van ruimte voor het kenbaar worden van levensvragen, voor het oefenen in respectvolle aandacht voor elkaar, en voor de voortgang van een spiritueel proces waarin het vrij staat om spiritueel voedsel te zoeken in oude verhalen en praktijken. De pastor mag hierbij voorop gaan in het benutten van de christelijke traditiestromen als geprivilegieerde vindplaats.
In het eerste deel van zijn artikel over missie als grensoverschrijding gaat John Veldman in op de specifieke missieactiviteit (missie ‘ad gentes’) en de veranderingen die het begrip missie heeft ondergaan. In het tweede deel beschrijft hij een aantal ‘werkzame elementen’ in de specifieke missieactiviteit, zoals liturgie, gerechtigheid, getuigenis, dialoog, inculturatie en verzoening. Waar we bij ‘missie’ vroeger dachten aan het overschrijden van territoriale grenzen, kan het begrip missie heden ten dage, vanuit dezelfde werkzame elementen én ingebed in een kenotische spiritualiteit, in bredere zin verstaan worden als het overschrijden van eigen grenzen om solidaire netwerken uit te breiden en antwoord te geven op de vraag naar de reden van onze hoop.
Van welke aard en inhoud zijn de vragen die in de context van het veteranenpastoraat op je afkomen? Wat is kenmerkend voor de pastorale begeleiding van (oud-)militairen die gediend hebben tijdens vredesoperaties en van uitgezonden militairen in oorlogssituaties? Aan de hand van eigen uitzendervaringen en impressies uit de dagelijkse praktijk van het veteranenpastoraat, geeft Wim in ’t Hout een eerste, inventariserend antwoord op deze vragen. Hij betoogt dat pastorale zorg gebaat is bij het tijdig onderkennen van de kernproblemen van deze (oud-)militairen en hun thuisfront, reden waarom hij pleit voor een proactieve houding van de pastor ten opzichte van deze bijzondere doelgroep.
In het literatuurbericht poimeniek gaan Doris Nauer en Corja Menken-Bekius ten slotte op zoek naar trends en uitdagingen in het vakgebied aan de hand van recente publicaties in de verschillende deelgebieden daarvan.