Artikelen

Logo

(Leestijd: 11 - 22 minuten)

Een thema waar wetenschapster en kerkelijk hoogleraar voor Vrouwenstudies en Pastoraat Riet Bons-Storm zich al heel lang voor inzet, de interreligieuze dialoog, wordt in dit overzichtsartikel geplaatst in de context van het dialogiseren met de ander. Haar portret van de vele factoren die een rol spelen in de pastorale communicatie is relevant voor pastorale praktijken van vandaag.

In maart 2013 werd Riet Bons-Storm 80 jaar en op 15 mei 2013 werd ze geridderd voor haar werk als wetenschapster en kerkelijk hoogleraar voor Vrouwenstudies en Pastoraat evenals voor haar inzet voor de vrouw-en geloofbeweging en de interreligieuze dialoog. Die plechtigheid was het slotstuk van een studiedag te harer ere, gewijd aan een thema waar Riet Bons-Storm zich al heel lang voor inzet, namelijk de (interreligieuze) dialoog.Tijdens die studiedag werd in de openingsvoordracht de inzet voor de interreligieuze dialoog geplaatst in de context van een voortdurende aandacht voor het dialogiseren met de ander, hetgeen onder andere tot uiting komt in haar werkwijze en haar gedachten over pastorale communicatie.

Dit artikel is een bewerking van genoemde voordracht die kan worden opgevat als een eerbetoon aan deze kritisch theologe die methodisch en theologisch een voorloopster en voortrekster is; een vrouw die aan de basis stond van de International Association of Practical Theology en van de European Society of Women in Theological Research en jarenlang bestuurslid was van de Oecumenische Vrouwensynode. Daarnaast beoogt de tekst aandacht te vragen voor de doorgaande relevantie van haar gedachten over pastorale communicatie aan de hand van begrippen als het onherleidbaar verschil van de ander, ‘laddermacht’ en gezegend leven.

Voortdurend in dialoog
Wanneer men het werk van Riet Bons-Storm leest, merkt men dat ze voortdurend in gesprek is: met (kerkelijk betrokken) mensen die ze ontmoet bij haar lezingen of met wie ze samenwerkt, met haarzelf, met de gedrukte woorden van anderen, en met de overlevering van Godswege. Dit dialogiseren uit zich zowel in de houding ten opzichte van de ander als in haar methode van onderzoek. Ze heeft een voorkeur voor kwalitatief empirisch onderzoek.1 Van haar proefschrift Kritisch bezig zijn met pastoraat (1984) tot haar recente publicaties over de (interreligieuze) dialoog tussen Joden en Palestijnen in Israël en de bezette gebieden (o.a. 2008, 2012a & 2012b), steeds gaat het om ‘pastorale communicatie’ (1989) of om ‘communicatie met pastorale kwaliteit’ (2007, 18) opgevat als een dialoog, een wederkerig gesprek met de ander. Dit thema komt eveneens naar voren in de zes monografieën en tien bundels die ze daar tussenin publiceerde, zoals Hoe gaat het met jou? (1989), Pastoraat als Bondgenootschap (1992), The Incredible Woman (1996) en Gezegend leven (2007).2
Riet Bons-Storm plaatst deze pastorale communicatie in het hart van de geloofsgemeenschap, omdat ‘elk gemeentelid door haar lidmaat zijn van Christus’ lichaam, de gemeente, pastor kan zijn voor haar medelidmaten’ (1989, 21). In Gezegend leven(2007) benadrukt ze het gemeenschap-stichtende en gemeenschap-bouwende van dit onderlinge pastoraat. In die ontmoetingen tonen gesprekspartners immers belangstelling voor elkaars leven en welzijn, samengevat in de vraag ‘Hoe gaat het met jou?’ (2007, 17). Bovendien betoogt ze dat deze gesprekken geloofsgesprekken worden, wanneer of omdat het in die gesprekken ‘niet alleen maar’ gaat over dat welzijn, maar óók over de vraag hoe je elkaars levens en welzijn kunt verstaan in het perspectief van het evangelie (2007, 18).3
Vanwege die centrale rol van pastorale communicatie in het leven van de geloofsgemeenschap richt Bons-Storm zich op de voorwaarden waaronder pastorale communicatie ertoe leidt dat mensen zichzelf en de ander in het perspectief van het evangelie leren begrijpen en zicht krijgen op de zin van hun bestaan (1989, 9). Ze schrijft over die voorwaarden vanuit twee samenhangende engagementen: vanuit haar diepe geloofsovertuiging dat allen gelijkwaardig zijn in Gods naam en bestemd voor een gezegend leven, en vanuit haar engagement met gelovige vrouwen (en mannen) van wie het verhaal niet geloofwaardig wordt geacht omdat het niet past in de dominante (theologische) beeldvorming.4
Dit laatste engagement is niet los te maken van het eerstgenoemde. Haar diepe geloofsovertuiging dat allen gelijkwaardig zijn in Gods naam motiveert haar om na te denken over de vraag waarom het verhaal van de één geloofwaardig wordt geacht en dat van de ander niet gehoord wordt. Het brengt haar er eveneens toe om de communicatie met pastorale kwaliteit te karakteriseren als een vorm van het aangaan van een bondgenootschap. Daarmee brengt ze in beeld dat pastorale communicatie verder gaat dan ‘aanwezig zijn’ bij of in het leven van de ander. Het gaat ook om partij kiezen: te beginnen bij de keuze om het verhaal van de ander te geloven. De gedachte dat pastoraat iets weg heeft van een bondgenootschap geeft de ontmoeting oriëntatie en richting. Zij brengt eveneens in beeld onder welke voorwaarden mensen in de ontmoeting kunnen komen tot verstaan van zichzelf, elkaar, en de zin van hun bestaan. Het gaat om aandacht voor (het verhaal) van de ander, om empathie en verbeeldingskracht bij het horen van dit verhaal en om maatschappelijke analyse van de omstandigheden.
Deze opvatting heeft bovendien te maken met denkbeelden over recht en gerechtigheid, met haar idee dat pastoraat ook een politieke dimensie heeft, evenals met haar voorstelling dat de relatie van God en mens een verbondsrelatie is5, en God (dus) een bondgenoot van mensen, ‘die heil, leven in overvloed in goede, gerechte relaties, voor allen’ wil (1992, 141).
In deze formulering komt opnieuw haar geloofsovertuiging terug dat mensen bestemd zijn voor een gezegend leven, oftewel voor ‘een geconcentreerd en vruchtbaar leven in de eigen omstandigheden’, zoals ze het in Gezegend levenformuleert (2007, 138). Deze gedachte doet breed opgeld binnen de feministische theologie (Frettlöh 1998, Praetorius 2005, 108-111, Gössmann e.a. 2002).6 Maar niet alleen daar. In Gezegend levengeeft Riet Bons-Storm namelijk aan dat zij deze theologische gedachte ook is tegengekomen in de interviews voor haar boeken Kracht en kruis (2000) en Met één been in de kerk (2003) evenals in de discussies na haar lezingen in het land. Ze gebruikt het woord ‘overlevingstheologie’ voor de theologische overtuigingen die haar gesprekspartners hebben geconstrueerd om uit te drukken hoe zij hun alledaagse bestaan hebben leren verstaan in het licht van het evangelie of hoe zij denken dat Gods aangezicht over hun leven licht.

 

Pastorale communicatie
De gelijkwaardigheid van de ander en het onherleidbaar verschil

Zoals hierboven al gezegd richt Riet Bons Storm zich in haar werk vooral op de manier waarop en de voorwaarden waaronder gesprekspartners kunnen komen tot communicatie met pastorale kwaliteit. Ze schetst deze ontmoeting als een dialoog: een ontmoeting van twee (of meer) personen met ieder een eigen levenslijn en verschillende standpunten die de blik op en ervaring van het eigen bestaan, dat van een ander en van het evangelie bepaalt.7
Ze kiest het woord dialoog voor deze ontmoeting, omdat een dialoog wordt gekenmerkt door een principiële gelijkwaardigheidtussen de gesprekspartners. Ze zijn niet aan elkaar gelijk, maar wel even veel waard. Aan de ene kant is deze nadruk op gelijkwaardigheid een vrucht van haar jarenlange verblijf in Indonesië. Daar verandert ze van iemand die denkt dat ‘onze God al met al toch wel kampioen is’ en die ‘iets beters wil brengen dan al die geesten’ (Van der Ven 1998) in iemand die uitgaat van de gelijkwaardigheid van alle authentieke godsvoorstellingen.
Aan de andere kant komt deze nadruk op gelijkwaardigheid voort uit haar gezichtspunt dat allen met elkaar het ‘medemens-zijn’ delen. Deze medemenselijkheid, die hen verbindt, maakt hen gelijkwaardig en daagt hen uit om een brug te slaan over de verschillen heen. Deze gedachte verwoordt ze heel duidelijk in haar beschrijving van een ontmoeting met Indonesische pastores. Ze schrijft hoe zij zich realiseert dat deze pastores en zijzelf ‘(niets deelden) dan medemenselijkheid in een gedeeld nu, en het verlangen dat God daar iets mee te maken heeft, ondanks het besef dat het woord ‘God’ bij ieder een andere verbeelding oproept/op kan roepen’ (1989, 10).
Deze principiële gelijkwaardigheid tussen gesprekspartners in de pastorale communicatie komt terug in het pleidooi voor onderling pastoraat dat Bons-Storm houdt. Dit pleidooi past enerzijds in de ontwikkelingen op het grondvlak waar onderling pastoraat een trend wordt, omdat (?) de pastor zich – vaak uit tijdgebrek – terugtrekt uit het individuele pastoraat. Het heeft anderzijds te maken met de eerder genoemde gemeenschapsstichtende en gemeenschapsopbouwende kant van het onderlinge pastoraat. Want in de uitwisseling over ieders wel en wee ontstaat onderlinge verbondenheid, een netwerk van vriendschap, en daarmee gemeenschap (1992, 149). Ten slotte wortelt dit pleidooi in haar ervaringen met het vrouwenpastoraat dat door vrouw-en-geloofgroepen is opgezet en dat werd gedragen door vrijwilligsters.
In Pastoraat als bondgenootschap (1992) werkt ze deze ideeën over pastoraat verder uit. Aan de hand van praktijkberichten uit het vrouwenpastoraat brengt Bons-Storm in kaart wat kenmerkend is van deze vorm van pastoraat: naast de ander gaan staan en het eigen belang verbinden met dat van de ander, oftewel een bondgenootschap met de ander aangaan. Naast de ander gaan staan betekent volgens haar het erkennen dat er (machts)verschillen tussen beide gesprekspartners bestaan en ook de worsteling aangaan om uit te zoeken welke rol die machtsverschillen in de communicatie spelen.
Behalve de al eerder genoemde redenen om pastoraat als bondgenootschap te typeren kiest ze ook voor ‘bondgenootschap’ om de rol en betekenis van de onderlinge verschillen in de pastorale relatie in beeld te brengen. Ze betoogt dat het sluiten van een bondgenootschap een worsteling kan zijn, in het bijzonder met de onderlinge (machts)verschillen tussen de gesprekspartners (1992, 78-80; 2007, 136). Die machtsverschillen zitten de wederkerigheid van de relatie in de weg.
Haar aandacht voor machtsverschillen kan niet los gezien worden van de heftige discussies binnen de oecumenische vrouwenbeweging tussen joodse en christelijke vrouwen, getrouwde en gescheiden gesprekspartners, tussen rijken en armen, tussen hetero’s en homo’s. Maar ze vraagt ook aandacht voor het machtsverschil tussen professional en leek, dat bijvoorbeeld ontstaat wanneer een professionele pastor zichzelf spiegelt aan het beeld van de goede herder en de pastorant beschouwt als het schaap dat afgedwaald is van de kudde en door hem of haar moet worden teruggebracht. Zo’n taakopvatting ontkent volgens haar de principiële gelijkwaardigheid tussen beiden, die er in gelegen is dat beiden allereerst gemeentelid zijn, mensen die verlangen te geloven, met vallen en opstaan. Bons-Storm betoogt dat pastores theologisch en pastoraal geschoold zijn, maar dat hen dat geen deskundige maakt op het gebied van geloven. Dat is namelijk voor een pastor net zo moeilijk is als voor een gemeentelid (2007, 135).

Het erkennen van verschillen
Voor de communicatie is dus het erkennen van de onderlinge verschillen minstens zo belangrijk als de medemenselijkheid die de gesprekspartners verbindt; te denken valt aan verschillen in biografie, verschil in positie in het maatschappelijk krachtenveld, verschil in waardeoriëntaties.
Net als het accent op de gelijkwaardigheid van de ander wortelt deze aandacht voor het verschil in Bons-Storms ervaringen in Indonesië en in het bijzonder in haar jarenlange verblijf op Noord-Sulawesi. Daar heeft ze geleerd ‘dat alles altijd anders kan, – totaal anders zelfs, hoe je leeft, hoe je praat, hoe je met elkaar omgaat, hoe je met je beminde omgaat’ (Maeckelberghe 1998, 185). Hier verwoordt ze de bepalende werking van collectieve waardeoriëntaties op het (dagelijks) leven van de groep en op de ontwikkeling van individuele identiteit en subjectiviteit; een inzicht dat verdiept is door haar betrokkenheid bij de (oecumenische) vrouwenbeweging en de discussies die daar over identiteits- en subjectiviteitsontwikkeling worden gevoerd.8
Beide invloeden maakt ze vruchtbaar in haar boek Hoe gaat het met jou? (1989). In dat boek verbindt ze psychologische theorieën, theologische hermeneutiek en feministische theorievorming met elkaar en legt ze uit dat iemands biografie en subjectiviteit niet alleen bepaald worden door gebeurtenissen uit het verleden maar ook door datgene waar iemand naar uitkijkt, door iemands verlangen. Beiden – (interpretatie van) gebeurtenissen uit het verleden en verlangen – worden bepaald door iemands waardeoriëntaties.
Deze waardeoriëntaties zijn zowel persoonlijk als collectief. Ze zijn collectief, omdat het gaat om de culturele voorstellingen waarmee een groep mensen de wereld om zich heen betekenis geeft en de verhoudingen daarbinnen ordent. In deze voorstellingen zit altijd een waardesysteem verborgen dat allen in de groep oriëntatie biedt bij de vraag hoe te leven en zich te gedragen, en dat ook de machtsverhoudingen tussen mensen onderling bemiddelt.
Waardeoriëntaties zijn ook persoonlijk, omdat ieder binnen de ruimte van de collectieve voorstellingen een eigen beeld van zichzelf en van de verhoudingen in de werkelijkheid om zich heen construeert. Dit persoonlijk beeld van zelf en wereld komt tot stand doordat ieder op een eigen manier de zintuiglijk waarnemingen, aanrakingen en belevenissen ordent tot beelden en verbeeldingen van zichzelf en die wereld rondom. Die beelden zijn affectief geladen en ontstaan in antwoord op de aanrakingen van anderen in de vroegste jeugd en later. Dit verklaart de individuele verschillen in ervaringen en duidingen van gebeurtenissen binnen een groep. Bovendien worden deze beelden beïnvloed door de woorden waarmee de eigen beelden gecommuniceerd (moeten) worden met anderen. Taal is immers niet neutraal, maar de neerslag en bemiddeling van de waarden en machtsverhoudingen van het collectief.
De persoonlijke waardeoriëntatie wordt dus door de collectieve bepaald; men leert de gebeurtenissen in het eigen leven immers verstaan in de context van het wereldbeeld van het collectief. Toch gaat Bons-Storm er vanuit dat er ruimte is tussen de collectieve waardeoriëntatie en de persoonlijke van het belichaamde subject. De affectief gekleurde respons op aanrakingen en communicaties kan immers tot steeds andere betekenisverleningen en praktijken leiden. Juist in dit subtiel andere, subtiel eigene, schuilt het onherleidbare verschil van de ander, ondanks het vele gemeenschappelijke. Bons-Storm claimt deze ruimte van het (subtiel) ‘eigene’, de ruimte van het individu, als de ruimte voor de eigen stem, voor een aarzelend gefluister dat door het luisteren van de ander tot spreken wordt gehoord ( 1996, 80-83).9
Dit ‘tot spreken horen’ is een complexe hermeneutische activiteit, omdat het verlangen naar vruchtbaar leven, of de persoonlijke overlevingstheologie, vaak versluierd aanwezig is in het verhaal over de vreugden en moeiten van het alledaagse bestaan. Het vraagt dus aandacht voor dit alledaagse, voor het verhaal en de manieren van doen van de gesprekspartner, de keuzes die onder die manieren van doen liggen, en de waardeoriëntatie onder die keuzes die in het verhaal verstopt zit.
Het is ook complex, omdat de ‘pastor’ in deze pastorale communicatie niet alleen aandachtig naar het verhaal van de ander moet luisteren maar ook de eigen respons op dat verhaal moet (leren) verstaan. Wat doet dat verhaal met haar of hem? Welke associaties roept het op, aan welke angsten raakt het? Wat doet het met hem of haar wanneer de gesprekspartner vanuit een andere dan de eigen waardeoriëntatie of Godsopvatting spreekt en handelt.
Dit verhaal, dat bepaald wordt door biografie en/of maatschappelijk verschillende posities, kan de dialoogpartner verrassen, bijvoorbeeld omdat zij of hij er stilzwijgend vanuit ging dat de ander op dezelfde manier naar de werkelijkheid zou kijken als zijzelf. Wanneer hierdoor het eigen zelf- en wereldbeeld ter discussie wordt gesteld, kan het zo oncomfortabel worden dat het de reactie oproept: ‘Maar zó moet je dat niet zien …’ of ‘Ja, maar dat moet je anders lezen’ (1992, 108). Door zo’n reactie stokt de pastorale communicatie echter. Dat geldt in het bijzonder wanneer die reactie van een professionele pastor komt, omdat deze de autoriteit van de professionele theoloog, die weet hoe het ‘ware’ verhaal er uit ziet, inbrengt. Het gevaar dreigt dat de pastorant zich terugtrekt, omdat zij of hij zich niet begrepen voelt.10
Bons-Storm betoogt dat deze reacties het effect zijn van de werking van ‘laddermacht’.11 Met het beeld van een taps toelopende ladder waarvan de ruimte op de bovenste sporten gering is, terwijl de onderste sporten veel ruimte bieden en overbevolkt zijn, legt ze de werking van de hiërarchisering van verschil uit en van de machtswerking die uitgaat van dit proces (1992, 47e.v.) Dit onderscheid tussen boven en onder of hoog en laag is namelijk verbonden met een hiërarchisering van verschillende waardeoriëntaties. De waardeoriëntatie van degenen op de bovenste sport staan, wordt daarbij geacht belangrijker, beter of meer waar te zijn dan de waardeoriëntaties van degenen die de onderste sporten bezetten.

 

Betekenis voor praktische theologie van vandaag
Riet Bons-Storms portret van de vele factoren die een rol spelen in de pastorale communicatie is nog steeds relevant voor pastorale praktijken van vandaag.
Allereerst is haar analyse van de diep doordringende werking van een cultureel dominant wereldbeeld en waardeoriëntatie op het zelf- en wereldbeeld van het subject nog steeds belangrijk – en feitelijk nog nauwelijks verwerkt in pastorale theorievorming in Nederland. Met haar schildering van de pastorale communicatie als een ontmoeting tussen twee subjecten op een bepaald moment in hun levensloop, verbeeld als een punt op hun levenslijn, geeft ze het volle pond aan de betekenis van het biografische voor het verhaal van de participanten in de pastorale communicatie. Maar dat biografische vat ze breed op. Ze betoogt namelijk dat die biografie standpuntbepaald is – in de zin dat het levensverhaal zich ontrolt en ontwikkelt in een context van maatschappelijke krachtenvelden en vertogen. Het subject internaliseert de verhalen, regels, manieren van doen die met dat standpunt verbonden zijn, en kijkt vanuit dat geïnternaliseerde standpunt naar de wereld om haar of hem heen. Bons-Storm belicht hiermee dat pastorale communicatie zo’n worsteling kan zijn, omdat waardeoriëntaties, inclusief religieuze of theologische ideeën van de gesprekspartners, gekleurd zijn door laddermacht.
Daarom pleit ze ervoor om in de opleidingen en trainingen voor pastorale communicatie het biografische – zowel in het eigen verhaald als in dat van de ander – niet alleen vanuit psychologisch of psychoanalytisch perspectief te bekijken, maar ook en misschien wel allereerst vanuit de vraag welke maatschappelijke, identiteitsbepalende krachtenvelden elkaar kruisen in het verhaal van de ander én in het eigen verhaal, want laddermacht werkt in en door die krachtenvelden en bepaalt zo ieders identiteit en blik op de ander.
Kenmerkend voor de door haar gewenste zelfkritische houding is dat degene die in het gesprek tot pastor wordt gemaakt – man of vrouw, professional of leek –zijn of haar waardeoriëntatie niet langer als de normatieve ziet. Dat uit zich aan de ene kant in het onderkennen dat wit een kleur is; dat mannen (ook) een gender zijn en een sekse hebben. Het vertaalt zich anderzijds in luisterende aandacht voor het verhaal van de ander op zoek naar de vorm die het verlangen naar vruchtbaar leven in dit concrete leven aanneemt.
Ten tweede is Bons-Storms werk van betekenis in de discussie over het alledaagse en de theologie en alledaagse theologie. Bons-Storm praktiseert waartoe een theoloog als bijvoorbeeld Jeff Astley in zijn boek Ordinary Theology(2002) oproept. Ze spreekt met gewone gelovigen over de alledaagse of overlevingstheologieën waarmee dezen zin en betekenis geven aan hun bestaan; een ‘spreken met’ dat begint met een aandachtig ‘luisteren naar’. In een tweede stap brengt ze die overlevingstheologieën op begrip in een kritische dialoog met de (academisch) theologische traditie. Dat brengt haar tot andere theologische accenten, tot verschuivingen in het theologisch bouwwerk, bijvoorbeeld tot meer nadruk op Jezus’ leven dan op zijn dood, en tot een Godsbeeld waarin God welwillend en zegenend aanwezig is in ons bestaan (2007).
Dit theologische accent op God als zegenende aanwezigheid in het alledaagse bestaan van mensen vertaalt zich in haar opvatting over communicatie met pastorale kwaliteit en haar pleidooi voor onderling pastoraat. Anders dan bijvoorbeeld Henning Luther, die zeer bepalend is voor het denken over de relatie tussen religie en het alledaagse, ziet Bons-Storm het alledaagse niet alleen maar als de plek waar mensen ervaren dat het leven kwetsbaar en onbeheersbaar is, meerduidig en ambigu, vol breuken en overgangen, noch de pastor als degene die samen met de pastorant de diepte in gaat om de ervaring van lijden en het verlangen naar meer met behulp van taal en verhalen te duiden (Luther 1992, 212-223). Zij ziet het alledaagse daarentegen als een aaneenschakeling van terugkerende handelingen, zorgpraktijken, vreugdevolle momenten en crises die allen vragen om zin en betekenis, waarin steeds het verlangen naar een geconcentreerd en vruchtbaar leven aan de orde is. Op die zoektocht ontmoet men anderen, bijvoorbeeld tijdens een ‘gewoon’ bezoekje waarin de ander vraagt: ‘Hoe gaat het met jou?’ (2007, 139/140). Zo’n bezoek(je) kan als er oprechte aandacht is, als een zegen beleefd worden, schrijft ze. Dat geldt ook voor het gesprek waarin de een de eigen ervaringswijsheid en overlevingstheologie aanbiedt als bijdrage aan de zoektocht van de ander naar wat het verhaal van God met de vreugden en moeiten te maken heeft. Ook dat kan volgens haar beleefd worden als een zegen – verwijzend naar een zegenende God.

 

Noten

1 In de monografieën is eigen kwalitatief empirisch onderzoek verwerkt. Riet Bons-Storm is daarmee een voorloopster van de empirische wending in de Praktische Theologie evenals een voorloopster in het exploreren van het alledaags geloven van gelovigen (zie 2000, 2003 en 2007).

2 Voor een uitgebreid overzicht van de (boek)publicaties van Riet Bons Storm zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Riet_Bons-Storm Een overzicht van haar artikelen in (internationale) bundels en tijdschriften is niet beschikbaar.

3 De woorden ‘niet alleen maar’ staan tussen aanhalingstekens om aandacht te vestigen op de manier waarop het alledaagse met behulp van taal getrivialiseerd wordt. Riet Bons-Storm verzet zich tegen deze trivialisering van het alledaagse.

4 Zie haar boek The incredible woman(1996).

5 Voor deze gedachte verwijst Bons-Storm in Pastoraat als bondgenootschapnaar het werk van E. Flesseman-van Leer (1992, 139/140).

6 Zou men het begrip ‘bloeiend leven’ of ‘flourishing’ betrekken bij het thema ‘Gezegend leven’, dan zou de lijst met literatuurverwijzingen aanzienlijk uitgebreider zijn.

7 Het woord ‘standpunt’ gebruikt ze niet in de betekenis van een positie die iemand inneemt in een discussie, maar in de zin van een camerastandpunt die de blik op de werkelijkheid van iemand kadert en bepaalt.

8 Zie de inaugurele rede van Riet Bons-Storm (1991) voor een beschrijving van het standpunt denken; Zie de bundel Caleidoscopische visies (2001) voor een introductie van het begrip intersectionaliteit.

9 Riet Bons-Storm gebruikt Nelle Mortons ‘hearing to speech’ regelmatig. Het gaat om een vorm van luisteren waarin degene die luistert met haar aandacht bij de ander blijft ook in de moeilijke, pijnlijke momenten van het verhaal. Zie N. Morton 1985, 204-205. In haar inaugurele rede ‘Grond onder de voeten. De uitdagingen van de leeropdracht “vrouwen, geloof en cultuur”’ verheldert Maaike de Haardt dit ‘zelf spreken’ met behulp van Michel de Certeau’s notie van toe-eigening. ‘Binnen de voorgegeven kaders en regels, binnen de voorgegeven taal, gebruiken mensen diezelfde taal, kaders en regels zodanig dat ze een veld en een ruimte creëren dan hen er tegelijkertijd aan onttrekt. Ze brengen daarmee pluraliteit en creativiteit in’ (De Haardt 2002, 66).

10 In haar boek The incredible woman (1996) geeft Bons-Storm daar een aantal schrijnende voorbeelden van.

11 Het begrip ‘laddermacht’ is zeer bruikbaar om asymmetrische verhoudingen tussen mensen, posities en visies te duiden. Bovendien kan het zichtbaar maken dat iemand in een samenleving zowel onderaan de ladder kan zitten als hogerop, zowel de armgemaakte, gescheiden vrouw kan zijn als een rijke burgeres van een West-Europees land.

 

Literatuur
Astley, J. (2002). Ordinary Theology. Looking, Listening and Learning in Theology. Aldershot: Ashgate.
Bons-Storm, R. (1984). Kritisch bezig zijn met pastoraat. Een verkenning van de interdisciplinaire implicaties van de practische theologie. ’s Gravenhage: Boekencentrum.
Bons-Storm, R. (1989). Hoe gaat het met jou? Pastoraat als komen tot verstaan. Kampen: Kok.
Bons-Storm, R. (1991). Pastoraat buiten de muur van het Vaderhuis. Vrouwenstudies en de theorie en praktijk van het pastoraat. ’s Gravenhage: Boekencentrum.
Bons-Storm, R. (1992). Pastoraat als bondgenootschap: aanzet tot vernieuwing van de kerkelijke praktijk vanuit het vrouwenpastoraat. Kampen: Kok.
Bons-Storm, R. (1996). The incredible woman: listening to woman’s silences in pastoral care and counseling. Nashville: Abingdon Press.
Bons-Storm, R. (2007). Gezegend leven. Op weg naar een pastorale gemeente in een verbrokkelde gemeente. Gorinchem: Narratio.
Bons-Storm, R. (red.) (2008). Vertel onze verhalen verder: ontmoetingen met joodse en Palestijnse vrouwen; getuigenissen van wat zich achter de schermen van het nieuws afspeelt. Gorinchem: Narratio.
Bons-Storm, R. & Van Doorn-Harder, N. (red.) (2012a). Dubbele Dialoog. Vrouwen en mannen in interreligieuze ontmoetingen. Gorinchem: Narratio.
Bons-Storm, R. (2012b). Het heilige op straat: Vrouwen in het Zwart. In: Berlis, A. & Korte, A.M. (red.), Alledaags en buitengewoon. Spiritualiteit in vrouwendomeinen. Vught: Skandalon, 41-50.
Botman, M., Jouwe, N. & G. Wekker (red.) (2001). Caleidoscopische visies. De zwarte-, migranten- en vluchtelingenvrouwenbeweging in Nederland. Amsterdam: KIT.
Frettlöh, M. (1998). Theologie des Segens. Biblischen und dogmatische Wahrnehmungen. Gütersloh: Chr. Kaiser/Gütersloher Verlaghaus.
Gössmann, E. u.a. (hgb.) (2002). Wörterbuch der Feministische Theologie (2e vollständig überarbeitete und grundlegend erweiterte Auflage). Gütersloh: Gütersloher Verlaghaus,  498-503.
Haardt, M. de (2002). Grond onder de voeten. De uitdagingen van de leeropdracht ‘Vrouwen, geloof en cultuur’. In: Gender. Tijdschrift voor Genderstudies vol. 5 (2002) 4, 62-76.
Luther, H. (1992). Religion und Alltag. Bausteine zu einer Praktische Theologie des Subjekts. Stuttgart: Radius Verlag.
Maeckelberghe, E. (1998). Alles kan altijd totaal anders. Interview met prof.dr. M. Bons-Storm. In: Haardt, M. de, Maeckelberghe E. & M. van Dijk (red.), Geroepen om te spreken. Over verbeelding en creativiteit in theologie en pastoraat, Kampen: Kok, 180-186.
Morton, N. (1985). The Journey is Home. Boston: Beacon Press.
Praetorius, I. (2005). Handeln aus der Fülle. Postpatriarchaler Ethik in biblischer Tradition. Gütersloh: Gütersloher Verlaghaus, 108-111.
Ven, C. van der (1998). Feministe Riet Bons Storm zet haar woede over dominante kerk-mannen om in actie. In: Trouw, 24-02-1998. http://www.trouw.nl/tr/nl/5009/Archief/archief/article/detail/2749462/1998/02/24/Feministe-Riet-Bons-Storm-zette-haar-woede-op-dominante-kerk-mannen-om-in-actie.dhtml

 

Anne-Claire (dr. A.C.) Mulder is UD vrouwen- en genderstudies theologie en stagedocente aan de Protestantse Theologische Universiteit, locatie Groningen.
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. of
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn