2002

Logo

In de drie artikelen waarmee we deze editie openen, gaat het achtereenvolgens over de verhouding tussen kerk en staat, over de maatschappelijke relevantie van dc kerken, over de ruimte voor betekenisvol en gezagvol kerkelijk spreken, en over dc mede in dat verband gegeven mogeiijkheden en moeilijkheden voor mensen om zich in deze tijd kerkelijk te engageren. Omdat deze drie artikelen - onbedoeld, want onafhankelijk van elkaar tot stand gekomen - de nodige inhoudelijke overlap bezitten, hebben we ze bij elkaar geplaatst. De vraag naar en de strijd om de verhouding tussen kerk en staat is een van de constanten in de geschiedenis van het Christendom, constateert Bert Laeyendecker in het eerste artikel. Daarin stclt hij in kort bestck enkele aspecten van die vraag aan de orde als referentiepunt voor een kritische beoordeling van de huidige situatie. Eerst gaat hij daartoe in op de grond-slag van de spanning die er onvermijdelijk altijd bestaat tussen godsdienst en politiek. Vervolgens geeft hij een kort overzicht van enkele relevante historische ontwikkelingen, om tot slot in het verlengde daarvan aandacht te besteden aan de huidige situatie. Dat het de kerk in deze tijd ontbreekt aan een goede basis voor betekenisvol en daarmee gezagvol spreken, is volgens de auteur ook te vertalen in een opdracht aan de kerk om eens kritisch naar zichzelf te kijken.

Sinds het Tweede Vaticaans Concilie ontbreekt het dc Nederlandse r.-k. kerk aan een gezamenlijke visie op kerk en kerkelijk gezag, constateert vervolgens Johannes A. van der Ven. Deze diagnose is aanleiding voor een beschouwing over de relatie tussen kerk en godsdienstvrijheid. Hij kiest zijn vertrekpunt bewust in het begrip godsdienstvrijheid en laat zien dat de kerk op grond daarvan deel uitmaakt van het maatschappelijk middenveld. tussen staat en privesfeer in. Daar gesitueerd kan de kerk alleen bestaan wanneer ze de dialoog zoekt. Haar getuigenis hoeft de kerk daarbij niet op te geven, indien dat getuigenis althans niet massief en stoer is gebaseerd op abstracte waarheden, maar het karakter heeft van zoekend en tastend pogen de tekenen van de tijd te verstaan, en wanneer zij daar de sporen van God in tracht te ontcijferen. Pas dan kan de kerk ook als werkdadig sacrament gedefinieerd worden en zullen de leden zich ook met die kerk kunnen engageren.

Dat de bereidheid van mensen om zich te engageren met een kerk inderdaad, maar niet alleen afhangt van de relevantie van het kerkelijk spreken, blijkt ten slotte uit het onderzoek waarvan Hijme Stoffels verslag doet. Er blijkt een scala aan factoren. onder andere ook van sociologische aard, ten grondslag te liggen aan iemands bereidheid om een binding met de kerk aan te gaan. Stoffels geeft eerst enkele theoretische beschouwingen over het begrip 'binding1. Daarna geeft hij een overzicht van de resultaten van een onderzoek naar de betrokkenheid van leden van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland bij hun plaatselijke en landelijke kerk. In dat onderzoek ging het om vragen als: wat bindt mensen heden ten dage aan de kerk? Wat zoeken zij er en wat vinden zij er? Hoe stellen kerkelijke beleidsmakers zich op jegens de leden? Welke verwachtingen koesteren zij ten aanzien van betrokkenheid en participatie? Hoe is kerk-zijn mogelijk in een tijdperk waarin de individualisering - ook onder de eigen leden - hoogtij viert?

Aan de hand van een aantal pastorale situaties uit de praktijk van de gezondheidszorg beschrijft Clara Angenent in haar artikel 'Kiemen van religiositeit' het spanningsveld waarin pastores in de gezondheidszorg staan ten gevolge van de grote diversiteit aan geloofsbelevingen bij hun pastoranten enerzijds, en de druk om het eigene van de geestelijke verzorging te kunnen bewaren anderzijds. Zij geeft daarbij aan hoe zij in allerlei dilemma's terechtkomt, hoe zij daarmee is omgegaan, wat zij daarbij gevoeld, gedacht en gedaan heeft.

Pastoraat als levensbegeleiding sluit aan op de zoektocht van ieder mens naar de eigen identiteit. Er zijn momenten waarop dit zoekproces kan stagneren en ogenschijnlijk tot stilstand komen. Op zo'n moment kan de noodzaak ontstaan van een herziening van het eigen godsbeeld. Bij een dergelijke 'actualisatie van het godsbeeld" gaat het om een moment in de geloofsgeschiedenis waarop mensen in contact komen met en zich bezinnen op God, met als resultaat de toename van zelfbesef en van het vermogen zichzelf te ontwikkelen. In hun artikel bereflecteren Hans Strijards enTjeu van Knippenberg de relatie tussen godsbeeld en zelfbeeld, en adstrueren zij het pastorale belang van actualisatie van godsbeelden mede aan de hand van de casus van Anna.

In een drietal rubrieken ten slotte aandachl voor de bespreking van relevante literatuur. Sake Stoppels besteedt uitgebreid aandacht aan het boek van Andries Baart Een theorie van de presentie, over het oudewijkenpastoraat en over het verschil tussen interventie- en presentiebenadering. Tjeu van Knippenberg ons op de hoogte van recente publicaties binnen de poimeniek, waarna Harry Stroeken als afsluiting de publicaties binnen de godsdienstpsychologie voor zijn rekening neemt.


Artikelen

Bert Laeyendecker, Onrust op een grensgebied. Een globale
verkenning

Johannes A. van der Ven, Godsdienstvrijheid en kerkelijk engagement.
De rooms-katholieke kerk in Nederland bij de aanvang van het derde millennium

Hijme Stoffels, Tussen binding en ontbinding. Kerkleden op zoek naar gemeenschap en individualiteit
Clara Angenent, Kiemen van religiositeit
Hans Strijards & Tjeu van Knippenberg, De relatie tussen godsbeeld en zelfbeeld in pastoraal perspectief
Sake Stoppels, 'Verpletterend gewoon' en uitzonderlijk'. Andries Baart: een theorie van de presentie
Tjeu van Knippenberg, Verkenningen in de poimeniek
Harry Stroeken, Literatuuroverzicht godsdienstpsychologie

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn

Editieredactie: Gerrit Immink, Evert Jonker & Hans Siemerink

 

In dit themanummer treft u zes portretten aan van wat wij noemen ‘geleefd geloof’. Wij hebben gesprekken gevoerd met deze mensen over de betekenis en relevantie van het geloof in hun leven. De personen die aan het woord komen hebben iets met het geloof, zij het op heel verschillende wijze. Op de een of andere manier vormt het een inspiratiebron in het alledaagse bestaan. Bovendien blijkt het geloof nauw verweven te zijn met de biografie. Je kunt zeggen dat het geleefde geloof een specifieke kleur heeft gekregen tijdens de gang door het leven, maar je merkt ook dat het geloof zelf iets aandraagt waardoor het leven gestempeld wordt.
Wat treft u aan in deze bundel? Als inleiding op de thematiek een artikel van Gerrit Immink over de verschillende aspecten van geleefd geloof. Hij plaatst het geleefde geloof in een praktisch-theologisch kader, waarbij hij recht wil doen aan de subject- en objectzijde van het geloof. Naast de structuur van het geloof komen ook meer inhoudelijke aspecten ter sprake. Het artikel van Immink vormde het uitgangspunt voor dit themanummer. Als redactie (Gerrit Immink, Evert Jonker en Hans Siemerink) zijn wij eerst bijeengekomen om daarover van gedachten te wisselen en tijdens die bespreking hebben we de lijnen uitgezet. Bijzondere aandacht hebben we besteed aan het ontwerpen van interviewvragen. Hans Siemerink heeft dat verder uitgewerkt en in deze bundel vindt u zijn schets van de opzet en achtergrond van de half-open interviews.
Daarna komt de weergave van de interviews in de vorm van zes portretten. De redactieleden (Gerrit Immink, Evert Jonker en Hans Siemerink) hebben zelf de interviews afgenomen. Vooraf hebben we de interviewvragen opnieuw uitvoerig doorgenomen en ons ook afgevraagd wat die vragen bij onszelf teweeg zouden brengen. We waren van mening dat het zin heeft te vragen naar de biografie en naar de betekenis van het geloof in het alledaagse leven. De keuze van de respondenten hebben we als volgt benaderd. De spreiding naar kerkgenootschappen leek ons zinvol. We hebben niet gestreefd naar een spreiding tussen meer orthodox en meer vrijzinnig. Wellicht zijn we ongeveer bij de middengroepen terechtgekomen. We hebben contact opgenomen met een plaatselijke gemeente en op die manier gezocht naar iemand die mee zou kunnen en willen werken aan dit themanummer. In een enkel geval hebben we ook direct contact gelegd.
Als kernredactie waren we van mening dat het goed zou zijn om zelf na afloop te reflecteren op de interviews. Na de eerste bespreking hebben we een taakverdeling gemaakt vanuit drie richtvragen: (1) hoe is de verhouding tussen persoonlijk geloof en het geloof van de kerk? (2) Hoe is de beeldvorming inzake de betrekking tussen God en mens? (3) Hoe verhouden zich de menselijke subjectfuncties in de geloofsact?
Ten slotte hebben we ook twee externe deskundigen bij ons onderzoek betrokken. Hans Alma geeft een terugblik op de interviews vanuit godsdienstpsychologisch perspectief en Anton Houtepen hebben we gevraagd te reflecteren van uit het oogpunt van de systematische theologie.
De inhoud van dit themanummer ziet er als volgt uit.

Gerrit Immink, Ten geleide (257)
Gerrit Immink, Geleefd geloof (259)
Hans Siemerink, Opzet en achtergrond van de half-open interviews (282)

Interviews

Evert Jonker, Betty – Gewoon bezig in de gemeente (286)
Evert Jonker, Harm – Laat dit nu eens het echte zijn (293)
Hans Siemerink, Henk – Geloven is dienstbaarheid en is genieten (300)
Hans Siemerink, Renée – Portret van een postkatholiek (306)
Gerrit Immink, Frieda – Het geloof geeft ruimte (313)
Gerrit Immink, Cees – Wij zijn de handen van de Heer (319)

Analyse

Hans Siemerink, Het geloof van de kerk en persoonlijk geloof, 325
Gerrit Immink, De beeldvorming en de beleving van God, 333
Evert Jonker, Attitude en levensverhaal, 341

Reflectie

Hans Alma, Voorbeelden van geleefd geloof (360)
Anton Houtepen, De Heer is mijn licht en mijn heil: voor wie zou ik vrezen? (373)

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn

Artikelencluster: Leren geloven

Alma Lanser, Geloven leren. Een theoretisch en empirisch onderzoek naar wederkerig geloofsleren (127)
Evert Jonker, De mystiek van Evert. Over een handelingsonderzoek naar wederkerig geloofsleren (143)
Thea Timmers-Huigens, Het geloofsgesprek tussen generaties (159)

Doorgeven van het geloof aan een volgende generatie vindt niet plaats in de vorm van eenrichtingsverkeer. Het proces van geloofsoverdacht is veeleer te beschrijven als een wederzijds, intergeneratief uitwisselen van ervaringen in verband met geloven. Het actuele belang van het onderwerp ‘leren geloven’ rechtvaardigt volgens de redactie de publicatie van een artikelencluster. We kozen voor een drietal artikelen, gebaseerd op het minisymposium dat door de theologische faculteit van de Vrije Universiteit Amsterdam werd georganiseerd naar aanleiding van het proefschrift ‘Geloven leren’ van Alma Lanser-van der Velde. Het cluster bestaat uit bijdragen van achtereenvolgens Alma Lanser-van der Velde, Evert Jonker en Dorothea Timmers-Huigens.
In haar godsdienstpedagogische studie ‘Geloven leren’ onderzoekt Alma Lanser-van der Velde hoe we ons een wederkerige manier van geloven leren kunnen voorstellen. Daarvoor maakte zij, in de vorm van een handelingsonderzoek, een studie van een serie gesprekken – in een catechetische setting – tussen jongeren en hun ouders. De auteur betrekt de uit de praktijk verworven inzichten op de theorie omtrent wederkerig geloofsleren. Aan de hand daarvan formuleert zij antwoorden op de vraag hoe en onder welke voorwaarden het wederkerig geloofsleven van jongeren en hun ouders bevorderd kan worden. Op grond van de veranderingsprocessen die zij tussen jongeren en hun ouders zag plaatsvinden tijdens de gesprekken over geloven, stelt de auteur onder andere voor om het concept wederkerig geloofsleren te vervangen door het concept transformatief geloofsleren.
Evert Jonker stelt in zijn bijdrage vast dat de benadering van het transformatief geloofsleren toegespitst is op de participatie aan het groepsproces en op de onderlinge betrekkingen tussen ouders en jongeren, en op hun omgang met de inhouden die over tafel gaan. Hij vraagt zich af of er niet ook aandacht moet zijn voor de eigen kracht van de stof, de eigen kracht van de inhoud als een subject dat op een eigen bemiddelde manier zich mengt in de wederkerigheid van ouders en jongeren. Heeft ‘de zaak’ ook nog een eigen zeggingskracht? Is de zaak niet zelf een subject?
De bijdrage van Dorothea Timmers-Huigens bestaat uit het plaatsen van een aantal kanttekeningen die te maken hebben met maatschappelijke ontwikkelingen en daaraan gerelateerde praktische problemen bij het voeren van geloofsgesprekken. In dat verband komen aan de orde: het traditionele kindbeeld, de maatschappelijke tendensen die het geloofsleren bemoeilijken, en de mogelijkheid om elkaar in het gesprek echt te begrijpen; daar gaat het om meer dan luisteren.
Enige maanden geleden is in Nederland een nieuwe euthanasiewetgeving van kracht geworden. Op ons als pastor kan een beroep worden gedaan om iemand bij te staan die zo zwaar en uitzichtloos lijdt dat hij of zij een verzoek om euthanasie overweegt. In dat geval moeten we weten wat de medisch-ethische criteria zijn en welke eisen de wet aan de arts stelt. Het artikel van Gerrit Manenschijn informeert ons hierover uitgebreid. Daarbij gaat hij ook in op de jurisprudentie die tot de nieuwe euthanasiewet heeft geleid en op de betekenis van het beroep op autonomie bij een aanvraag om euthanasie.
Daarna meldt Evert Jonker zich opnieuw, nu met zijn literatuurbericht gemeentepedagogiek (oorspronkelijk geschreven voor editie 2001/4) dat hij de titel meegaf: Leren geloven tussen christelijke traditie en huidige leefwereld.
We besluiten deze editie met de kroniek Praktische Theologie, met daarin zoals gebruikelijk aandacht voor data en fata op het vakgebied van de praktische theologie en voor een thematische bespreking van belangrijke praktisch-theologische publicaties. Deze kroniek vormt ook in een ander opzicht een besluit, want het is – in verband met diens naderende emeritaat – de laatste die verzorgd wordt door Gerben Heitink.

Overige artikelen

Gerrit Manenschijn, De dood in eigen beheer? Medisch-ethische notities bij de euthanasiewetgeving (177)
Evert Jonker, Leren tussen traditie en leefwereld (202)
Gerben Heitink, Ontwikkelingen in de praktische theologie (10). Een kroniek (229)

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn

Editieredactie: Christa Anbeek, Cok Bakker, Lourens Minnema & Corja Menken-Bekius

 

Uit vrije wil verantwoordelijk
voor het welzijn van elkander.
Uit vrije keus verantwoordelijk
voor veilig-zijn en zorg.
Prinsjesdag 2001, interlevensbeschouwelijke viering

Terreinverkenning

Het hing kennelijk in de lucht. Kort nadat de redactie van Praktische Theologie besloot om een themanummer aan de interreligieuze dialoog te wijden, zagen wij in diverse tijdschriften artikelen over dit thema verschijnen. Viel ons dit op omdat wijzelf daar juist waren beland of werd er inderdaad ineens veel over geschreven? En zo ja, getuigden al deze artikelen van een bepaalde zorg over de voortgang van de interreligieuze dialoog in onze multiculturele samenleving of juist van hoop dat de tijd rijp was om die dialoog nu een slag verder te voeren, voorbij aan de fase van onwennige kennismaking en de eerste gespreksronden? Het magische jaar 2000 was op dit punt zeker bijzonder te noemen. Voor het eerst in de geschiedenis der Nederlanden werd Prinsjesdag geopend met een interlevensbeschouwelijk ritueel ter vervanging van de geschrapte bede uit de troonrede van hare majesteit. Er was veel over te doen en hoewel niet alles daarvan gerangschikt kon worden onder de noemer 'gesprek' (laat staan 'dialoog') leek het de voorstanders een hoopvol signaal voor de voortgang van het proces. Dit was de tijd waarin Rotterdam, een van de uitverkoren culturele hoofdsteden van Europa in 2001, zich opmaakte om zich niet alleen als een bruisende interculturele stad aan de wereld te tonen, maar dat ook als een interreligieuze stad te doen. De veelkleurigheid van religie was herontdekt als een niet te verwaarlozen dimensie in het samenleven van mensen. De tijd was rijp voor een bijdrage aan de discussie over deze dialoog in ons tijdschrift.
Het hing kennelijk in de lucht. Kunnen we die uitdrukking nog wel gebruiken na de ongelofelijke en schokkende gebeurtenissen in New York en Washington op 11 september 2001? Wie heeft niet voorgoed dat vliegtuig op zijn netvlies, dat een keurige bocht in de lucht maakt alvorens zich dwars door de tweede toren van het World Trade Centre in Manhattan te boren, terwijl de rookwolken uit de eerste toren steeds dikker en onheilspellender worden? Aan boord van dat vliegtuig bevond zich een groepje militante fundamentalistische moslims dat geenszins uit was op dialoog, maar op een met godsdienstige leuzen verdedigde terreur. Meer dan zesduizend mensen kwamen die dag om het leven; velen raakten ernstig gewond. Het thema van dit nummer werd ineens akelig actueel.
Ik schrijf deze inleiding in de laatste week van september 2001 en besef dat onze persklare artikelen reeds gedateerd zijn, want geschreven in de tijd ervoor. Twee auteurs die door omstandigheden gedwongen het schrijven hadden moeten uitstellen, nemen de actuele situatie als uitgangspunt. Hoe de wereld eruitziet op het moment dat dit nummer verschijnt en in welke sfeer de interreligieuze dialoog in Nederland en daarbuiten dan gevoerd wordt, is niet te voorspellen. In deze weken tuimelen vele beelden die mensen en groepen van verschillende religieuze achtergrond van elkaar hadden en onder deze omstandigheden van elkaar maken, over elkaar heen. Leraren hebben in de klas en op het schoolplein hun handen vol aan autochtone en allochtone kinderen die elkaar openlijk vijandig bejegenen. Pastores zien vele angstige mensen die zich tot diep in hun basisveiligheid bedreigd voelen. Hoeveel temeer geldt dit niet voor de moslims in onze samenleving die op straat argwanend aangekeken worden? Er is een toename aan agressie en geweldsdelicten.

Vraagstelling

'Wat heeft ons met dit nummer voor ogen gestaan en geldt dat nog?', vroegen wij ons als redactie kort na 11 september af. Het geldt eens te meer. Wij begonnen aan dit nummer met te formuleren wat wij niet wilden doen. Wij wilden niet een sociologische beschrijving en analyse geven van de soorten religieuze groepen die heden ten dage onze samenleving bevolken. Ook wilden wij de lezers ons persoonlijke antwoord op de vraag met welk standpunt de interreligieuze dialoog in de praktijk het beste is gediend (exclusief, inclusief of pluralistisch) onthouden. Wij achten het daadwerkelijk voeren van zo'n dialoog of gesprek (aan welke kwaliteitseis moet het woord dialoog eigenlijk voldoen?), met name op het niveau van de alledaagse praktijk van pastores en leerkrachten, van hoog belang. Daar willen wij graag een bijdrage aan leveren. Tegelijkertijd denken we dat die praktijk gecompliceerder, weerbarstiger, maar wellicht soms ook veel eenvoudiger is dan zo'n aanbevolen attitude zou kunnen suggereren. Weten wij voldoende over het verloop van de communicatie tussen mensen met een verschillende religieuze achtergrond om daarover een uitspraak te doen? Hebben we daar onderzoeksgegevens over? Wat is eigenlijk een 'interreligieuze dialoog'?
Een nieuwe vraag rees toen wij spraken over de omgang met de verschillende waarheidsconcepten van 'het' jodendom, christendom, boeddhisme et cetera. In vele werk- en gespreksgroepen is de ervaring opgedaan dat zo'n inhoudelijke vergelijking niet alleen veel te grofmazig is, maar in de communicatie zelden openend werkt. 'Het' christendom of 'de' islam bestaat niet. Bovendien kan zo'n vergelijking van concepten ons eenzijdig op het been van een cognitieve benadering van godsdienst zetten, terwijl meer dan eens is gebleken dat juist ook de niet-cognitieve elementen van een religieuze traditie (zoals de directe waarneming van beelden, symbolen, rituelen en lichamelijke expressievormen van 'andersdenkenden') een zeer grote impact hebben op de communicatie tussen mensen van verschillende culturen. Doen we er niet beter aan om eerst eens na te denken over de rol die een verschil in waarheidsconcepten in de interreligieuze communicatie speelt? Zo kwamen wij al interdisciplinair discussiërend uit bij de titel van dit nummer en onze vraagstelling. Wij zaten rond de tafel als godsdienstwetenschappers (Christa Anbeek en Lourens Minnema), godsdienstdidacticus (Cok Bakker) en praktisch theoloog (Corja Menken-Bekius) en formuleerden deze vraag:
Hoe verloopt de communicatie die wij aanduiden met de term 'interreligieuze dialoog' tussen representanten van het christendom en 'de anderen'? Wat betekent dit voor de praktijk van de werkers in het veld?
Verschillende auteurs werden aangezocht om een bijdrage te leveren aan onze zoektocht naar een antwoord. Deze auteurs zijn 'in eigen kring' gezocht, dat is een gekozen beperking. Wij hebben geen representanten van niet-christelijke religieuze tradities uitgenodigd om van hun kant deze vraag te belichten, omdat we eerst preciezer willen weten wat we deze partners (in het vakgebied van de praktische theologie) zouden willen vragen en hoe wij zelf in deze dialoog zouden kunnen gaan staan. Dit nummer gaat dus over de interreligieuze dialoog, maar een dialoog als zodanig wordt hier niet gevoerd. Dat zou wel een belangrijke volgende stap kunnen zijn, zeker als zo'n stap zou worden gecentreerd rond een van de deelgebieden van de praktische theologie of een bepaald praktijkveld. Deze wens zouden we op de agenda van de algemene redactie van dit tijdschrift kunnen zetten.

Leeswijzer

Het opzet van het nummer is aldus:
Deel I opent met een artikel van Christa Anbeek, die de term 'interreligieuze dialoog' verheldert en het belang van het voeren ervan benadrukt. 'Een belangrijke drijfveer is inzicht in de noodzaak van tolerantie', schrijft zij. Haar visie op religie als 'pad naar bevrijding' biedt een verrassend perspectief voor de interreligieuze gespreksagenda. In het tweede inleidende artikel, van de hand van Cok Bakker, is een andere invalshoek gekozen. Bakker benadrukt de complexiteit van de sociale situatie waarbinnen mensen van verschillende religieuze (en dus culturele) achtergronden met elkaar te maken hebben en eventueel tot een 'gesprek' komen. Hij waarschuwt voor de valkuil waar werkers in het veld gemakkelijk in kunnen vallen wanneer zij uit interesse, maar misschien ook omdat bepaalde belangen in het spel zijn, deze gesprekken clusteren rond de variabele 'religie'.
Het tweede deel is gewijd aan een beschrijving van wat zich concreet op diverse velden rond dit thema afspeelt. In de bijdrage van Bart ten Broek vinden we een onthullend verhaal over de voorheen protestants-christelijke Juliana van Stolbergschool te Ede. Deze school 'verschoot' in de loop der jaren verschillende malen 'van kleur' en daarmee van identiteit, aangezien de schoolleiding een serieuze poging ondernam om het onderwijs aan de zich veranderende situatie aan te passen. Ryan van Eijk vertelt hoe het er in zijn bajes op dit punt toegaat. Ook hier vinden we een toename aan niet-blanke en niet-christelijke bevolking, wat de geestelijke verzorging binnen het instituut voor nieuwe vragen en uitdagingen stelt. In de dagelijkse samenwerking stelt het gesprek over elkaars religieuze overtuigingen eigenlijk niet zoveel voor, is Van Eijks ervaring. Meestal gaat het om andere zaken, zoals taak- en werkopvatting binnen een andere cultuur, waarin bijvoorbeeld de beleving van schuld en schaamte op elkaar botsen. Dat zijn thema's waar we samen mee moeten leren omgaan. Ari van Buuren houdt een bewogen pleidooi voor een multiculturele geestelijke verzorging in de gezondheidszorg. Dit pleidooi is door de gebeurtenissen in New York alleen maar dringender geworden. Femke Brand deed onderzoek naar de integratie van de moslimse geestelijke verzorging in ziekenhuizen en schreef er een doctoraalscriptie over. Het verslag over haar bevindingen kan gelezen worden als een pendant van het stuk van Van Buuren, één van de door haar geïnterviewden. Het verlangen om concreet werk te maken van het kennisnemen van elkaars cultuur doortrekt het artikel van Taco Noorman, die schrijft over 'Rotterdam Culturele Hoofdstad 2001'. Het hele jaar door werd 'gepreekt voor andermans parochie'. Welke idealen daar achter staken en hoe deze werden uitgewerkt, is zeker de moeite van het lezen waard. Gé Speelman ten slotte interviewde de Nederlandse Barbara en haar Marokkaanse man Abderrachmaan over hun huwelijk. In september 2001 promoveerde zij op dit onderwerp met een proefschrift dat ze de titel Keeping Faith meegaf. Speelman wilde nu eens onderzoeken waar het aan ligt als een interreligieus huwelijk wél goed gaat, terwijl zoveel mensen erin vastlopen. Barbara en Abderrachmaan willen een van de geheimen van hun huwelijk wel prijsgeven: ze hebben 'een echt gewoon-zeggenrelatie'.
In Deel III wordt op het voorafgaande gereflecteerd. Dat het aangaan en onderhouden van zo'n 'echt gewoon-zeggenrelatie' geen eenvoudige opgave is, is uit de praktijkberichten wel duidelijk geworden. Kunnen wij verstaan waarom dat zo lastig is? Lourens Minnema schrijft hierover vanuit een godsdienstwetenschappelijk perspectief. Hij vestigt de aandacht op de mogelijk verschillende agenda's van mensen die in een interreligieuze dialoog participeren. Zijn conclusie 'religies houden niet van interreligieuze dialoog', klinkt ontnuchterend realistisch. Religie is bij uitstek het terrein van de expressie van de eigen identiteit, dus daar zullen we terdege rekening mee moeten houden. Jan Visser pakt de vraag op hoe een pastor met die verschillende godsdienstige belevingen en overtuigingen zou kunnen omgaan. Hij schrijft over de voorwaarden waaronder de 'bekwaamheid' tot dialogiseren verworven kan worden. Interreligieus dialogiseren valt te leren, maar het gaat niet vanzelf. In een uitdagende epiloog, waarin belangrijke hoofdthema's van dit nummer nog eens de revue passeren, meent Henk Tieleman ten slotte dat de interreligieuze dialoog geen voer voor theologen is. En dat terwijl wij nu juist hoopten met dit themanummer voor theologen een bijdrage aan dit leerproces te hebben geleverd.

 

DEEL I

Corja Menken-Bekius, Geloven in de interreligieuze dialoog. Ter inleiding
Christa Anbeek, Interreligieuze dialoog: wat, waarom en hoe?

Cok Bakker, Godsdiensten dialogiseren niet - mensen (eventueel) wel

DEEL II

Bart ten Broek, Een te vroeg geboren onderwijsmodel?
Ryan van Eijk, Tot elkaar veroordeeld? Interreligieuze samenwerking en dialoog in de bajes
Ari van Buuren, Gevecht om zegen. Over geestelijke verzorging in multicultureel perspectief
Femke Brand, De imam in het ziekenhuis. Communicatie met een nieuwe beroepsgroep
Taco Noorman, Voor andermans parochie
Gé Speelman, Barbara en Abderrachmaan. Problemen en kansen in een interreligieus huwelijk

DEEL III

Lourens Minnema, Interreligieuze dialoog? Godsdienstwetenschappelijke observaties en reflecties
Jan Visser, Pastoraal-theologische reflectie
Henk Tieleman, Interreligieuze dialoog is geen voer voor theologen

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn