2004

Logo

Editieredactie: Gerrit Immink, Evert Jonker, Alma Lanser & Hans Siemerink

 

1. Vragen roept vragen op

Met dit themanummer, gewijd aan het vraaggebed, hopen we pastores te dienen in hun theologische reflectie op de vraag wat ze doen als ze vragen stellen aan God in liturgie en pastoraat, en hen te ondersteunen in hun bidden met en voor mensen.
Het vraaggebed is een specifieke modaliteit van bidden. Bidden slaat doorgaans op een breed scala van activiteiten (meditatie, mijmeren over de zin van het leven, zich op gezette tijden min of meer bewust openstellen voor en zich georiënteerd weten op een ‘ultimate concern’, bidden voor of na het eten, een avondgebed uitspreken, gezamenlijk in de kerkdienst bidden, biddend bijbellezen enz.). Meer specifiek kan bidden worden gezien als het zich uitdrukken in gedachten en woorden ten overstaan van God of – in een nog meer toegespitste vorm – als spreken tot God. Dat specifieke bidden kent verschillende modaliteiten: klagen, aanklagen, vragen, danken, aanbidden. We beperken ons binnen dit vijftal tot het vraaggebed als een specifieke, veel voorkomende en ook veel vragen oproepende vorm van bidden.
Bidden is een respons op Gods heilzame woorden en daden. Vragen en klagen, danken en aanbidden, verhaal doen en verhaal halen, roepen uit de diepte en stil zijn, zingen en spreken: het geschiedt buiten en binnen de kerk van alle tijden en plaatsen. In elk geval is een kenmerk van de kerk dat ze een biddende gemeenschap is, die zich in allerlei toonaarden uitspreekt voor – bijbels gezegd – het aangezicht van God. De dienaren in de geloofsgemeenschap, zoals pastores, kunnen met enige overdrijving beroepsbidders worden genoemd. Bidden is niet alleen hun professie in de meerdere gebedsvormen in de liturgie, maar ook in het pastoraat, dat kan worden opgevat als ‘kijken of er iets te bidden valt’. Een pastor verwoordt de pijn en het verlangen van mensen, zoekt naar redenen en mogelijkheden in de werkelijkheid van alledag om met alle fijnzinnigheid en onderscheidingsvermogen de juiste vraag te vinden en onder woorden te brengen waarop het in de gebedssituatie aankomt voor God en mensen. Bidders hebben meestal het eerbiedige besef dat God groter is dan hun hart en meer kan geven dan zij vragenderwijs als antwoorden kunnen bedenken. Zoals een ochtendlied het uitdrukt – nota bene als vraag aan God:
‘O Heer, die ons uw liefde geeft waardoor ’t geloof dit uitzicht heeft, sta Gij ons bij en help ons dan meer dan ons lied U vragen kan’.
(Liedboek voor de Kerken, Gezang 381:5).
Mensen bidden, ook als geloof en de kerk allang uit hun gezichtsveld zijn verdwenen of nooit in het vizier waren. Ze doen aan de grenzen van hun kunnen en kennen schietgebeden, stellen hun prangende vragen, luidkeels, maar ook in stilte. Ze vatten bidden vaak allereerst op als vragen aan of ten overstaan van een ultieme zin of vrijheid of aan en ten overstaan van de drie-enige God. Ondanks deze algemene vanzelfsprekendheid van bidden als vragen is het vraaggebed niet zonder problemen.
Om de gedachten bij enkele kwesties te bepalen: welke relatie tussen vraagsteller en adres ligt aan het vraaggebed ten grondslag? Wie veronderstelt een bidder al biddend dat God is? Wat vraag je wel en wat vraag je niet? Waar bid je om? Om gehoorzaamheid? Om iets materieels, of alleen om iets geestelijks? Bid je om God? Zodat je kunt zeggen dat de ervaren aanwezigheid van God de verhoring is? Is bidden wel nodig, waar God toch al weet wat nodig is, nog voor het wordt gevraagd? In hoeverre is regelmatig bidden een plicht, zoals het volgende gebed suggereert?
‘Mijn God. U hebt me geboden te bidden en te geloven, dat het gebed wordt verhoord. Daarom bid ik en daarop verlaat ik mij: U zult me niet verlaten en mij het rechte geloof geven’ (Maarten Luther, Gebeden, Baarn 1979, 13).
Ander punten van overweging. Het vraaggebed heeft een reinigende functie (catharsis). Het dient het komen tot zelfinzicht. Men kan zich afvragen of het gebed niet eerder een vorm van zelfconstructie is dan het beïnvloeden van God. Ook de vraag naar de relatie tussen de verantwoordelijkheid om de boontjes zelf te doppen en de vraag aan God om handelend bij te staan, is niet zomaar te beantwoorden. In Tibet gebruikt men gebedsvlaggen en gebedsmolens – mijn kinderen brachten deze mee uit het Verre Oosten – vanuit de gedachte dat de wensen in beweging moeten worden gebracht, wil de goddelijke wereld er aandacht voor hebben. Kant spreekt daarover in termen van waan en bijgeloof als hij dat wat men buiten de goede levenswandel nog aan Gode welgevalligs meent te moeten doen ‘blosser Religionswahn und Afterdienst Gottes’ noemt. Bijgeloof, dat een verlicht mens misstaat (Kant, Die Religion innerhalb der Grenzen der blossen Vernunft in: Kant Werke, herausgegeben durch W. Weischedel Teil VII, Darmstadt 1975, 842-847). Trouwens, hoe ver staat het vraaggebed van magisch handelen af? Veronderstellen bidders werkelijk in hun vragen zoiets als invloed op ombuiging van bestemming of voorzienigheid? Ook is er verschil tussen een toegespitst vraaggebed in een pastorale relatie (waar de pastor meestal eerst bespreekt waarvoor moet worden gebeden) en de vraaggebeden in de eredienst (voorbede), die zo geformuleerd moeten zijn, dat de kerkgangers ze kunnen herkennen als hun gebeden en er aan kunnen participeren. Soms zijn vraaggebeden zodanig alomvattend onder woorden gebracht dat niemand (ook God niet) er een buil aan kan vallen. Dan worden vragen alleen gesteld, voorzover ze niet vooronderstellen dat God een God is die tussenbeide komt in het menselijke bestaan.

 

2. Vragen aan de medewerkers van het themanummer

Deze opsomming maakt al duidelijk dat we onszelf zouden overschatten als we alle aspecten van vragen aan de orde zouden stellen in dit themanummer. Daarom hebben we ons beperkt tot de bespreking van enkele kwesties en mogelijkheden, die zich voordoen als pastores in een vraaggebed bidden met en voor mensen in pastoraat of liturgie. De auteurs hebben hun bijdrage geschreven tegen de achtergrond van de volgende vragen. Hun is gevraagd concrete gebeden in hun reflectie te betrekken.

1. Waar ligt volgens u het probleem bij het vraaggebed?
Welke achtergronden en vooronderstellingen zijn volgens u in het geding?

2. Wat?
Wat is volgens u een geoorloofde vraag? Kunnen we in principe onbekommerd alles vragen? Bidden om genezing? Om regen? Of is er sprake van selectie? Van onderscheid in natuurlijke zaken, in materiële zaken en in mentaliteitsaangelegenheden (kracht, vergeving enz.)? Op grond waarvan worden volgens u selecties gemaakt?

3. Wie?
Iets vragen aan God houdt in dat bidders deelhebben aan een machtsbereik, mogelijk een goede macht die de wereld stuurt en stuwt. Tegelijk benoemt de bidder al biddend een heils- en machtsbereik in de zekerheid (de hoop?) dat God in de performatieve acte van het vraaggebed present komt. Vragen aan God veronderstelt anamnese en anticipatie. Wie bidt, herinnert aan eerder ervaren heil van Godswege. Drukt verwachtingen uit van God. Welke is de relatie tussen de vraag en Gods geschiedenis met mensen in verleden en toekomst?
Tegelijk wordt bidden als vragen ervaren als een zelfgesprek, een intensieve expressie van eigen gevoelens, gedachten en wensen. Een innerlijke afweging van waar het voor de bidder uiteindelijk op aankomt in de vraag. Bidden is vanuit jezelf tot jezelf spreken voor een derde in jezelf, zei Valéry ergens. Hoe verhoudt deze psychologische kant van het vraaggebed als expressie van een dialogisch zelf zich tot God als een actieve macht van liefde en zorg?

4. Antwoord?
In een vraaggebed wordt gehoopt op grensverlegging en wordt uitdrukking gegeven aan het besef dat er in de gebedssituatie meer in het spel is dan wij mensen kunnen doorgronden. Wat is in het vraaggebed gehoopt als een goede inwilliging van de vraag door God? Wat is het aandeel van de gemeente in de beantwoording van de vraag? Bijvoorbeeld: wat verwacht iemand die om een schoon milieu bidt van God? En van zichzelf? En van de geloofsgemeenschap? Iemand die bidt om een schoon milieu, maar afval overal dumpt, is niet geloofwaardig.

 

3. Aanpak

We hebben getracht de aanpak bescheiden te houden. Meestal opteert een themanummer voor een empirische route. Na een inhoudelijke probleemverkenning volgt een empirisch gedeelte, waarin de praktijk wordt verkend. Vervolgens vindt een praktisch-theologische verwerking en beoordeling van de getoonde praktijk plaats en ten slotte worden in een laatste deel mogelijk nog voorstellen voor de vernieuwing van de praktijk gedaan. Deze drieslag van zien, oordelen en handelen is beproefd, vooral als de samenhang tussen de verschillende onderdelen klip en klaar voor het voetlicht komt. Wij zijn in die zin afgeweken van deze drieslag dat we van de poging hebben afgezien om in de korte tijd van voorbereiding van het themanummer een volgorde en samenhang aan te brengen.
We hebben nu gekozen voor een onzes inziens vruchtbare manier van doen, waarin we de stappen niet na elkaar zetten, maar naast elkaar.
(1) Een empirische benadering, waarin pastores voorbeelden geven van hun praktijk van vragen en daarop ook theologisch reflecteren. Langs die weg komt de praktijk in samenhang met de eigen reflectie op de praktijk naar voren. De vier bijdragen (De Vries, Koetsveld, Van Gaal en Velema) worden nog eens in samenhang bezien door een van ons (Lanser-van der Velde). Verrassend bleek in deze bijdragen meteen al dat een themanummer over bidden om een combinatie van precies taalgebruik en een persoonlijke toon vraagt. Bovendien is het verrassend dat een niet zo bekend artikel van een Firet over leren bidden uit 1977 op inspirerende wijze dienst kon doen als theoretische ordening van deze bijdragen.
(2) Daarnaast zijn we meteen begonnen met een fundamentele en problematiserende benadering van het vraaggebed. Immink plaatst praktisch-theologische notities bij het vraaggebed. Hij tast onder meer de grenzen van het vragen af. Sarot vraagt zich af of vragen om ingrijpen in de loop der dingen wijsgerig plausibel is. Zowel Immink als Sarot brengen hun persoonlijke ervaring in. Siemerink beschouwt het vraaggebed vanuit de taaldadentheorie van Austin en Searle. Dat leidt tot een verrassende kijk op vragen en tot een differentiatie in het soort vragen. Voor de lezer kan het boeiend zijn de overeenkomsten en verschillen in benadering tussen Immink en Sarot aan de ene kant en Siemerink aan de andere kant op te sporen. Heyen neemt een godsdienstpsychologisch en godsdienstpedagogisch perspectief in als hij verslag doet van een onderzoek naar kindergebeden. Hij vraagt zich af in hoeverre vraaggebeden de eigen verlangens wegdrukken of juist erkennen.
(3) En deze fundamentele beschouwingen worden geflankeerd door beschouwingen over manieren van doen in de praktijk: Menken-Bekius schrijft over de mogelijkheid en moeilijkheid van het vraaggebed door pastores, die in gesprek zijn met mensen die veel pijn lijden. Waayman doet verslag van de manier waarop het vraaggebed in een cursus spiritualiteit een plaats kan hebben. Hij komt met voorbeelden uit de Psalmen. Jonker bespreekt vier voorstellen om gemeenteleden of parochianen in leerprocessen te laten reflecteren op hun eigen vragen en vraaggebeden.

 

4. Tot slot

In onze besprekingen binnen de subredactie bleek soms dat we vonden dat we alles mochten vragen en soms vonden we dat onbetamelijk en kwamen we uit bij terughoudendheid. Soms gingen we naïef ver in het bedenken van wat God allemaal zou kunnen doen en tegelijk beseften we hoezeer het ons bezighield dat de biddende mens met zichzelf in gesprek raakt. Als auteur namens de redactie van deze inleiding brengt me deze spanning bij wat ik eens las in een van de in totaal veertien christelijke toespraken over de leliën des velds van Kierkegaard (1849 XI,16).
‘De ware bidder ligt soms iets op het hart, dat heel belangrijk voor hem is, dat hem bezighoudt, dat hij voor alles tracht zich precies voor God verstaanbaar te maken, bang als hij is dat hij iets vergeten zou. En als hij het vergeten heeft te zeggen, is hij weer bang dat God Zich dat niet uit Zichzelf zou herinneren: om al deze redenen wil hij dan heel zijn geest concentreren tot waarachtig innerlijk gebed. Maar wat gebeurt er dan, als hij innerlijk bidt? Hoe meer hij zichzelf in zijn gebed verinnerlijkt, des te minder en minder heeft hij te zeggen. Totdat hij uiteindelijk helemaal stil wordt . Hij wordt helemaal stil en wat is er meer tegengesteld aan het spreken dan de stilte? Zo is hij hoorder geworden. Hij meende, dat bidden spreken was en hij leerde dat bidden slechts zwijgen is, maar ook luisteren. En zo is het. Bidden betekent niet, dat je jezelf hoort spreken, maar het is langzamerhand leren zwijgen en blijven zwijgen, om te verwachten dat je God dan hoort spreken.’
Afgezien van de mannelijke vorm en afgezien van mogelijke misverstanden van deze passage, deze spanning tussen spreken en luisteren is te herkennen in veel van de bijdragen in dit themanummer. Vragen stellen aan God brengt de bidder vaak zelf in haar of zijn zelfreflectie bij het voor haar, voor hem, of voor de ander ene nodige.

 

I. Inleiding

Evert Jonker, Het vraaggebed. Inleiding (407)

II. Empirisch: praktijkverhalen & reflecties

Alma Lanser, Inleiding op het empirisch deel (413)
Anneke de Vries, Het vraaggebed in het pastoraat (415)
Herman Koetsveld, ‘Ik luister meer als ik bid en ik bid meer als ik denk’ (421)
Dorris van Gaal, Vragen krijgen, geven of ontvangen?
(428)
Velema, Arjen, Teksten van een legerpredikant (433)
Alma Lanser, Verlangen en ontvangen. Reflectie over de praktijkbijdragen (439)

III. Theoretisch: theorie van de praktijk

Gerrit Immink, Kun je alles aan God vragen? Praktisch-theologische notities bij het vraaggebed (449)
Marcel Sarot, Ik laat u niet gaan, tenzij Gij mij zegent. Wijsgerige reflecties over vraaggebed (464)
Hans Siemerink, Wat doen wij als wij bidden? (480)
Heye Heyen, Ontkenning of erkenning van de eigen verlangens? Godsdienstpsychologische aspecten van een weinig opgemerkte functie van het smeekgebed (495)

IV. Praktisch: manieren van doen in de praktijk

Corja Menken-Bekius, Bidden als alles pijn doet. Het vraaggebed in het pastoraat aan mensen die pijn lijden (508)
Kees Waaijman, Vragen als geestelijke weg (518)
Evert Jonker, ‘Het verlangen bidt, ook als de tong zwijgt’. Leren vragen (531)

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn

Artikelencluster: Leiderschap & management

Rein Brouwer, Willow Creek en de managementvisie van Peter F. Drucker (279)
Kees de Groot, Kerkelijk management met een missie (299)
Jodien van Ark, Twee kapiteins op een schip. De samenwerking tussen de predikant en de voorzitter van de kerkenraad (315)
Henk de Roest & Sake Stoppels, Kerk en management: een ongemakkelijke relatie (334)

Ondanks theologische argumenten om de kerk niet of niet uitsluitend als een organisatie te beschouwen, kan het verhelderend zijn om na te gaan in hoeverre inzichten uit organisatietheorieën een bijdrage kunnen leveren aan ‘succesvol’ kerk-zijn. In een cluster van vier artikelen gaat het over zaken als management, marketing, behoeften, doelgerichtheid, effectiviteit, leiderschap en missie, kortom: over hetgeen we van de organisatietheorie kunnen leren. Maar het gaat ook over de valkuilen, beperkingen en eigensoortige perspectieven die we, juist als kerk, in het oog moeten houden.
In een eerste artikel vindt u vooral een beschrijving van de manier waarop men in de ‘Willow Creek Community Church’ een managementmodel en een visie op leiderschap hanteert die gerelateerd zijn aan het managementdenken van Peter F. Drucker. Op grond van deze beschrijving vraagt Rein Brouwer zich af of de managementeffectiviteit en de marketingmethodes geen negatieve invloed hebben op de gecommuniceerde inhoud van het evangelie. In hoeverre mag in de kerk de behoefte van de klant de inhoud van de boodschap bepalen? Verder plaatst hij een kritische kanttekening bij het concept ‘gemeenschap’: Willow Creek lijkt vooral gelijkgezinden te verzamelen. Hoe verhoudt zich dat tot het bijbelse begrip ‘koinoonia’?
In een tweede artikel laat Kees de Groot zien dat de rooms-katholieke kerk zowel kenmerken heeft van een lidmaatschapsorganisatie als van een dienstverleningsorganisatie. Beide typen hebben hun eigen sterke en zwakke kanten als het gaat om het vertalen van de missie van de kerk in inhoudelijke doelen.
Met betrekking tot het leiderschap in de protestantse kerk als organisatie is het interessant dat de predikant steeds vaker geen voorzitter meer is van de kerkenraad. De vraag dient zich aan of er sprake is van twee kapiteins op een schip, of van verschillende rollen die samen de boot doen varen. Aan de hand van een praktijkonderzoek beschrijft Jodien van Ark hoe de samenwerking tussen deze twee leidinggevenden in de gemeente zoal verloopt. Er wordt geanalyseerd welke competenties er in het geding zijn en er wordt geïnventariseerd welke randvoorwaarden vervuld moeten zijn, wil er sprake kunnen zijn van goed, gedeeld leiderschap.
In een afsluitende praktisch-theologische reflectie zoeken Henk de Roest en Sake Stoppels naar spanningsvelden in de voorgaande artikelen. In hoeverre moeten gemeente en parochie meegaan in de tendens van doelmatig en planmatig werken? Verzet het wezen van de kerk zich daar niet tegen? Kan het behoefteconcept dat aan het marketingdenken ten grondslag ligt, wat de kerk betreft niet beter vervangen worden door het begrip ‘motivatie’? En over ‘mission statement’ gesproken: wat is heil en wat is de heilsnoodzakelijkheid van de kerk?
Een plaats waar het op nut en planmatigheid gerichte denken bij uitstek verstomt, is in de nabijheid van terminale zieken. In zijn artikel over kanker en kwaliteit van leven houdt Felix Punt aan de hand van een casus een pleidooi voor een spiritueel paradigma binnen de zorg voor de (terminale) kankerpatiënt. Als praktijkdeskundige beschrijft hij hoe je aan kankerpatiënten een kader kunt aanreiken waarbinnen zij, in de gegeven context van hun ziekte, ontvankelijk kunnen worden voor de meer onvoorwaardelijke zin en betekenis achter hun leven. De uitkomst kan een nieuw evenwicht zijn waarin leven en dood naast elkaar bestaan.
In de rubriek ‘Boek’ bespreekt Gerben Heitink het recent verschenen werk van Gerrit Immink: In God geloven.
De laatstgenoemde schrijver komt ten slotte zelf aan het woord als nieuwe auteur van onze kroniek Praktische Theologie, waarin aandacht voor actuele praktisch-theologische ontwikkelingen en publicaties.

 

Overige artikelen

Felix Punt, Kanker en kwaliteit van leven. Spiritualiteit in de zorg (356)
Gerben Heitink, ‘F.G. Immink, In God geloven’. Een praktisch-theologische reconstructie (370)
Gerrit Immink, Kroniek Praktische Theologie (379)

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn

Artikelencluster: Werken in teamverband

Gerben Heitink, Werken in teamverband: noodzaak, mogelijkheden en kansen

Hans Siemerink, Parochiepastoraat en het werken in een team van pastores
Jan Bruin, Teamverband en kerkorde
Cees Waardenburg, Het proces van teamvorming nader bekeken
Rainer Wahl & Evert van Leersum, Het ambt van predikant in teamverband. Modellen, metaforen en hun effecten op teamwerk

Zowel in SoW-gemeenten als in rooms-katholieke parochies in Nederland wordt de noodzaak van samenwerking van pastores als steeds dringender ervaren. En met name de laatste jaren komen allerlei vormen van meer of minder intense samenwerking van de grond. Naar de mate de samenwerking, in organisatorisch-structurele zin, ‘serieuzer’ wordt en minder vrijblijvend dan voorheen veelal het geval was, naar die mate zijn de gevolgen voor het zelfverstaan van de (plaatselijke) geloofsgemeenschappen, parochies en gemeentes, ingrijpend tot zeer ingrijpend. Zoals ook voor elke individuele pastorale professional – predikant, priester, pastoraal werkende – nieuwe organisatievormen van het pastoraat zeer ingrijpend zijn. De beleving en de waardering van allerlei ontwikkelingen in deze zijn dan ook zeer verschillend. Zowel maatschappijvisie en kerkbeeld, als ambtsopvatting, persoonlijke competenties en persoonlijke ambities spelen daarbij een rol.
Het leek de redactie van belang om aan deze ontwikkelingen aandacht te besteden. We hebben gekozen voor de vorm van een uitgebreid artikelencluster. Belangrijke vragen die in de verschillende artikelen van het cluster een rol spelen, zijn de volgende.
Welke zijn de aanleidingen en oorzaken voor het verschijnsel dat zowel in protestante gemeenten als in rooms-katholieke parochies steeds vaker naar intensere vormen van samenwerking tussen ambtsdragers en andere professionele pastores wordt gezocht, dan wel moet worden gezocht? Welke zijn feitelijke vormen van samenwerking van pastores? Hoe kunnen deze worden gewaardeerd, zowel vanuit een bestuurlijk beleidsmatig perspectief als vanuit het perspectief van de pastorale ‘professionals’ zelf? Welke zijn de risico’s en kansen vanuit ecclesiologisch en ambtstheologisch perspectief? Welke zijn, vanuit een kerkordelijk/kerkjuridisch perspectief, mogelijke haken en ogen aan allerlei ontwikkelingen? Welke zijn belangrijke aandachtspunten (of risico=s indien er géén aandacht aan wordt besteed!) wanneer pastores – daartoe gedwongen, dan wel aangezet of uitgedaagd door aan hen externe ‘situaties’ als een bisdom, een bestuur, een classis, etc. – zich de facto in een proces van nauwere samenwerking begeven?
Deze vragen hebben als uitgangspunt gegolden voor de verschillende bijdragen van het cluster. Het betekent niet dat op alle vragen een definitief of een volledig antwoord is gegeven. Daarvoor zijn de ontwikkelingen nog te zeer in volle gang.
In de periode dat binnen de redactie de contouren van een artikelencluster ‘Werken in teamverband’ handen en voeten begonnen te krijgen, werd in het kader van de VPGKN (Vereniging van Predikanten van de Gereformeerde Kerken in Nederland) een predikantenconferentie voorbereid (7 oktober 2003) met als thema ‘Werken in teamverband – verkenning van de randvoorwaarden’. Vanuit de redactie is met de organisatoren van de conferentie in een vroegtijdig stadium contact opgenomen en is afgesproken dat inleiders op de conferentie, in het verlengde van hun bijdrage op deze conferentie, een artikel voor het cluster ‘Werken in teamverband’ zouden schrijven. Vandaar dat er in het cluster meer artikelen zijn die ingaan op de situatie in de protestantse gemeenten dan op die in rooms-katholieke parochies.
De redactie hoopt dat de verschillende artikelen een bijdrage zullen leveren aan het proces van voortgaande samenwerking en teamvorming, zowel op het persoonlijke (micro)niveau van de individuele pastores, als op het mesoniveau van de gemeenten en parochies en het macroniveau van de PKN en van de bisdommen in Nederland.
Wat de overige artikelen betreft, presenteren wij u eerst een bijdrage van Sake Stoppels, waarin hij een geordend en overzicht geeft van de bijdrage van Jan Hendriks aan de theorievorming over gemeenteopbouw én van de kritische reacties die deze bijdrage heeft opgeroepen.
Daarna volgt een literatuurbericht waarin Harry Stroeken een aantal recente godsdienstpsychologische publicaties, voorzien van zijn commentaar, aan u presenteert.

 

Overige artikelen

Sake Stoppels, De gemeenteopbouwtheorie van Jan Hendriks in discussie
Harry Stroeken, Literatuuroverzicht godsdienstpsychologie

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn

Editieredactie: Hubert Hermans, Tjeu van Knippenberg & Wim Smeets

 

In het pastoraat vinden tal van ideeën en methoden toepassing die oorspronkelijk uit andere werkvelden stammen. Sommige houden het niet langer uit dan de tijd van een rage, andere gaan mettertijd als het ware tot het basisgereedschap van de pastor horen. Wie gebruikt bijvoorbeeld nog beatmuziek in de liturgie? Tegelijk zal geen pastor bijvoorbeeld de waarde van de basishoudingen uit de cliëntgerichte gesprekstherapie (Carl Rogers) voor het pastoraat ontkennen.
Een methode die sinds enkele decennia in het pastoraat wordt toegepast, is die van de Zelfconfrontatiemethode (ZKM), ontwikkeld door de Nijmeegse psycholoog Hubert J.M. Hermans. Ontstaan op het terrein van het persoonlijkheidsonderzoek, vonden anderen in deze methodiek aanknopingspunten voor een gehele of gedeeltelijke overname ervan in hun eigen werk. Zo ook in het pastoraat en de pastorale supervisie. Langs verschillende wegen hebben velen kennisgemaakt met deze methode: tijdens hun studie, nascholing of lectuur, in groepswerk, via supervisie of andere begeleidingsvormen.
De redactie vond de tijd rijp om een stand van zaken op te maken. Op welke wijze wordt de Zelfconfrontatiemethode toegepast in het pastoraat? Deel I biedt een inleidende oriëntatie in de theoretische achtergrond van de methode: de waarderingstheorie en theorie van het dialogische zelf (Hermans & Van Knippenberg). Deel II van dit nummer biedt een greep uit de diverse toepassingen: in het individuele pastoraat (Hacking), het groepspastoraat (Strijards), levensbeschouwelijk onderwijs en opvoeding (Bakker), opleiding en supervisie aan pastores (Putman, Lootens).
Aan de overname van methoden uit andere werkvelden in het pastoraat zitten kansen en risico's. Het werk kan winnen aan creativiteit, door de mogelijkheden van een nieuwe aanpak. Maar juist de creatieve toepassing van een methode kan ertoe leiden dat zoveel van de oorspronkelijke aanpak wordt gewijzigd of veranderd, dat het eigene verloren gaat. Tegelijk met een methode wordt ook een achterliggende theorie soms klakkeloos binnengehaald. Niet altijd zijn de theoretische uitgangspunten te verzoenen met een theologische antropologie. Tegelijk kan de theologie gebaat zijn bij een fundamentele discussie met dit 'andere gedachtegoed'. De praktische theologie is bij uitstek een wetenschappelijke discipline die leeft van de kritische uitwisseling met theorieën en concepten uit andere disciplines.
In deel lIl van dit themanummer reflecteren twee psychologen (Alma, Van Belzen) en twee theologen (Schotsmans, Schilderman) over de vraag: hoe zit dat met de toepassingen van de Zelfconfrontatiemethode in het pastoraat? Wordt de methode op een verantwoorde wijze toegepast? En wat gebeurt er met de theoretische achtergrond van de methode, de waarderingstheorie en theorie van het dialogische zelf?
De auteurs in dit themanummer behoren tot de volgende vakgebieden: praktische theologie, humanistiek, moraaltheologie, cultuur- en godsdienstpsychologie en persoonlijkheidspsychologie. Over praktijk en theorie komen stemmen uit Nederland en Vlaanderen aan het woord. Gesprekspartner van de praktische theologie is in dit themanummer vooral de psychologie. Hiermee wordt aangeknoopt bij een traditie die in dit blad een bijzondere vorm had gekregen bij de fusie met het Tijdschrift voor Pastorale Psychologie in 1973. Voor de praktische theologie kan de hier gevoerde discussie een voorbeeld zijn van de ontwikkeling van 'intradisciplinariteit', dit wil zeggen het zelfstandig leren hanteren van methoden uit andere disciplines. Wij hopen dat dit themanummer verder behulpzaam kan zijn voor pastores die de Zelfconfrontatiemethode zelf (willen) gebruiken in hun werk.

 

DEEL I – INLEIDING

Hubert Hermans & Tjeu van Knippenberg, De dialogische aard van het menselijk waarderingsleven

DEEL II – TOEPASSINGEN

John Hacking, De toepassing van de ZKM in het studentenpastoraat
Hans Strijards, De stem van het collectief. ZKM en groepspastoraat
Dieuwertje Bakker, Zelfconfrontatie in humanistisch levensbeschouwelijke opvoeding
Willem Putman, De bijdrage van de ZKM aan de supervisie van (aankomende) pastores. Een ervaringsbericht
Dominiek Lootens, Meerstemmige pastores en narratief pastoraat. Het gebruik van de theorie van het meerstemmige zelf, de waarderingstheorie, de ZKM en de PPR in de nascholing van pastores

 

DEEL III – REFLECTIE

Hans Alma, Religieuze mogelijkheden van de ZKM en de theorie over het dialogische zelf. Evaluatie van de toepassingen vanuit godsdienstpsychologisch perspectief
Jaap van Belzen, Van techniek naar theorie. Mogelijkheden voor onderzoek naar religie met behulp van de theorie van het dialogische zelf
Paul T. Schotsmans, De waarderingstheorie in relatie tot normen en waarden. Evaluatie van de toepassingen vanuit fundamenteel moraaltheologisch perspectief
Hans Schilderman, Morele en religieuze waardering. Waarderingstheorie vanuit pastoraaltheologisch perspectief

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn