1997

Logo

In 1996 verscheen Her verhaal gaat... 1. De Thora als eerste van vijf delen bijbelse 'hervertellingen' door Nico ter Linden. De grote publieke belangstelling en waardering voor dit boek maakt net tot een opvallend fenomeen op de religieuze markt. De redactie vroeg aan vier auteurs om ieder vanuit een eigen invalshoek te reflecteren op mogelijke achtergronden van dit succes, om te komen tot een inhoudelijke beoordeling van de hervertelling, en na te denken over mogelijke leerpunten voor de pastorale praktijk.
In het eerste artikel schetst Maarten den Dulk om te beginnen enkele praktisch-kerkelijke voorwaarden die de gunstige ontvangst van Ter Lindens boek hebben mogelijk gemaakt. In een bijbels-theologische beoordeling gaat hij vervolgens na hoe zich in Ter Lindens vertelling het proces afspeelt tussen de lezing, het verstaan en de uitleg van de Schrift enerzijds en de vrije rede, de prediking en het gesprek in de gemeente anderzijds. Het artikei eindigt in de vorm van een bijsluiter: het narratieve concept van Ter Linden is werkzaam en krachtig als een medicijn, maar het kent ook het gevaar van bijwerkingen.
Net als de vraag naar de waarheid van bijbelverhalen is de vraag naar de waarheid van Ter Lindens hervertelling niet te beantwoorden door alleen te onderscheiden tussen historie en fictie. Wessel Stoker legt uit dat de waarheid van bijbelverhalen op een dieper niveau te maken heeft met waarheid als manifestatie. Toch hebben bijbelverhalen een eigen realistisch karakter: het zijn 'history-like' verhalen. Hij gaat na in hoeverre Ter Linden recht doet aan dit 'history-like' karakter van bijbelverhalen. Hij doet dat door te analyseren in hoeverre de auteur de juiste baians heeft gevonden tussen enerzijds particulariteit (het joodse en christelijke geloof is een uniek gebeuren waarin bepaalde personen en een bepaald volk betrokken zijn) en anderzijds universaliteit (het is gericht op heel de mensheid).
In het derde artikel bespreekt Jan Visser de vraag in welke mate Ter Linden kiest voor een psychologiserende benadering van bijbelverhalen, in hoeverre dat legitiem is en of hij daarbij voldoende recht doet aan zijn bronnen en aan zijn hoorders.
In een 'narratieve' analyse gaat Anne van der Meiden ten slotte in op retorisch-communicatieve kwaliteiten van Ter Lindens boek. Daarbij komen de volgende aspecten aan bod: 1. Welke elementen in Ter Lindens verhalen zijn verwant met aspecten van de 'narratio' in de klassieke retorische communicatie? 2. Zijn die te herkennen in een voorbeeld: Jakob aan de Jabbok? 3. De ouderwetse vertaal-taal als stijlfiguur. 4. De erosie van de coderings- en decoderingscompetentie. 5. Op de markt van de theologische vermoeidheid. 6. VertelIen en vertalen: pastoraat van het dialect.

Voor zijn jaarlijkse kroniek praktische theologie maakte Gerben Heitink een selectie uit de (te) grote hoeveelheid praktisch-theologische publicaties. In een thematisch geordend overzicht komen achtereenvolgens aan de orde: data en fata; praktisch-theologische theorievorming; onderzoeksmethodologie; cultuur en religie; christelijke identiteit; cultuuruitingen; historisch intermezzo; ecclesiologie; spiritualiteit en geestelijke begeleiding; en pastoraaltheologie.
Jan Hendriks verzorgt ten slotte het tweejaarlijks literatuuroverzicht gemeenteopbouw. In een eerste deel bespreekt hij achtereenvolgens literatuur vanuit de evangelikale of evangelistische stroming, de missionaire stroming, de dubbelstrategie en de conciliaire stroming. In het tweede deel gaat het over boeken waarin strategieen en technieken van gemeenteopbouw aan bod komen.

Artikelencluster 'Het verhaal gaat...' Reflecties bij de bijbelse hervertelliiig van Nico ter Linden

Maarten den Dulk, Ter Linden, een bijbels-theologische tussenstand
Wessel Stoker, Verhaal en waarheid
Jan Visser, Psychologiserend verhaal?
Anne van der Meiden, Verhaal, taal en communicatie


Overige artikelen

Gerben Heitink, Ontwikkdingen in de praktische theologie
Jan Hcndriks, Literatuuroverzicht gemeenteopbouw

In 1996 verscheen Her verhaal gaat... 1. De Thora als eerste van vijf delen bijbelse 'hervertellingen' door Nico ter Linden. De grote publieke belangstelling en waardering voor dit boek maakt net tot een opvallend fenomeen op de religieuze markt. De redactie vroeg aan vier auteurs om ieder vanuit een eigen invalshoek te reflecteren op mogelijke achtergronden van dit succes, om te komen tot een inhoudelijke beoordeling van de hervertelling, en na te denken over mogelijke leerpunten voor de pastorale praktijk.

In het eerste artikel schetst Maarten den Dulk om te beginnen enkele praktisch-kerkelijke voorwaarden die de gunstige ontvangst van Ter Lindens boek hebben mogelijk gemaakt. In een bijbels-theologische beoordeling gaat hij vervolgens na hoe zich in Ter Lindens vertelling het proces afspeelt tussen de lezing, het verstaan en de uitleg van de Schrift enerzijds en de vrije rede, de prediking en het gesprek in de gemeente anderzijds. Het artikei eindigt in de vorm van een bijsluiter: het narratieve concept van Ter Linden is werkzaam en krachtig als een medicijn, maar het kent ook het gevaar van bijwerkingen.

Net als de vraag naar de waarheid van bijbelverhalen is de vraag naar de waarheid van Ter Lindens hervertelling niet te beantwoorden door alleen te onderscheiden tussen historie en fictie. Wessel Stoker legt uit dat de waarheid van bijbelverhalen op een dieper niveau te maken heeft met waarheid als manifestatie. Toch hebben bijbelverhalen een eigen realistisch karakter: het zijn 'history-like' verhalen. Hij gaat na in hoeverre Ter Linden recht doet aan dit 'history-like' karakter van bijbelverhalen. Hij doet dat door te analyseren in hoeverre de auteur de juiste baians heeft gevonden tussen enerzijds particulariteit (het joodse en christelijke geloof is een uniek gebeuren waarin bepaalde personen en een bepaald volk betrokken zijn) en anderzijds universaliteit (het is gericht op heel de mensheid).

In het derde artikel bespreekt Jan Visser de vraag in welke mate Ter Linden kiest voor een psychologiserende benadering van bijbelverhalen, in hoeverre dat legitiem is en of hij daarbij voldoende recht doet aan zijn bronnen en aan zijn hoorders.

In een 'narratieve' analyse gaat Anne van der Meiden ten slotte in op retorisch-communicatieve kwaliteiten van Ter Lindens boek. Daarbij komen de volgende aspecten aan bod: 1. Welke elementen in Ter Lindens verhalen zijn verwant met aspecten van de 'narratio' in de klassieke retorische communicatie? 2. Zijn die te herkennen in een voorbeeld: Jakob aan de Jabbok? 3. De ouderwetse vertaal-taal als stijlfiguur. 4. De erosie van de coderings- en decoderingscompetentie. 5. Op de markt van de theologische vermoeidheid. 6. VertelIen en vertalen: pastoraat van het dialect.

 

Voor zijn jaarlijkse kroniek praktische theologie maakte Gerben Heitink een selectie uit de (te) grote hoeveelheid praktisch-theologische publicaties. In een thematisch geordend overzicht komen achtereenvolgens aan de orde: data en fata; praktisch-theologische theorievorming; onderzoeksmethodologie; cultuur en religie; christelijke identiteit; cultuuruitingen; historisch intermezzo; ecclesiologie; spiritualiteit en geestelijke begeleiding; en pastoraaltheologie.

Jan Hendriks verzorgt ten slotte het tweejaarlijks literatuuroverzicht gemeenteopbouw. In een eerste deel bespreekt hij achtereenvolgens literatuur vanuit de evangelikale of evangelistische stroming, de missionaire stroming, de dubbelstrategie en de conciliaire stroming. In het tweede deel gaat het over boeken waarin strategieen en technieken van gemeenteopbouw aan bod komen.

 

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn