Artikelen

Logo

(Leestijd: 20 - 40 minuten)

Mensen die leren om elkaar te zien

"We moeten Jan kopen!" Dat herinner ik mij. Mijn vrouw - Joke – is nauwelijks terug van Hydepark. Ze begint  meteen de lof te zwaaien van Evert Jonker, die een week leidde over leerprocessen in de gemeente.  Het meest boeide haar hoe hij zijn inleiding over 'het bidden' begon. Hij maakte gebruik van een boek van de Zweedse schrijver Peter Pohl, Jan, mijn vriend. Joke's enthousiasme is me altijd bijgebleven. Ik kreeg de indruk dat daar op Hydepark iets existentieels was gebeurd. En ik dacht, hier wil ik meer van weten.

Dat alles is alweer bijna twintig jaar geleden en de feitelijke gegevens over Joke's verslag, over Everts aanpak en mijn bezinning aan de zijlijn heb ik niet meer. Dat is maar goed ook, want de wetenschap dendert voort en wat decennia terug juist en goed was kan nu niet meer gelden. Ik spot. Ik heb in de afgelopen tientallen jaren weinig gelezen op godsdienstpedagogisch gebied, dat mij inhoudelijk gezien werkelijk vernieuwend leek. Bijvoorbeeld vergeleken met Jonkers' Aan het Woord komen uit 1992. Natuurlijk bleven de wetenschappers goed werk doen. Ze onderzochten en bevonden dat het participeren in christelijke geloofsgemeenschappen en het vanzelfsprekend aanvaarden van de traditionele leer jaar in jaar uit verder zijn afgenomen. Ze hielden prima bij dat jong en oud cultureel met hun tijd zijn meegegaan en doen voorstellen voor het leren met gebruikmaking van de allernieuwste media. Docenten catechetiek en godsdienstpedagogiek bezoeken belangrijke internationale conferenties waar men nieuwe kennis en ideeën uitwisselt. Ik heb daar zelf jarenlang aan meegedaan. Toch vraag ik mij af: weten wij nu beter dan vroeger hoe mensen – hier toegespitst op leergroepen, lerenden en hun begeleiders -  ruimte kunnen geven aan "het komen van God"? Dat klemt des te meer wanneer ik ook nog eens concreet bedoel ‘de trinitaire God’.
Daarom ga ik proberen om uit mijn onbewuste het enthousiasme van toen weer naar boven te halen – zonder dat ik letterlijk kan en wil ingaan op datgene wat in die week aan de orde kwam. Het gaat mij om het enthousiasme dat eerst bij Joke en later bij mijzelf oplaaide over een week die vast en zeker alles te maken had met mijn vraag.  Hoe konden mensen – de docent Jonker en de leergroep - ruimte geven aan "het komen van God"? Want zoiets gebeurde daar. En dat zoiets was geen ietsisme, maar had concreet betrekking op verhalen uit de Bijbel, op Jezus, en op de Vader van Jezus Christus.
De Bijbel is van essentieel belang. Vaak zal zij in leerprocessen die rol echter alleen op de achtergrond meespelen. Met name de meeste adolescenten in midden-orthodoxe gemeenten staan volstrekt onverschillig tegenover kerk en geloof. Je zou kunnen zeggen: alles wat in kerkelijke leerprocessen gebeurt, zal in tune zijn met datgene waar het in Tenach en Evangelie om draait, de omgang van God en mens en de omgang van mensen onder elkaar naar Gods wil.
De Bijbel is de achtergrond, maar een andere component voert de boventoon. Het belangrijkste is de aandacht voor de mens, kwetsbaar, nieuwsgierig, blij, verdrietig, lijdend, liefhebbend, verlangend. In eerste instantie gaat de aandacht uit naar de deelnemers aan het leerproces. Vanzelfsprekend doet de docent moeite om de lerenden waar te nemen zoals zij zijn. Deze grondhouding, het verstaan van de anderen, zal maken dat lerenden hem ook in zijn waarde laten. Aandacht voor de mens beperkt zich echter niet tot de leergroep. Wanneer anderen buiten de groep ter sprake komen, worden zij vanuit dezelfde grondhouding waargenomen.
Wie aandacht heeft voor de ander, zal zich ook bezig houden met de leefomgeving van de ander, dichtbij en veraf. Vereist is bewustzijn van en soms concrete aandacht zowel voor de hedendaagse cultuur (seksualiteit, media, onderwijs, sport, natuur, kunsten) als voor de toekomst, voor politieke en economische machten. Samen op weg naar een wereld die menselijker is en zinvoller voor ieder die leeft (Mette 2010, 308f).
Kortom, de Bijbel is de achtergrond van het kerkelijk leerproces, en aandacht voor de mens en diens vragen, noden en verlangens is de belangrijkste component. Daaruit vloeien neven-componenten voort die met de hedendaagse cultuur en samenleving verband houden. De band tussen bijbel, geloof en aandacht voor de mens met wie wij omgaan en zijn cultuur maakt dat wij er een vermoeden van zouden kunnen krijgen dat "er wel meer als alles moet zijn" (Sölle). Dat was ook de eye-opener via een passage uit het boek Jan, mijn vriend.

 

Jan

Een vreemd boek. Een vreselijk boek, net als Pohl’s bestseller Wij noemen hem Anna. Jan is de vriend van de ik-persoon, Krille Nordberg. Jan, een goochelaar op de fiets, een oersterk klein ventje,  dat overal buiten wil staan. Hij gaat niet naar school en wordt thuis geregeld afgeranseld. Thuis? De moeder van Krille heeft hem eens een paar dagen verzorgd, en vraagt hem nu het grote Lentefeest bij hen te komen eten. Nadat ze lang en veel gegeten hebben liggen Jan en Krille "half op mijn bed onze maaltijd te verteren", en Jan vraagt "wat dat daaro was". Hij wijst naar de eetkamer naast die van Krille. Die gehaktballetjes? Natuurlijk niet, "Dat daaro. Wat je vader daar zei." Oh, hij bedoelt het tafelgebed, "Heer Jezus, zegen deez' van God gegeven spijze en doe ons weer gesterkt van tafel rijzen. Amen". Het is een tijdje stil, waarna Jan vraagt "of  ze dat daaro in alle deftige huizen deden", en waar dat naartoe leidt. Krille legt regel voor regel uit, "maar Jan snapt er nog altijd niks van. Jezus? Gezegend door de naam? Wat is dat voor lullekoek?" Krille bedenkt ineens dat hij er zich eigenlijk ook helemaal niet bewust van is. Je doet het gewoon. Maar zijn vader, in de eetkamer, heeft alles gehoord en spoort Krille aan verder te vertellen. Nu blijkt dat Jan van de hele handel over Jezus en over christelijke feestdagen echt nog nooit heeft gehoord.
Geen vader...geen moeder... Krille vraagt zich af hoe iemand kan leven, hoe iemand kan ademhalen zonder vader en moeder?
Het blijkt ook niet te gaan. Het wordt een thrillerachtig verhaal vol fantasieën van de puber Krille.  Hij begrijpt de ondoorzichtige hulpvraag, de noodkreet van zijn geheimzinnige vriend totaal niet. Jan werd uitgebuit als circusartiest en misbruikt; hij blijkt helemaal geen jongen te zijn, daarom wilde hij/zij nooit mee gaan zwemmen. Het is een onvolgroeid ouder meisje. Ze wordt geliquideerd als ze dreigt door te slaan.
De passage over het tafelgebed was er door Jonker uitgelicht aan het begin van een week die als titel had Bidden, wij maken er een leerpunt van. Nu ik het boek Jan, mijn vriend opnieuw heb doorgelezen, realiseer ik mij dat dit de enige expliciet religieuze passage is. Wie het gebed kent, kan zich er net als Krille van bewust worden dat bidden vaak enkel een automatisme is. En zich eveneens de vraag stellen: hoe is het mogelijk, dat een mens in dit christelijke land niet weet wat bidden is, zelfs de naam van Jezus niet kent. Wie gelovig is, kan zo ineens het voorrecht ervaren te kunnen bidden. Maar dat zal voor hem beslist niet het enige religieuze aspect van het boek zijn. Hij ziet dat Krille zich afschuwelijk blijft verbazen, hij ziet martelingen, hij probeert zich met Krille voor te stellen wat het is, geen moeder, geen vader te hebben, ja, wie kan dan leven? Hij ervaart met Krille wat het betekent, na te denken over de zin of zinloosheid van het bestaan. Uiteindelijk: na te denken over de laatste vragen rond dood en leven.
De auteur laat in het midden hoe de veertienjarige Krille deze vragen oppakt en dus evenmin of hij daarbij ook zijn godsdienstige achtergrond zou betrekken. De passage over het tafelgebed wekt de indruk dat Krilles relatie tot God verstandelijk is. Dat is heel gebruikelijk voor jongeren van zijn leeftijd. Indien er echter in ons gezin, in de kerk, op school of onder vrienden geen geloofsimpulsen waren of komen op het niveau van het gevoelsleven, verdort het kindergeloof meestal. Alleen een beleefd geloof kan een geleefd geloof zijn of worden.

 

Leren van jongvolwassenen bij Evert Jonker

Dit lijkt mij ook bij Jonker een wezenlijk uitgangspunt. Kennis van bijbel en geloof is noodzakelijk wil men niet verzanden in een spiritueel ietsisme. Toch leidt dit niet toe naar een persoonlijk beleefd geloof. Daarvoor zijn andere wegen nodig, met name de omgang met mensen die op deze weg al verder gevorderd zijn. Ook zijn er specifieke leerwegen mogelijk, zoals Jonker ze zelf beschrijft. In zijn publicaties over leerprocessen voor jongeren van 17 jaar en ouder (Aan het woord komen) en van 25-35 jaar (Heil aan bod) legt Jonker veel nadruk op de vrijheid van elke deelnemer. In Heil aan bod. Leren hopen in praktisch-theologisch perspectief zijn de jongeren zelf subject van het leerproces. Zij organiseren zelf ‘procedureel en inhoudelijk’ een aantal avonden. Het doel is niet zoiets als geloofsoverdracht, maar persoonlijke verwerking van de inhouden. De begeleider is ‘medezoeker en – op afroep – informant.’ Overigens blijkt dat slechts ten dele waar: de begeleider heeft zeker zowel een procedurele als een inhoudelijke inbreng. Want hij biedt afbeeldingen, bijbel- en andere teksten aan. Dat is m.i. ook nodig, wil er sprake zijn van een leerproces over hoop. Anders zouden het gezellige avonden kunnen worden waar meestal weinig geleerd wordt. Waar het om gaat, en dat is Jonkers inzet, is echter dat de gemeenteleden zelf subject zijn van hun leerproces – zichzelf op hun eigen manier kunnen verhouden tot de inbreng van anderen.

 

Leren bidden als binnentreden in het theatrum mundi (Jan Amos Comenius)

Mensen die hun geloof beleven, gaan de weg van het gebed (Miskotte). Op bepaalde tijden spreken zij met God, maar ze hebben bovendien een godsdienstige levenshouding  die in de bijbel ‘bidden zonder ophouden’ wordt genoemd. Dat wil zeggen, hun doen en laten is gestempeld door een vorm van ‘meeweten met God’ (ter Schegget). Een kind, jongere of volwassene met een beleefd geloof kan leren het hele leven te ervaren en te zien als een geleefd geloof waarin men door de jaren heen groeit en met z’n tijd meegaat. Als een schouwspel van God en mensen, waar men zelf een rol in speelt. In een levenslang voortgaand proces leert men zich, afhankelijk van leeftijd en context, steeds opnieuw afvragen: hoe gaan wij mensen met elkaar om, in de huidige omstandigheden, hier – en overal elders? Wat is bidden binnen het theatrum mundi, je eigen kleine wereldje en de grote wereld, waar je evengoed deel van uitmaakt?
De beroemde pedagoog Jan Amos Comenius (1592-1670) beschreef reeds in 1658 deze beide aspecten van de wereld. Hij heeft de overgang meegemaakt van de late middeleeuwen naar het begin van de moderne tijd. “Heel mijn leven was ik een man met een droombeeld”, schreef  Comenius aan het eind van zijn leven, dat begon in Tsjechië en eindigde in Naarden. Zijn ouders stierven aan de pest toen hij nog jong was en hij verloor ook zijn eerste en tweede vrouw en enkele van zijn kinderen. Als Moravische broeder werd hij vervolgd en leidde een zwervend leven. Maar achter dit van buiten af gezien ellendige bestaan zag hij een schepper die in liefdevolle ontferming alles op aarde tot harmonie wil brengen.
Als humanist ging hij mee met de moderne tijd en was ervan overtuigd dat God deze harmonie alleen kan voltooien met behulp van de mensheid. Als gelovige bleef hij eerder premodern en had net als Pascal gevoelens van ongewisheid over het uitdijend heelal en de nieuwe betekenis van de Schepper. Zij zagen hoe de kennis snel toenam en zich opdeelde in aparte gebieden, wat de eenheid van de scheppingswerkelijkheid in gevaar bracht. Het vergaren van kennis dreigde los te raken van de betrokkenheid van alle dingen op God. Wat Comenius voorzag gebeurde inderdaad, niet veel later in de geschiedenis. Het kennen van de natuur werd benut voor technische ontwikkelingen die losstonden van ethische en politieke vragen en de gevolgen voor de mensheid. Voorbeelden zijn het ontstaan van het proletariaat en recent de onachtzaamheid rond kernenergie – de bezitters van de reactoren in Fukushima namen risico’s en lieten, toen het mis ging, arbeiders het vuile werk opknappen.
Comenius wilde wel de vooruitgang, maar hij ging niet mee in de negatieve ontwikkelingen die hij voorzag. Hij sprak over de Pansophia welke drie bronnen heeft, het boek van de bijbel, het boek van de natuur en het boek van het verstand. De wijsheid die van God komt omvat het Woord, de hele schepping en alle schepselen. Wie zich bekeert tot God en besef krijgt van zijn wijs beleid, zal van harte meewerken aan de vernieuwing en verbetering van al het zijnde.  Hij was er van overtuigd dat de mens door opvoeding en levenslang leren geestelijk kon groeien. In zijn Pampaedia beschreef hij acht levensstadia, van ‘voor de geboorte’ via drie stadia van kind en jongere tot voorbij ‘de vervulling van het leven in de hoge ouderdom’, namelijk ‘de school van de dood’. Comenius' vertrouwen in de menselijke door God gegeven groei werd gevoed vanuit de schaduw van de dood, waar overheen het nieuwe leven zou beginnen. Hij streed voor onderwijs voor iedereen, voor tolerantie en onderling begrip tussen kerken en staten. In elk stadium stond zijn grondhouding voorop: de onzichtbare aanwezigheid van het goddelijk licht dat alles op aarde doorstraalt en verbindt. (Jelsma 1993, 940v; Nipkow 1990, 215ff, etc.;  Schweitzer 1992, 76ff).
Op elke leeftijd moet een mens zich rekenschap geven van God, natuur en mens, hen zo zorgvuldig mogelijk waarnemen – zoals een kind de Orbis sensualium pictus bestuderen kan. Dit is een pedagogisch bedoeld boekje met duidelijke prenten  voor kinderen. Het heeft als onderwerp het schouwspel van de hele zichtbare wereld, van het alledaagse tot en met het toen bekende universum. Het is een verstandelijke weergave van de samenleving onder Gods hoede, gered door Jezus Christus. Toen ik het op het internet had gevonden, schrok ik niet zozeer van de primitieve voorstelling van het universum, als wel van de afgebeelde veld- en zeeslagen en vooral van de plaat met martelwerktuigen om booswichten te bestraffen. Kennelijk behoorde dat in de tijd van Comenius net zo bij het alledaagse leven als afbeeldingen van handwerk, kerk en geloof, sport en spel en de natuur. Ik schrok, maar waarom? Wie Jan leest, wie krant en tv volgt ziet genoeg geweld en martelingen om beter te weten. Als ik dit schrijf, voorjaar 2011, wisselt CNN beelden af van de vreselijke aardbevingen die de Japanners treffen en de oorlog die het volk van Lybië teistert, met schone vakantiebestemmingen. Ik kijk vanwege het geweld van natuur en oorlog, ben ontsteld, maar verlang tussendoor naar zalige oorden.
De meesten van ons kennen geen echt geweld – al staan ons in hetzelfde voorjaar de beelden op het netvlies van de schietpartij in Alphen a/d Rijn. We voelen ons al onveilig achter de tv bij gebeurtenissen die niets voorstellen vergeleken met vrouwenhandel en drugscriminaliteit hier te lande en barbaarse oorlogen in Afrika, Afghanistan en Irak. Reeds Comenius toonde ons nuchter het theatrum mundi en nodigt ons uit om beter waar te nemen. Vanuit ons gelovig bewustzijn dat "er wel meer als alles moet zijn".
Ik noem dat bidden zonder ophouden, een biddend leven leiden. Herman Finkers liet tijdens een interview bij hem thuis aan Paul Witteman ook zijn kapel zien. Verbaasd zei Witteman, dat hij dan wel een heel andere persoon was. Welnee, antwoordde hij op z’n Finkers, niet anders dan op het toneel of op de plee. Bidden zonder ophouden houdt in, het leven altijd  en overal in relatie tot God willen ervaren, zeg: Jezus willen navolgen: Bidden als binnentreden in het theatrum mundi dei.

 

Geloven begint bij de geboorte. Kind, jongere en hun ouders helpen om elkaar ruimte te geven voor “het komen van God”

Het is beslist niet zo dat pas volwassenen een volwaardig christelijk geloof kunnen leren. Integendeel, het is duidelijk dat geloofsopvoeding van kinderen verreweg de voornaamste reden is waarom mensen op latere leeftijd verder kunnen groeien in een geleefd geloof. Helaas heb ik de indruk dat godsdienstpedagogen zich weinig bezig houden met de godsdienstige opvoeding in het gezin (Lessen over God, ..).  De zogenaamde geloofsafval, of breder genomen, het gebrek aan overzicht over het leven, heeft als reden het gewild of ongewild niet opvoeden van kinderen in een concrete vorm van levensbeschouwing.  Die oorzaak hangt meestal samen met het feit dat de opvoeders zichzelf ook geen rekenschap geven van de mogelijkheden om zelf te groeien in spiritueel opzicht.
De leerprocessen die Jonker beschrijft leiden bij de deelnemers tot meer inzicht in de persoonlijke levensovertuiging. Dat kan van alles betekenen, waaronder ook de mogelijkheid van meer zicht op een vorm van christelijk geloven. Dit geloof komt zelden uit de lucht vallen, is bijna altijd gebaseerd op een godsdienstige opvoeding. Kinderen tot 8 à 10 jaar zijn vanzelfsprekend gesocialiseerd zoals hun ouders in het leven staan, waarbij nu ook inbegrepen is de wijze waarop zij hun kinderen media laten gebruiken. Vanaf 10 jaar gaan kinderen steeds meer hun eigen weg, met vrienden en met de media. Toch blijven veel diepgewortelde ervaringen en gevoelens uit het eerste decennium levenslang invloed uitoefenen op de mens. We weten dat oudere kinderen vaak hun kindergeloof kwijtraken. Het spirituele oergevoel van de peuter vervaagt geleidelijk aan wanneer het zich bewust wordt van personen om hem heen. De kleuter gaat op een eigen manier om met wat hij hoort over God en Jezus. Het schoolkind kan onderscheid maken tussen eigen fantasieën en de werkelijkheid. Het gaat concrete vragen stellen over de wereld. Aan hem of haar was het boekje van Comenius zeer besteed! Maar intussen wordt het kind zich ook meer en meer bewust van de open wereld waarin wij nu leven. Eerst nog onbevangen, maar steeds meer in verwarring, gaat de prepuber de onzekere wereld binnen. Nog steeds overheerst bij de meesten het concrete denken (Schweitzer 2006, 106ff.). We zien aan Krille Nordberg, dat oudere schoolkinderen en adolescenten vormen van godsdienst en levensbeschouwing nog vooral verstandelijk opvatten. Dat biedt helaas aan godsdiensten met verhalen die wij volwassenen thans metaforisch verstaan geen gunstige mogelijkheden voor laatmodern geloofsverstaan. Hier haken velen af – we hebben nieuwe vormen van zoeken naar beleefd en geleefd geloof nodig. Geen kerkdiensten met kindernevendiensten totdat de kinderen tussen hun achtste en tiende jaar afhaken. Geen saaie jeugdkerk of catechese – wie het boeiend kan maken voor tieners zij geprezen! Andere vormen van samen optrekken van jongeren worden uitgeprobeerd en blijven dringend nodig. Dit kan, gezien de kleine aantallen jongeren, beter in oecumenisch verband. Ik denk aan een soos, samen uitgaan, samen dingen doen voor mensen in de knel, gezinnen-kampen. Centrale inhoud is niet bijbel en geloof, maar het leven op Gods goede aarde. Met gebruikmaking van films, muziek, verhalen. Er is veel know how nodig om dit werk te kunnen begeleiden.
Bijna alles hangt af van de ouders. Hoe hebben zij hun kinderen de eerste levensjaren begeleid? Geloof en leven als één geheel!
Bijna alles hangt af van de begeleiders van volwassenencatechese. Hoe begeleiden zij de ouders, in alle vrijheid?
Comenius ging ervan uit dat mensen het moderne gedifferentieerde leven positief tegemoet kunnen treden, indien zij zich bewust blijven van het centrale richtpunt in hun leven, het op weg zijn naar Gods Koninkrijk. De geschiedenis heeft hem geen gelijk gegeven. De differentiatie betekende dat ook ‘God geloven’steeds meer een deelgebied van het maatschappelijk en als gevolg ook van het persoonlijk leven werd. Dat komt mede omdat het beheer van het geloof bijna vanzelfsprekend werd opgeëist door zo’n deelgebied, het kerkelijk bedrijf. 
Maar als we Comenius volgen, gaat het helemaal niet aan om doctrines of om geloven te beperken tot godsdienstig gebruik in de kerk en – afgeleid – in het gezin. Comenius was voorstander van totaal-leren. “Alles wat geleerd wordt, moet in zijn ‘zijn en worden’, in zijn oorzaken geleerd worden.” Dit vereist leren met alle zintuigen, overal waar men verblijft. Alle dingen, alle gebeurtenissen, kunnen in verband worden gebracht met de Schepper. Elk handelen dat uitgaat van grondige kennis van zaken, en ook de perspectieven van anderen leert innemen, is handelen in overeenstemming met de scheppingswerkelijkheid en gericht op verbetering en voltooiing van de wereld.
Laatmodern uitgedrukt zullen we Comenius’ visie reviseren op het punt van ‘Gods werkzaamheid’en van ‘strikt geseculariseerde handelingsgebieden’, wetenschap en techniek. We zullen kinderen van jongs af aan zodanig begeleiden, dat ze niet kunnen vervallen in een vorm van Sinterklaas geloof. God grijpt niet zichtbaar in bij nood en doodsgevaar. God is onzichtbaar aanwezig in het handelen van mensen, die, waar ook, liefde en gerechtigheid  nastreven. Dit handelen moet nog veel meer concreet worden gemaakt – gewaagd, niet de kool en de geit – en onszelf – sparend. Maar waarom nog spreken over “het komen van God”, als wij mensen zelf het goede moeten doen?
Ik geloof, dat voor mij en voor velen in deze tijd het komen van God alles te maken heeft met een nieuwe visie op het “blijvend unieke en definitieve van Jezus Christus”, zoals de Anglicaanse aartsbisschop Rowan Williams het beschrijft. Hij gaat uit van de Bijbeltekst “Niemand kan tot de Vader komen dan door mij” (Joh. 14:6) en bespreekt morele, politieke en filosofische bezwaren tegen de betekenis van deze tekst. Hij zegt dat zijn claim niet slaat op de unieke waarheid van woorden, maar op een unieke relatie met Jezus. Niet het beamen van juiste ideeën over Jezus, maar hem daadwerkelijk volgen. Jezus’ daden, zeg – in mijn woorden - zijn helpen in nood, zijn woorden van troost voor de onderliggenden en zijn kritiek op onrechtvaardigen. Wat het Nieuwe Testament zegt, zo meent Williams, is “een oriëntatie op, een magnetisch aangetrokken zijn door de bron van alles, én een vermogen om een relatie aan te gaan met die bron, niet simpelweg in de zin van gehoorzamen of rationeel accepteren, maar als iemand die intiem en intens verbonden is met een ander, zoals een kind met zijn of haar vader. Daarvoor zijn mensen gemaakt” (curs. Williams, p. 6).
Zij bekommeren zich om Jan, mijn vriend, want juist in de ontmoeting met hem ervaren ze dat er wel meer dan alles moet zijn.
Twintig jaar geleden moest ik een recensie schrijven over Jonkers Aan het woord komen. Ik schreef: Men moet dit boek genieten en vervolgens met evenveel plezier gaan gebruiken. Wat ik niet opschreef, maar terugvond in mijn notities was een opmerking bij pag. 107. Hier zegt Jonkers tijdens het verloop van een lesopzet over Mk 14:32vv: “Misschien vraagt de groep wel naar God. (…) Ze hebben er nauwelijks weet van dat je leven zich afspeelt voor Gods aangezicht. Doe ik door het gebed aan de orde te stellen eigenlijk niet een poging, de groep te laten ontdekken dat het zin heeft je leven en de grote vragen die je hebt, voor te leggen aan God? Hoop ik ten diepste niet, dat de groep zich zal richten op God en Zijn Rijk?” Mijn opmerking bij deze passage was: “Dit raakt mij tot in mijn hart. Afzien van theologische hoogstandjes en jezelf wegcijferen om op het hoogst haalbare niveau te werken en af te wachten…”
Zo geeft Evert Jonker ruimte aan “het komen van God”.

 

Auteur: Albert (prof. dr. A.K.) Ploeger is emeritus hoogleraar Godsdienstpedagogiek en ememeritus kerkelijk hoogleraar Praktische Theologie, Rijksuniversiteit Groningen.
E-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. 

 

Literatuur
N. Mette, Religionsinterricht – mehr als Ethik, in: Stimmen der Zeit, 5/2010, 303ff.
A.J. Jelsma, Jan Amos Comenius, in Encyclopedie van de mystiek, Kampen 2003, 940v.
K.-E. Nipkow, Bildung als Lebensbegleitung und Erneuerung, Gütersloh 1990.
F. Schweitzer, Die Religion des Kindes, Gütersloh 1992.
ib., Religionspädagogik, Gütersloh 2006.
R. Williams, Het unieke en definitieve van Jezus Christus, in: Benedictijns Tijdschrift 2011/1, 2vv.

Mensen die leren om elkaar te zien

"We moeten Jan kopen!" Dat herinner ik mij. Mijn vrouw - Joke – is nauwelijks terug van Hydepark. Ze begint  meteen de lof te zwaaien van Evert Jonker, die een week leidde over leerprocessen in de gemeente.  Het meest boeide haar hoe hij zijn inleiding over 'het bidden' begon. Hij maakte gebruik van een boek van de Zweedse schrijver Peter Pohl, Jan, mijn vriend. Joke's enthousiasme is me altijd bijgebleven. Ik kreeg de indruk dat daar op Hydepark iets existentieels was gebeurd. En ik dacht, hier wil ik meer van weten.
Dat alles is alweer bijna twintig jaar geleden en de feitelijke gegevens over Joke's verslag, over Everts aanpak en mijn bezinning aan de zijlijn heb ik niet meer.

Dat is maar goed ook, want de wetenschap dendert voort en wat decennia terug juist en goed was kan nu niet meer gelden. Ik spot. Ik heb in de afgelopen tientallen jaren weinig gelezen op godsdienstpedagogisch gebied, dat mij inhoudelijk gezien werkelijk vernieuwend leek. Bijvoorbeeld vergeleken met Jonkers' Aan het Woord komen uit 1992. Natuurlijk bleven de wetenschappers goed werk doen. Ze onderzochten en bevonden dat het participeren in christelijke geloofsgemeenschappen en het vanzelfsprekend aanvaarden van de traditionele leer jaar in jaar uit verder zijn afgenomen. Ze hielden prima bij dat jong en oud cultureel met hun tijd zijn meegegaan en doen voorstellen voor het leren met gebruikmaking van de allernieuwste media. Docenten catechetiek en godsdienstpedagogiek bezoeken belangrijke internationale conferenties waar men nieuwe kennis en ideeën uitwisselt. Ik heb daar zelf jarenlang aan meegedaan. Toch vraag ik mij af: weten wij nu beter dan vroeger hoe mensen – hier toegespitst op leergroepen, lerenden en hun begeleiders -  ruimte kunnen geven aan "het komen van God"? Dat klemt des te meer wanneer ik ook nog eens concreet bedoel ‘de trinitaire God’.
Daarom ga ik proberen om uit mijn onbewuste het enthousiasme van toen weer naar boven te halen – zonder dat ik letterlijk kan en wil ingaan op datgene wat in die week aan de orde kwam. Het gaat mij om het enthousiasme dat eerst bij Joke en later bij mijzelf oplaaide over een week die vast en zeker alles te maken had met mijn vraag.  Hoe konden mensen – de docent Jonker en de leergroep - ruimte geven aan "het komen van God"? Want zoiets gebeurde daar. En dat zoiets was geen ietsisme, maar had concreet betrekking op verhalen uit de Bijbel, op Jezus, en op de Vader van Jezus Christus.
De Bijbel is van essentieel belang. Vaak zal zij in leerprocessen die rol echter alleen op de achtergrond meespelen. Met name de meeste adolescenten in midden-orthodoxe gemeenten staan volstrekt onverschillig tegenover kerk en geloof. Je zou kunnen zeggen: alles wat in kerkelijke leerprocessen gebeurt, zal in tune zijn met datgene waar het in Tenach en Evangelie om draait, de omgang van God en mens en de omgang van mensen onder elkaar naar Gods wil.
De Bijbel is de achtergrond, maar een andere component voert de boventoon. Het belangrijkste is de aandacht voor de mens, kwetsbaar, nieuwsgierig, blij, verdrietig, lijdend, liefhebbend, verlangend. In eerste instantie gaat de aandacht uit naar de deelnemers aan het leerproces. Vanzelfsprekend doet de docent moeite om de lerenden waar te nemen zoals zij zijn. Deze grondhouding, het verstaan van de anderen, zal maken dat lerenden hem ook in zijn waarde laten. Aandacht voor de mens beperkt zich echter niet tot de leergroep. Wanneer anderen buiten de groep ter sprake komen, worden zij vanuit dezelfde grondhouding waargenomen.
Wie aandacht heeft voor de ander, zal zich ook bezig houden met de leefomgeving van de ander, dichtbij en veraf. Vereist is bewustzijn van en soms concrete aandacht zowel voor de hedendaagse cultuur (seksualiteit, media, onderwijs, sport, natuur, kunsten) als voor de toekomst, voor politieke en economische machten. Samen op weg naar een wereld die menselijker is en zinvoller voor ieder die leeft (Mette 2010, 308f).
Kortom, de Bijbel is de achtergrond van het kerkelijk leerproces, en aandacht voor de mens en diens vragen, noden en verlangens is de belangrijkste component. Daaruit vloeien neven-componenten voort die met de hedendaagse cultuur en samenleving verband houden. De band tussen bijbel, geloof en aandacht voor de mens met wie wij omgaan en zijn cultuur maakt dat wij er een vermoeden van zouden kunnen krijgen dat "er wel meer als alles moet zijn" (Sölle). Dat was ook de eye-opener via een passage uit het boek Jan, mijn vriend.

 
Jan

Een vreemd boek. Een vreselijk boek, net als Pohl’s bestseller Wij noemen hem Anna. Jan is de vriend van de ik-persoon, Krille Nordberg. Jan, een goochelaar op de fiets, een oersterk klein ventje,  dat overal buiten wil staan. Hij gaat niet naar school en wordt thuis geregeld afgeranseld. Thuis? De moeder van Krille heeft hem eens een paar dagen verzorgd, en vraagt hem nu het grote Lentefeest bij hen te komen eten. Nadat ze lang en veel gegeten hebben liggen Jan en Krille "half op mijn bed onze maaltijd te verteren", en Jan vraagt "wat dat daaro was". Hij wijst naar de eetkamer naast die van Krille. Die gehaktballetjes? Natuurlijk niet, "Dat daaro. Wat je vader daar zei." Oh, hij bedoelt het tafelgebed, "Heer Jezus, zegen deez' van God gegeven spijze en doe ons weer gesterkt van tafel rijzen. Amen". Het is een tijdje stil, waarna Jan vraagt "of  ze dat daaro in alle deftige huizen deden", en waar dat naartoe leidt. Krille legt regel voor regel uit, "maar Jan snapt er nog altijd niks van. Jezus? Gezegend door de naam? Wat is dat voor lullekoek?" Krille bedenkt ineens dat hij er zich eigenlijk ook helemaal niet bewust van is. Je doet het gewoon. Maar zijn vader, in de eetkamer, heeft alles gehoord en spoort Krille aan verder te vertellen. Nu blijkt dat Jan van de hele handel over Jezus en over christelijke feestdagen echt nog nooit heeft gehoord.
Geen vader...geen moeder... Krille vraagt zich af hoe iemand kan leven, hoe iemand kan ademhalen zonder vader en moeder?
Het blijkt ook niet te gaan. Het wordt een thrillerachtig verhaal vol fantasieën van de puber Krille.  Hij begrijpt de ondoorzichtige hulpvraag, de noodkreet van zijn geheimzinnige vriend totaal niet. Jan werd uitgebuit als circusartiest en misbruikt; hij blijkt helemaal geen jongen te zijn, daarom wilde hij/zij nooit mee gaan zwemmen. Het is een onvolgroeid ouder meisje. Ze wordt geliquideerd als ze dreigt door te slaan.
De passage over het tafelgebed was er door Jonker uitgelicht aan het begin van een week die als titel had Bidden, wij maken er een leerpunt van. Nu ik het boek Jan, mijn vriend opnieuw heb doorgelezen, realiseer ik mij dat dit de enige expliciet religieuze passage is. Wie het gebed kent, kan zich er net als Krille van bewust worden dat bidden vaak enkel een automatisme is. En zich eveneens de vraag stellen: hoe is het mogelijk, dat een mens in dit christelijke land niet weet wat bidden is, zelfs de naam van Jezus niet kent. Wie gelovig is, kan zo ineens het voorrecht ervaren te kunnen bidden. Maar dat zal voor hem beslist niet het enige religieuze aspect van het boek zijn. Hij ziet dat Krille zich afschuwelijk blijft verbazen, hij ziet martelingen, hij probeert zich met Krille voor te stellen wat het is, geen moeder, geen vader te hebben, ja, wie kan dan leven? Hij ervaart met Krille wat het betekent, na te denken over de zin of zinloosheid van het bestaan. Uiteindelijk: na te denken over de laatste vragen rond dood en leven.
De auteur laat in het midden hoe de veertienjarige Krille deze vragen oppakt en dus evenmin of hij daarbij ook zijn godsdienstige achtergrond zou betrekken. De passage over het tafelgebed wekt de indruk dat Krilles relatie tot God verstandelijk is. Dat is heel gebruikelijk voor jongeren van zijn leeftijd. Indien er echter in ons gezin, in de kerk, op school of onder vrienden geen geloofsimpulsen waren of komen op het niveau van het gevoelsleven, verdort het kindergeloof meestal. Alleen een beleefd geloof kan een geleefd geloof zijn of worden.

 
Leren van jongvolwassenen bij Evert Jonker

Dit lijkt mij ook bij Jonker een wezenlijk uitgangspunt. Kennis van bijbel en geloof is noodzakelijk wil men niet verzanden in een spiritueel ietsisme. Toch leidt dit niet toe naar een persoonlijk beleefd geloof. Daarvoor zijn andere wegen nodig, met name de omgang met mensen die op deze weg al verder gevorderd zijn. Ook zijn er specifieke leerwegen mogelijk, zoals Jonker ze zelf beschrijft. In zijn publicaties over leerprocessen voor jongeren van 17 jaar en ouder (Aan het woord komen) en van 25-35 jaar (Heil aan bod) legt Jonker veel nadruk op de vrijheid van elke deelnemer. In Heil aan bod. Leren hopen in praktisch-theologisch perspectief zijn de jongeren zelf subject van het leerproces. Zij organiseren zelf ‘procedureel en inhoudelijk’ een aantal avonden. Het doel is niet zoiets als geloofsoverdracht, maar persoonlijke verwerking van de inhouden. De begeleider is ‘medezoeker en – op afroep – informant.’ Overigens blijkt dat slechts ten dele waar: de begeleider heeft zeker zowel een procedurele als een inhoudelijke inbreng. Want hij biedt afbeeldingen, bijbel- en andere teksten aan. Dat is m.i. ook nodig, wil er sprake zijn van een leerproces over hoop. Anders zouden het gezellige avonden kunnen worden waar meestal weinig geleerd wordt. Waar het om gaat, en dat is Jonkers inzet, is echter dat de gemeenteleden zelf subject zijn van hun leerproces – zichzelf op hun eigen manier kunnen verhouden tot de inbreng van anderen.

 
Leren bidden als binnentreden in het theatrum mundi (Jan Amos Comenius)

Mensen die hun geloof beleven, gaan de weg van het gebed (Miskotte). Op bepaalde tijden spreken zij met God, maar ze hebben bovendien een godsdienstige levenshouding  die in de bijbel ‘bidden zonder ophouden’ wordt genoemd. Dat wil zeggen, hun doen en laten is gestempeld door een vorm van ‘meeweten met God’ (ter Schegget). Een kind, jongere of volwassene met een beleefd geloof kan leren het hele leven te ervaren en te zien als een geleefd geloof waarin men door de jaren heen groeit en met z’n tijd meegaat. Als een schouwspel van God en mensen, waar men zelf een rol in speelt. In een levenslang voortgaand proces leert men zich, afhankelijk van leeftijd en context, steeds opnieuw afvragen: hoe gaan wij mensen met elkaar om, in de huidige omstandigheden, hier – en overal elders? Wat is bidden binnen het theatrum mundi, je eigen kleine wereldje en de grote wereld, waar je evengoed deel van uitmaakt?
De beroemde pedagoog Jan Amos Comenius (1592-1670) beschreef reeds in 1658 deze beide aspecten van de wereld. Hij heeft de overgang meegemaakt van de late middeleeuwen naar het begin van de moderne tijd. “Heel mijn leven was ik een man met een droombeeld”, schreef  Comenius aan het eind van zijn leven, dat begon in Tsjechië en eindigde in Naarden. Zijn ouders stierven aan de pest toen hij nog jong was en hij verloor ook zijn eerste en tweede vrouw en enkele van zijn kinderen. Als Moravische broeder werd hij vervolgd en leidde een zwervend leven. Maar achter dit van buiten af gezien ellendige bestaan zag hij een schepper die in liefdevolle ontferming alles op aarde tot harmonie wil brengen.
Als humanist ging hij mee met de moderne tijd en was ervan overtuigd dat God deze harmonie alleen kan voltooien met behulp van de mensheid. Als gelovige bleef hij eerder premodern en had net als Pascal gevoelens van ongewisheid over het uitdijend heelal en de nieuwe betekenis van de Schepper. Zij zagen hoe de kennis snel toenam en zich opdeelde in aparte gebieden, wat de eenheid van de scheppingswerkelijkheid in gevaar bracht. Het vergaren van kennis dreigde los te raken van de betrokkenheid van alle dingen op God. Wat Comenius voorzag gebeurde inderdaad, niet veel later in de geschiedenis. Het kennen van de natuur werd benut voor technische ontwikkelingen die losstonden van ethische en politieke vragen en de gevolgen voor de mensheid. Voorbeelden zijn het ontstaan van het proletariaat en recent de onachtzaamheid rond kernenergie – de bezitters van de reactoren in Fukushima namen risico’s en lieten, toen het mis ging, arbeiders het vuile werk opknappen.
Comenius wilde wel de vooruitgang, maar hij ging niet mee in de negatieve ontwikkelingen die hij voorzag. Hij sprak over de Pansophia welke drie bronnen heeft, het boek van de bijbel, het boek van de natuur en het boek van het verstand. De wijsheid die van God komt omvat het Woord, de hele schepping en alle schepselen. Wie zich bekeert tot God en besef krijgt van zijn wijs beleid, zal van harte meewerken aan de vernieuwing en verbetering van al het zijnde.  Hij was er van overtuigd dat de mens door opvoeding en levenslang leren geestelijk kon groeien. In zijn Pampaedia beschreef hij acht levensstadia, van ‘voor de geboorte’ via drie stadia van kind en jongere tot voorbij ‘de vervulling van het leven in de hoge ouderdom’, namelijk ‘de school van de dood’. Comenius' vertrouwen in de menselijke door God gegeven groei werd gevoed vanuit de schaduw van de dood, waar overheen het nieuwe leven zou beginnen. Hij streed voor onderwijs voor iedereen, voor tolerantie en onderling begrip tussen kerken en staten. In elk stadium stond zijn grondhouding voorop: de onzichtbare aanwezigheid van het goddelijk licht dat alles op aarde doorstraalt en verbindt. (Jelsma 1993, 940v; Nipkow 1990, 215ff, etc.;  Schweitzer 1992, 76ff).
Op elke leeftijd moet een mens zich rekenschap geven van God, natuur en mens, hen zo zorgvuldig mogelijk waarnemen – zoals een kind de Orbis sensualium pictus bestuderen kan. Dit is een pedagogisch bedoeld boekje met duidelijke prenten  voor kinderen. Het heeft als onderwerp het schouwspel van de hele zichtbare wereld, van het alledaagse tot en met het toen bekende universum. Het is een verstandelijke weergave van de samenleving onder Gods hoede, gered door Jezus Christus. Toen ik het op het internet had gevonden, schrok ik niet zozeer van de primitieve voorstelling van het universum, als wel van de afgebeelde veld- en zeeslagen en vooral van de plaat met martelwerktuigen om booswichten te bestraffen. Kennelijk behoorde dat in de tijd van Comenius net zo bij het alledaagse leven als afbeeldingen van handwerk, kerk en geloof, sport en spel en de natuur. Ik schrok, maar waarom? Wie Jan leest, wie krant en tv volgt ziet genoeg geweld en martelingen om beter te weten. Als ik dit schrijf, voorjaar 2011, wisselt CNN beelden af van de vreselijke aardbevingen die de Japanners treffen en de oorlog die het volk van Lybië teistert, met schone vakantiebestemmingen. Ik kijk vanwege het geweld van natuur en oorlog, ben ontsteld, maar verlang tussendoor naar zalige oorden.
De meesten van ons kennen geen echt geweld – al staan ons in hetzelfde voorjaar de beelden op het netvlies van de schietpartij in Alphen a/d Rijn. We voelen ons al onveilig achter de tv bij gebeurtenissen die niets voorstellen vergeleken met vrouwenhandel en drugscriminaliteit hier te lande en barbaarse oorlogen in Afrika, Afghanistan en Irak. Reeds Comenius toonde ons nuchter het theatrum mundi en nodigt ons uit om beter waar te nemen. Vanuit ons gelovig bewustzijn dat "er wel meer als alles moet zijn".
Ik noem dat bidden zonder ophouden, een biddend leven leiden. Herman Finkers liet tijdens een interview bij hem thuis aan Paul Witteman ook zijn kapel zien. Verbaasd zei Witteman, dat hij dan wel een heel andere persoon was. Welnee, antwoordde hij op z’n Finkers, niet anders dan op het toneel of op de plee. Bidden zonder ophouden houdt in, het leven altijd  en overal in relatie tot God willen ervaren, zeg: Jezus willen navolgen: Bidden als binnentreden in het theatrum mundi dei.

 
Geloven begint bij de geboorte. Kind, jongere en hun ouders helpen om elkaar ruimte te geven voor “het komen van God”

Het is beslist niet zo dat pas volwassenen een volwaardig christelijk geloof kunnen leren. Integendeel, het is duidelijk dat geloofsopvoeding van kinderen verreweg de voornaamste reden is waarom mensen op latere leeftijd verder kunnen groeien in een geleefd geloof. Helaas heb ik de indruk dat godsdienstpedagogen zich weinig bezig houden met de godsdienstige opvoeding in het gezin (Lessen over God, ..).  De zogenaamde geloofsafval, of breder genomen, het gebrek aan overzicht over het leven, heeft als reden het gewild of ongewild niet opvoeden van kinderen in een concrete vorm van levensbeschouwing.  Die oorzaak hangt meestal samen met het feit dat de opvoeders zichzelf ook geen rekenschap geven van de mogelijkheden om zelf te groeien in spiritueel opzicht.
De leerprocessen die Jonker beschrijft leiden bij de deelnemers tot meer inzicht in de persoonlijke levensovertuiging. Dat kan van alles betekenen, waaronder ook de mogelijkheid van meer zicht op een vorm van christelijk geloven. Dit geloof komt zelden uit de lucht vallen, is bijna altijd gebaseerd op een godsdienstige opvoeding. Kinderen tot 8 à 10 jaar zijn vanzelfsprekend gesocialiseerd zoals hun ouders in het leven staan, waarbij nu ook inbegrepen is de wijze waarop zij hun kinderen media laten gebruiken. Vanaf 10 jaar gaan kinderen steeds meer hun eigen weg, met vrienden en met de media. Toch blijven veel diepgewortelde ervaringen en gevoelens uit het eerste decennium levenslang invloed uitoefenen op de mens. We weten dat oudere kinderen vaak hun kindergeloof kwijtraken. Het spirituele oergevoel van de peuter vervaagt geleidelijk aan wanneer het zich bewust wordt van personen om hem heen. De kleuter gaat op een eigen manier om met wat hij hoort over God en Jezus. Het schoolkind kan onderscheid maken tussen eigen fantasieën en de werkelijkheid. Het gaat concrete vragen stellen over de wereld. Aan hem of haar was het boekje van Comenius zeer besteed! Maar intussen wordt het kind zich ook meer en meer bewust van de open wereld waarin wij nu leven. Eerst nog onbevangen, maar steeds meer in verwarring, gaat de prepuber de onzekere wereld binnen. Nog steeds overheerst bij de meesten het concrete denken (Schweitzer 2006, 106ff.). We zien aan Krille Nordberg, dat oudere schoolkinderen en adolescenten vormen van godsdienst en levensbeschouwing nog vooral verstandelijk opvatten. Dat biedt helaas aan godsdiensten met verhalen die wij volwassenen thans metaforisch verstaan geen gunstige mogelijkheden voor laatmodern geloofsverstaan. Hier haken velen af – we hebben nieuwe vormen van zoeken naar beleefd en geleefd geloof nodig. Geen kerkdiensten met kindernevendiensten totdat de kinderen tussen hun achtste en tiende jaar afhaken. Geen saaie jeugdkerk of catechese – wie het boeiend kan maken voor tieners zij geprezen! Andere vormen van samen optrekken van jongeren worden uitgeprobeerd en blijven dringend nodig. Dit kan, gezien de kleine aantallen jongeren, beter in oecumenisch verband. Ik denk aan een soos, samen uitgaan, samen dingen doen voor mensen in de knel, gezinnen-kampen. Centrale inhoud is niet bijbel en geloof, maar het leven op Gods goede aarde. Met gebruikmaking van films, muziek, verhalen. Er is veel know how nodig om dit werk te kunnen begeleiden.
Bijna alles hangt af van de ouders. Hoe hebben zij hun kinderen de eerste levensjaren begeleid? Geloof en leven als één geheel!
Bijna alles hangt af van de begeleiders van volwassenencatechese. Hoe begeleiden zij de ouders, in alle vrijheid?
Comenius ging ervan uit dat mensen het moderne gedifferentieerde leven positief tegemoet kunnen treden, indien zij zich bewust blijven van het centrale richtpunt in hun leven, het op weg zijn naar Gods Koninkrijk. De geschiedenis heeft hem geen gelijk gegeven. De differentiatie betekende dat ook ‘God geloven’steeds meer een deelgebied van het maatschappelijk en als gevolg ook van het persoonlijk leven werd. Dat komt mede omdat het beheer van het geloof bijna vanzelfsprekend werd opgeëist door zo’n deelgebied, het kerkelijk bedrijf.
Maar als we Comenius volgen, gaat het helemaal niet aan om doctrines of om geloven te beperken tot godsdienstig gebruik in de kerk en – afgeleid – in het gezin. Comenius was voorstander van totaal-leren. “Alles wat geleerd wordt, moet in zijn ‘zijn en worden’, in zijn oorzaken geleerd worden.” Dit vereist leren met alle zintuigen, overal waar men verblijft. Alle dingen, alle gebeurtenissen, kunnen in verband worden gebracht met de Schepper. Elk handelen dat uitgaat van grondige kennis van zaken, en ook de perspectieven van anderen leert innemen, is handelen in overeenstemming met de scheppingswerkelijkheid en gericht op verbetering en voltooiing van de wereld.
Laatmodern uitgedrukt zullen we Comenius’ visie reviseren op het punt van ‘Gods werkzaamheid’en van ‘strikt geseculariseerde handelingsgebieden’, wetenschap en techniek. We zullen kinderen van jongs af aan zodanig begeleiden, dat ze niet kunnen vervallen in een vorm van Sinterklaas geloof. God grijpt niet zichtbaar in bij nood en doodsgevaar. God is onzichtbaar aanwezig in het handelen van mensen, die, waar ook, liefde en gerechtigheid  nastreven. Dit handelen moet nog veel meer concreet worden gemaakt – gewaagd, niet de kool en de geit – en onszelf – sparend. Maar waarom nog spreken over “het komen van God”, als wij mensen zelf het goede moeten doen?
Ik geloof, dat voor mij en voor velen in deze tijd het komen van God alles te maken heeft met een nieuwe visie op het “blijvend unieke en definitieve van Jezus Christus”, zoals de Anglicaanse aartsbisschop Rowan Williams het beschrijft. Hij gaat uit van de Bijbeltekst “Niemand kan tot de Vader komen dan door mij” (Joh. 14:6) en bespreekt morele, politieke en filosofische bezwaren tegen de betekenis van deze tekst. Hij zegt dat zijn claim niet slaat op de unieke waarheid van woorden, maar op een unieke relatie met Jezus. Niet het beamen van juiste ideeën over Jezus, maar hem daadwerkelijk volgen. Jezus’ daden, zeg – in mijn woorden - zijn helpen in nood, zijn woorden van troost voor de onderliggenden en zijn kritiek op onrechtvaardigen. Wat het Nieuwe Testament zegt, zo meent Williams, is “een oriëntatie op, een magnetisch aangetrokken zijn door de bron van alles, én een vermogen om een relatie aan te gaan met die bron, niet simpelweg in de zin van gehoorzamen of rationeel accepteren, maar als iemand die intiem en intens verbonden is met een ander, zoals een kind met zijn of haar vader. Daarvoor zijn mensen gemaakt” (curs. Williams, p. 6).
Zij bekommeren zich om Jan, mijn vriend, want juist in de ontmoeting met hem ervaren ze dat er wel meer dan alles moet zijn.
Twintig jaar geleden moest ik een recensie schrijven over Jonkers Aan het woord komen. Ik schreef: Men moet dit boek genieten en vervolgens met evenveel plezier gaan gebruiken. Wat ik niet opschreef, maar terugvond in mijn notities was een opmerking bij pag. 107. Hier zegt Jonkers tijdens het verloop van een lesopzet over Mk 14:32vv: “Misschien vraagt de groep wel naar God. (…) Ze hebben er nauwelijks weet van dat je leven zich afspeelt voor Gods aangezicht. Doe ik door het gebed aan de orde te stellen eigenlijk niet een poging, de groep te laten ontdekken dat het zin heeft je leven en de grote vragen die je hebt, voor te leggen aan God? Hoop ik ten diepste niet, dat de groep zich zal richten op God en Zijn Rijk?” Mijn opmerking bij deze passage was: “Dit raakt mij tot in mijn hart. Afzien van theologische hoogstandjes en jezelf wegcijferen om op het hoogst haalbare niveau te werken en af te wachten…”
Zo geeft Evert Jonker ruimte aan “het komen van God”.

Auteur: Albert (prof. dr. A.K.) Ploeger is emeritus hoogleraar Godsdienstpedagogiek en ememeritus kerkelijk hoogleraar Praktische Theologie, Rijksuniversiteit Groningen.
E-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn