Artikelen

Logo

(Leestijd: 4 - 8 minuten)

Staat dit boek als een huis? Dat kun je misschien wel zeggen. Als ik ‘misschien’ zeg, is dat niet omdat ik aarzelingen heb bij de kwaliteit van het boek, maar eerder omdat ik niet zo goed weet of Henk wel wil dat het ‘staat als een huis’. Het is immers vooral een beweeglijk boek, van een beweeglijk theoloog die nog niet is uitgedacht en -geschreven.

Staat de kerk in dit boek als een huis? Ook dat is nog maar de vraag. Daarmee is de titel van het boek én van hoofdstuk 1 al in beeld: is dit (ook in deze vorm) een passende metafoor?

 

Dat lijkt me lastig, want het beeld roept andere associaties op, van stevigheid en onverzettelijkheid en onbeweeglijkheid. Van harde structuur die decennium na decennium onveranderd blijft bestaan. Aspecten van kerk-zijn die op het eerste gezicht in Henk’s boek niet voorop staan. Aspecten waarmee u misschien eerder mijn discipline – althans die van het kerkrecht – associeert dan die van Henk, de praktische ecclesiologie.
Ik heb het boek dus ook wel gelezen als een uitdaging aan mijn vak, en wil er vanuit die uitdaging dan iets over zeggen.

Het zal aan mij liggen, dat ik het niet altijd eenvoudig vind om de auteur te volgen, en de ‘harde kern’ uit zijn verhaal te halen. Ik beperk mij hier uiteraard geheel tot hoofdstuk 1 – en neem ook de Inleiding nog een beetje mee. Wat is nu eigenlijk de boodschap die hier naar voren komt? Of wat is althans het probleem dat om een antwoord vraagt?

In eerste instantie leek het me typisch zo’n boek dat tegenover het harde instituut van de kerk pleit voor een meer dynamische, levende en inspirerende opvatting en manier van kerk-zijn. Ik schoot dus al lezende al gauw een beetje in de verdedigende modus, toen ik las over ‘de kerk als instituut … voor veel mensen niet the place to be” (22).

Maar van begin af aan intrigeerde me des te meer de vraag waarom dan wordt gekozen voor de metafoor van het huis? Zou dan bijvoorbeeld die van de tent niet veel voor-de-hand-liggender zijn?

Al tijdens het werken aan mijn dissertatie, ruim 25 jaar geleden, heb ik me indringend bezig gehouden met de vele metaforen die voor de kerk wel worden gebruikt: naast ‘volk van God, lichaam van Christus’ en ‘tempel van de Geest’ ook kudde, akker en wijngaard, bouwwerk, huis en tent, bruid en – zeker in de patristiek – vele andere. Allemaal mooi, zo lang je maar (in de woorden van dit boek) beseft: “Metaforen bevatten altijd een fluistering: het klopt en het klopt niet” (40). Zo poëtisch kan ik het niet bedenken, maar ik heb wel geleerd dat metaforen hun zin ontlenen aan het feit dat ze primair iets zeggen wat niet waar is.
De kerk is allereerst géén huis, en alleen daarom kan zij ook huis heten. Zodra de kerk volledig wordt geïdentificeerd met een beeld, een metafoor, gaat er iets vreselijk mis. Zo ging het in de vooroorlogse rooms-katholieke ecclesiologie, met de kerk als lichaam van Christus, en er is een concilie voor nodig geweest om de zaak weer vlot te trekken.
Metaforen hebben elkaar nodig, in een doorgaand woordspel. Ze roepen elkaar op. Het lijkt me niet toevallig dat Paulus daarbij nogal eens verschillende metaforen aan elkaar koppelt. Ik denk dan in het bijzonder aan metaforen uit de levende natuur en uit de menselijke cultuur. Het meest zichtbaar is dat in de koppeling ‘Gods akker en Gods bouwwerk’ in 1 Cor 3: 9. Levende gemeenschap en instituut. Soms lopen de beelden zelfs in elkaar over, en is er sprake van een ‘opgroeien tot een tempel’. Dat vinden we ook in Ef. 3: 17: ‘geworteld en gefundeerd in de liefde”. Abraham Kuyper preekte er 140 jaar geleden over bij zijn intrede in Amsterdam, “Geworteld en gegrond – over de kerk als gemeenschap en als instituut”. Luttikhuis gaf een mooi boek over gemeenteopbouw in die lijn de titel Boeren en bouwvakkers mee.
Zodra metaforen verstenen zijn ze geen metaforen meer, omdat ze niet meer – naar het Griekse werkwoord ‘metaferein’ – ‘overzetten’ naar een ander perspectief.

De kerk kan dus alleen huis heten, als we ons daardoor even op het verkeerde been laten zetten, en dat is Henk met de titel wat mij betreft gelukt.

Want het boek vraagt toch vooral om meer dynamiek in ons denken over de kerk. Het gaat dan bijvoorbeeld om de kerk als “een dynamisch, beweeglijk netwerk van allerlei ‘huizen voor de ziel’” (21). Dat klinkt niet erg naar instituten.

Daar liggen voor mij meteen wel een paar vragen die ik niet allereerst aan Henk voorleg (ook dat wel), maar die ik toch vooral in ons midden neerleg.
De eerste betreft de betekenis van het instituut. Mijn indruk blijft, terecht of ten onrechte, dat het instituut er in het begin van het boek niet best afkomt. Ik noemde het al: “voor veel mensen niet the place to be” (22). Misschien is het een kwestie van definitie, maar soms vind ik dit wel wat makkelijk. Dan heeft ‘het instituut’ het gedaan, de kerkelijke (machts)structuren, de regels. Mensen knappen daarop af, zegt men. Mijn vraag is: is dat wel helemaal waar? Hoe zit het hier met het eerder genoemde onderscheid (zonder te scheiden) tussen instituut en gemeenschap? Knappen mensen af op het instituut? Of veeleer op de gemeenschap, dan wel het gebrek aan gemeenschap? Ik vraag maar.
Daar leg ik nog een tweede vraag naast. Op blz. 40 maakt Henk een onderscheid binnen zijn huis-metafoor tussen het ‘grote huis’ (de christelijke traditie en het wereldwijde verband van christenen) en het ‘kleine huis’(de afzonderlijke kerkplek die allerlei vormen kan aannemen). Mijn indruk is echter dat het boek vooral – zo niet praktisch uitsluitend – gaat over het ‘kleine huis’. Voor mij blijft voorshands onduidelijk hoe zich het grote en het kleine huis tot elkaar verhouden, en niet in de laatste plaats: welke rol het instituut daarbij speelt. Dat grote huis heet niet toevallig ‘oecumene’, en ook daarin klinkt het huis, de ‘oikos’, door. Het is mijn andere vakgebied. Is de oecumene wat Henk, nee, wat ons betreft, eigenlijk nog relevant voor de ‘huizen voor de ziel’?

Mensen van vandaag zoeken naar ‘lichte’ gemeenschappen (50), ‘die worden gekenmerkt door dynamiek en flexibiliteit, door vrijwillige verbintenis met op ieder moment de mogelijkheid om de groep te verlaten’. Dat roept bij mij direct de vraag op – hier nadrukkelijk niet defensief bedoeld, want ik voel mij er positief door uitgedaagd! –, welke kerkordelijke consequenties dit zou moeten hebben. Laat zich zo’n kerk – die toch meer van een tent dan van een huis lijkt te hebben – ook institutioneel organiseren? Misschien meer iets van een campingreglement dan een huisorde, zoals de huidige kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland vooral gezien kan worden?
Ik kom daarop zo dadelijk in een slotopmerking nog wel even terug, maar wil eerst nog uw aandacht vragen voor iets anders.

Ik werd namelijk gefrappeerd door een opvallende beweging die Henk de Roest onmiddellijk aansluitend op de bovengenoemde constatering maakte. Nadat hij registreert dat mensen zoeken naar dynamiek en flexibiliteit, verwachtte ik zonder meer een pleidooi voor een andersoortige institutionaliteit. Maar dat bleek niet het geval. Op blz. 51 kiest hij aan het begin van de tweede alinea een heel andere insteek: “Ik waag het erop te veronderstellen, dat een nieuw verlangen naar houvast, duurzame trouw, levenslange verbinding, geborgenheid én uitdaging, geloof, hoop en liefde mogelijk is”. En even verder: “Er is wellicht weer een verlangen naar trouw, naar kleine, overzichtelijke groepen waarin mensen je naam en je levensgeschiedenis kennen. Het leven buiten de geborgenheid van instituties, hoe vloeibaar deze tegenwoordig ook zijn, maar ook het leven buiten een zingevend verhaal doet sociologen al sinds een aantal decennia spreken over ‘ik-zonder-thuis’, een ontworteld of unbeheimatetes Ich, een ‘homeless mind’.
Op de een of andere manier lijken hier zowel het grote huis als het kleine huis in beeld te komen.
Ik acht de auteur – vanuit zijn vak, maar niet minder vanuit zijn persoon – wel zo gevoelig voor wat er leeft onder de mensen, dat ik graag ook dit vermoeden, deze uiting van moed en hoop serieus neem.

Daar werd en wordt het voor mij echt spannend. We zullen vandaag nog wel zien hoe dat verder aan de orde komt, bijvoorbeeld in de hoofdstukken 4 en 6. En ik herhaal mijn vraag, die dus niet zo zeer tegen Henk ingebracht wordt, maar eerder mét hem aan de orde is: is het mogelijk kerk institutioneel zo vorm te geven dat daarin een respons ligt op een nieuw verlangen naar levenslange verbinding? Kan de kerk een kerk voor deze zoekers zijn, belijnd zonder af te grenzen, stevig zonder uit te sluiten? Waar ligt dan precies de uitdaging voor het instituut, voor de ‘gevestigde kerk’? Ik hoop dat we daar vandaag een paar concrete dingen over te horen krijgen.

Ik dank Henk voor dit uitdagende boek!

 

Prof. dr. Leo J. Koffeman is hoogleraar kerkrecht en oecumene aan de PThU

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn