Artikelen

Logo

(Leestijd: 11 - 22 minuten)

Niet alle verschijningen hoeven werkelijk religieuze ervaringen te zijn. Een aanwezigheid van Christus is niet grijpbaar in die zin dat het empirisch aangetoond kan worden of dat een mens erover beschikken kan. Maar kan bijvoorbeeld een hallucinatie zo’n uitwerking hebben dat het een blijvende verbondenheid met Christus geeft?

Dit artikel is een uitvoeriger versie van het artikel van Berthilde van der Zwaag over Christusverschijningen in Handelingen. Tijdschrift voor Praktische Theologie en Religiewetenschap, 2012 / 1. Zij reageert daarin op artikelen van de godsdienstpsychologen Jessie Dezutter en Jozef Corveleyn en van de praktisch theoloog Ruard Ganzevoort.

 

Dezutter en Corveleyn geven vanuit de godsdienstpsychologie, en Ganzevoort vanuit de praktische theologie, waardevolle aanvullingen en verdere inzichten bij het interpreteren van hedendaagse verschijningservaringen. Deze aandacht voor het fenomeen vanuit andere vakgebieden, op sympathieke wijze beschreven, helpt bij de erkenning, de acceptatie en het begrijpen van deze ervaringen uit de praktijk van het leven. Daar ben ik heel dankbaar voor.
Op enkele punten heb ik echter een iets andere visie. Daar ga ik in dit afsluitende artikel op in. Het betreft vooral de principiële vraag of Christus werkelijk aanwezig is bij een verschijningservaring. Een ander punt is de vergelijking met een rouwende, zoals Vergote die maakt om het fenomeen van de verschijning te verduidelijken. Maar eerst enkele kleine aanvullingen.

 

Begeleiding

In de praktijk blijkt dat mensen soms op weerstand stuiten als ze hun ervaring vertellen. Dezutter en Corveleyn wijzen op het belang van het spreken over een verschijning: ‘Zij zouden opgevangen moeten worden door de pastor/de begeleider om er over te kunnen spreken. Door het gebruik van taal en het delen in de grotere geloofsgemeenschap kunnen ze verder betekenis geven aan de ervaring.’
De opvang kan eruit bestaan de ziener zijn of haar verhaal te laten vertellen. Vervolgens kan samen onderzocht worden op welke wijze de gebeurtenis aansluit bij de verschijningen die in de Bijbel beschreven staan en wat de betekenis kan zijn voor het leven van de betreffende persoon. Een verschijning sluit aan bij de situatie waarin iemand zich bevindt. Wanneer men zich bewust is van problemen of emoties die op dat moment een rol speelden, kan meestal het verband gelegd worden tussen de situatie en de verschijning. Dat kan helpen om de ervaring te integreren in het leven. Het kan tot steun zijn in het te boven komen van een moeilijke tijd, in de geloofsontwikkeling en de relatie met God. Dat blijft levenslang van waarde.
Als het in de geloofsgemeenschap gedeeld wordt, kan de vraag opkomen waarom de een zoiets meemaakt en de ander niet. Het is belangrijk aan te geven dat mensen die een verschijning hebben meegemaakt geen betere gelovigen zijn dan zij die dat niet hebben ervaren. In alle beschrijvingen klinkt de overtuiging dat het niet te maken heeft met eigen prestaties. In de beschrijvingen valt wel op dat de betrokken mensen hun crisis of levensvragen niet uit de weg gingen. Niet dat dit altijd een bewuste keuze was, sommigen zaten zo vast dat er geen uitweg meer was. Soms hebben zij zich vanuit hun diepe dal in een schreeuw of stilte tot God gericht, zijn een kerk binnengegaan of in de Bijbel gaan lezen. Toch kan niet gezegd worden dat mensen die een dergelijke ervaring niet kennen op een verkeerde manier met het leven omgaan. Hulp van God hoeft niet altijd via een verschijning plaats te vinden.
Ganzevoort ziet het als ‘een verantwoordelijkheid van pastores en geestelijk verzorgers om mensen bij te staan als ze zoeken naar de betekenis van een dergelijke ervaring. In crisissituaties zou de pastor erop bedacht moeten zijn dat mensen intense ervaringen kunnen opdoen, juist in een crisis is er een verlangen naar groei en geloofsverdieping.’
Uit de praktijk blijkt inderdaad dat mensen graag over hun ervaring willen spreken wanneer zij openheid bemerken. Pastores en geestelijk verzorgers zouden in hun vraag naar de hulpbronnen meer specifiek kunnen zijn. Voorzichtig en vragenderwijs kan worden afgetast of er behoefte is om een religieuze ervaring te delen. Omdat het vaak gebeurt in moeilijke periodes in iemands leven, kan een vraag als: ‘Heeft u in deze moeilijke periode steun aan uw geloof gehad?’ een opening zijn voor een gesprek. Met kennis over en erkenning van verschijningservaringen is een pastor ook in staat tot het stellen van theologisch inhoudelijke vragen die de ziener kunnen helpen naar de ervaring te kijken.
Ganzevoort gaat nog verder door te stellen dat een pastor zelfs ‘een pastorale verantwoordelijkheid heeft in het stimuleren van de ontvankelijkheid’ en ‘ook een rol heeft in het scheppen van een verwachtingsruimte waarin zulke ervaringen mogelijk worden’. Prachtig!

 

Onderscheidingsvermogen

Inderdaad hoeven niet alle verschijningen werkelijk religieuze ervaringen zijn. Een dergelijke ervaring kan ook een bijwerking zijn van medicijnen of voortkomen uit een psychische stoornis. Dezutter en Corveleyn geven het verhelderende inzicht van de ‘common world’ en ‘own world’. De verbetering van de levenskwaliteit en het feit dat de ervaring als uniek beleefd wordt, zijn ook criteria waarmee het gezonde van het pathologische kan worden onderscheiden. Een religieuze ervaring vervult de persoon met zoveel verwondering en eerbied, dat de gedachte aan nieuwe ervaringen niet opkomt. De eenmalige ervaring blijkt een leven lang mee te gaan.
De grens tussen gezond en pathologisch is overigens niet altijd scherp te trekken, dat geldt zowel voor het psychische als het religieuze leven. Maar wanneer blijkt dat een verschijning iemand in verwarring brengt of aanzet tot ethisch onverantwoord of schadelijk handelen, kan worden betwijfeld of er sprake was van een ervaring van Christus. De religieuze ervaring wordt gekenmerkt door een boodschap met een heldere inhoud en vaak een duidelijk ethisch karakter. De ervaring vervult mensen met verwondering en eerbied. Men kan er slechts met moeite over spreken. Tenslotte is de terugkeer naar het gewone leven een teken van een gezonde ervaring. Dikwijls leidt het tot een nieuwe be-aming van het leven.

 

Niet uit verlangen

Dezutter en Corveleyn gaan in op het verlangen zoals zij dat in een van de voorbeelden uit mijn eerste artikel aanwezig zien. Deze vrouw riep, nadat ze een televisieprogramma over engelen had gezien, God en Jezus aan om hulp. Vervolgens geven Dezutter en Corveleyn de visie van Vergote weer, die stelt dat verschijningen ‘gegrond zijn in sterk affectieve motivaties zoals het verlangen om bovennatuurlijke personen te zien’. Vergote geeft het voorbeeld van een rouwende wiens bewustzijn ‘bezet’ is door de overledene. ‘Deze intense betrokkenheid op de overledene kan de fysieke aanwezigheid laten ervaren. Het is een vluchtige, subjectieve perceptie veroorzaakt door de emotionele toestand van de rouwende persoon.’
Het waarnemen van overleden mensen is geen onderdeel van mijn onderzoek geweest, maar de beschrijvingen van Christusverschijningen laten zien dat Vergotes vergelijking met een rouwende niet opgaat. Niemand was in die mate op Christus gericht als een rouwende op de geliefde met wie men heeft geleefd. Men was niet ‘bezet’ door Christus zoals een nabestaande dat kan zijn. De relatie met Christus was vóór de verschijningservaring niet zo intens, dat is veelal pas daarna ontstaan. Het volgende citaat van een van de respondenten beschrijft wat in vrijwel alle reacties naar voren komt:

‘Vóór de ervaring was Jezus voor mij een hooggeplaatst iemand, ver weg van het alledaagse, meer een figuur in ideële zin. Nu is hij gewoner geworden, meer een broeder dan een afstandelijke heilige. Jezus is voor mij een metgezel geworden.’

Sommige respondenten hadden zelfs in het geheel geen geloofsachtergrond en geen vertrouwdheid met Christus. Ook de vrouw die de tv-uitzending had gezien, verlangde niet naar een verschijning. Ze riep God en Jezus om hulp, maar de verschijning verraste haar volkomen.

 

Verschijningservaringen en de rede

Natuurlijk kan, zoals Ganzevoort voorstelt, in plaats van de waarheidsvraag, de vraag centraal komen te staan of, en zo ja, hoe de ervaring bijdraagt aan een waarachtig in het leven staan en aan een ‘echte’ relatie met God. Hij geeft mooie voorbeelden, die ook terug te vinden zijn in de ervaringsverhalen. Deze gevolgen van de verschijningservaring geven al aan hoe belangrijk het gebeuren is geweest voor de ziener. Toch is de waarheidsvraag te boeiend en te belangrijk om te negeren. Daarom kijken we nu naar de principiële vraag of het waar kan zijn dat Christus werkelijk aanwezig is bij een verschijningservaring. Is het mogelijk dat mensen in deze aardse werkelijkheid Christus zien?
Zij die een verschijning hebben meegemaakt, zijn ervan overtuigd dat de gestalte, die zij interpreteren als Christus, vanuit een andere werkelijkheid hun leefwereld binnenkomt. Is deze stelligheid van de zieners een duiding van het feitelijk bestaan van een andere werkelijkheid en de aanwezigheid van Christus daarin? Of is het ‘slechts’ een geloofsuitspraak? Is de rede in staat iets te zeggen over het waarheidsgehalte van de bewering? En wat is: ‘Christus zien’? Is dat per se een ontologische kwestie? Is dat per se een vraag naar het empirisch bestaan van God/Christus?
Waardevol bij deze vragen is het citaat van Emil Brunner over het ‘bestaan’ van God, en de aandacht die Ganzevoort vraagt voor het gegeven dat er dingen zijn die ons overstijgen. Als mens moeten we de beperktheid van ons ken- en denkvermogen erkennen. William James schrijft dat de mystieke ervaring inzicht geeft in dieptes van waarheid, die door het logisch verstand niet kunnen worden gepeild (James, 2005). Hij zegt daarmee dat er kennis is die we, zonder dat de rede er grip op heeft kunnen krijgen, moeten aanvaarden. Men wordt in het ‘hart’ geraakt, en het hart is zetel van andersoortige kennis en van emotie die niet via het denken gaat (Stoker 2004). Ook Blaise Pascal noemt het kennen van God een zaak van het hart, niet van de filosofen. De traditie van de God der vaderen berust op geloof en openbaring en niet op de menselijke rede.
Deze erkenning van de menselijke beperking om vanuit de rede over God en het transcendente te denken en te spreken is een eerste vereiste. Maar daarna is er in wetenschappelijke zin toch wel iets te zeggen over de waarheidsvraag. Geloofskennis is affectieve kennis, maar hangt wel nauw samen met cognitieve kennis. Het verstand maakt iets samenhangends van datgene waardoor we in het hart worden geraakt. Alleen daarna is er communicatie mogelijk over religieuze ervaringen. James houdt het voor mogelijk dat mystieke gevoelens hogere gezichtspunten zijn, vensters waardoor de geest uitziet op een wijdere en meer omvattende wereld. Het zou wel het meest juiste inzicht kunnen zijn in de zin van dit leven. Door ze als niet ter zake doende terzijde te schuiven, missen we een kans onze horizon te verbreden (James 2005). Die communicatie is dus belangrijk vanwege de critici die er ook in de theologie en in de kerk zijn, en vanwege de criteria ter onderscheiding.

 

Onderzoeksmethode

Ganzevoort stelt dat ‘de waarheidsvraag niet wetenschappelijk te beantwoorden is’. Er kunnen inderdaad geen uitspraken worden gedaan in de zin van ‘absoluut waar’ en ‘niet waar’ met een zekerheid en geldigheid zoals die in de natuurwetenschappen gelden. Voor deze ervaringen is een andere onderzoeksmethode en doelstelling nodig en hebben we behoefte aan andere criteria. De insteek van de praktijk- georiënteerde rationaliteit is een passende onderzoeksmethode in het gebied van de geesteswetenschappen. De rede staat dan niet tegenover het onderzoeksobject om dat te beoordelen; de onderzoeker probeert een ervaring die in de praktijk van het leven voorkomt, te begrijpen en er structuur in aan te brengen met behulp van de rede.
Een vorm van praktijk-georiënteerde rationaliteit is het presumptionisme dat het principe van redelijke aanvaarding hanteert. De stelregel van de redelijke aanvaarding luidt: ‘het is redelijk beweringen als geloofwaardig te accepteren zonder er eerst redenen voor te geven, tenzij er redenen tegen worden aangevoerd’ (Stoker 2004, 103). De ervaringen vanuit de praktijk kunnen daarom het object van het onderzoek zijn. Het doel is te komen tot een verantwoorde en redelijke uitspraak over de bewering van mensen dat ze Christus hebben gezien. Dan gaat het dus ook over het werkelijkheidsgehalte van de ervaring, niet alleen over de subjectieve beleving en de gevolgen ervan.

 

Hallucinatie of werkelijke aanwezigheid?

Dezutter en Corveleyn kijken bij hun interpretatie eerst naar de ‘hallucinatie’. Een letterlijke uitleg van de definitie van de hallucinatie in de Diagnostic and Statistical Manual (DSM) leidt tot de conclusie dat een verschijning pathologisch is wanneer het een hallucinatie is. Is het een hallucinatie? Van Praag en Vergote beschouwen, aldus Dezutter en Corveleyn, een verschijningservaring niet per se als psychopathologisch, wel als hallucinatie. Bij een hallucinatie is er geen externe bron voor de waarneming. Vergote stelt dat er, net als in de droom, bij een verschijning ‘geen grijpbaar object in de buitenwereld voorhanden is’. Van Praag ziet verschijningservaringen als ‘een gemoedstoestand waarbij het symboolkarakter van het godsprincipe meer concrete vormen gaat aannemen, wat visuele representaties kan veroorzaken’. De kernvraag bij dit alles is dus of de visuele representatie verwijst naar een externe bron. Kan er een echte aanwezigheid zijn uit een andere werkelijkheid? Kan Christus er zijn?
Mijns inziens is het belangrijk twee zaken te onderscheiden. Als iemand Christus ziet, op welke manier is dat dan Christus? Het gaat er om ‘zien’ (in de ervaring) te onderscheiden van het zien met de zintuigen. Uit de voorbeelden uit de praktijk blijkt dat het beeld dat men met de zintuigen waarneemt, het beeld kan zijn dat in het geheugen van de ziener aanwezig is. Het is het beeld dat men bewust of onbewust eerder heeft opgeslagen nadat men het heeft gezien als illustratie, in museum of film, of zichzelf heeft gevormd bij verhalen. Dat is de reden waarom de verschijningsgedaante verschillen kan. Sommige mensen geven aan waar ze dit beeld hebben opgedaan, zoals de arts die een ets van Rembrandt noemt. Of dat altijd zo is, is niet te achterhalen, we zijn ons er meestal niet van bewust. Men kan soms achteraf de herkenning opmerken met behulp van de bron.

We staan nu eerst stil bij de vragen die hierdoor opgeroepen worden. Als de eigen beelden uit het geheugen waargenomen worden, is het dan wel een verschijning van Christus? En als de beelden zo divers zijn, wat is dan zijn werkelijke gedaante? Eerst kan opgemerkt worden dat ook in het Nieuwe Testament beschreven wordt dat Christus in verschillende gedaantes verschijnt. In het evangelie van Marcus, hoofdstuk 16 vers 12, wisselt hij in kort tijdsbestek van gedaante. De andere evangelisten komen met heel andere beschrijvingen en ervaringen. In de geloofstraditie staan eveneens diverse vormen beschreven waarin een verschijning van Christus gestalte krijgt. Ook daarbij spelen kennelijk persoonlijke factoren een rol. We kunnen hieruit concluderen dat Christus niet werkelijk te zien is met onze ogen. Onze beelden zijn niet Christus, maar wat er in de loop van de interpretatiegeschiedenis van Christus geworden is. Christus geeft zich nooit volledig prijs en is door niemand in geen enkele periode in de geschiedenis volledig en afdoende in kaart gebracht. Als we dat beseffen, weten we dat allerlei verbeeldingen ons een beeld van Christus hebben gegeven, we weten niet wat de echte werkelijkheid van Christus is. Daarmee beseffen we onze eerdergenoemde menselijke beperktheid. Geloofsmysteries zijn niet te kennen en te beschrijven omdat ze ons kennen te boven gaan en aan onze uitdrukkingsmogelijkheden ontsnappen.
Na deze aandacht voor het beeld dat de ziener heeft waargenomen, kijken we naar het geheel van de ervaring. Zoals in de redactionele introductie van dit nummer al werd aangegeven, heb ik zelf een verschijningservaring gehad. Deze zal ik gebruiken ter illustratie.

Ik zag Christus in de gestalte van een mens, maar met een lichaam dat geen ruimte inneemt, stralend en doorschijnend als licht. Ik was me er niet van bewust dat ik dit beeld van Christus bij me droeg. Ik nam hem waar als de opgestane Christus. De verschijning sloot aan bij mijn verdriet om zijn diepe lijden en zijn sterven, zoals ik dat op dat moment las in het evangelie. Was het beeld, dat ik bij de verschijning waarnam, mijn voorstelling van Christus of paste Christus zich aan bij het beeld dat ik van hem had, of paste hij zich misschien zelfs aan bij het verdriet dat ik om hem had? Hij toonde zich aan mij als de ‘niet-lijdende’, de verheerlijkte Christus. Dat was de boodschap die hij mij heeft nagelaten. In mijn beleving was hij werkelijk bij mij. Was er werkelijk een grijpbaar object in de buitenwereld voorhanden? Ik stak mijn hand uit, maar ik wist tegelijk dat niet ik degene was die daartoe het initiatief had genomen, het was alsof mijn hand uitgestoken werd; ik werd daartoe uitgenodigd en geleid. Christus nam mijn hand vast. Het was de ervaring van een menselijke handdruk. Er ging veel troost en liefde van uit. Dit heeft geleid tot een leven lang vertrouwen in Christus en de ervaring van een levenslange nabijheid van Christus.

De Zweedse theoloog en filosoof Emanuel Swedenborg beschrijft ook de ervaring door Christus te zijn aangeraakt: ‘Ik hief mijn handen op. Toen drukte een hand stevig mijn handen. Toen lag ik aan Zijn borst en schouwde Hem van aangezicht tot aangezicht. Het was een gezicht met zulk een uitdrukking van heiligheid, dat ik het niet beschrijven kan’ (Lawrence 1998). Is deze intimiteit mogelijk bij een hallucinatie? Bij een mystieke ervaring is dat mogelijk. Volgens James is een van de kenmerken van een mystieke ervaring dat ‘het wilsvermogen van de mens is opgeschort en dat men kan voelen door een hogere macht te worden vastgehouden’ (James 2005, 282).
Dit is in tegenspraak met de visie van Vergote, als hij een verschijning vergelijkt met een droom waarbij er ‘geen grijpbaar object in de buitenwereld voorhanden is’. Een aanwezigheid van Christus is inderdaad niet grijpbaar in die zin dat het empirisch aangetoond kan worden of dat een mens erover beschikken kan. Maar kan een lichamelijk voelbare aanwezigheid, die bij de ontvanger ook een lichamelijke handeling oproept, geproduceerd worden door processen in de psyche? Kan een hallucinatie zo’n uitwerking hebben dat het een blijvende verbondenheid met Christus geeft?
In de verschijningservaringen in het Nieuwe Testament wordt Christus ook beschreven als lichamelijk aanwezig. Hij loopt met mensen mee, spreekt met hen en eet brood en vis. In ieder geval is dit zichtbaar worden van dit –al dan niet eigen – beeld, een reactie op een overweldigende ervaring. Een verschijning die meer is dan het waarnemen van de eigen beelden.
Door middel van vier argumenten vanuit de rede wil ik mijn visie verder verhelderen en motiveren.

 

Vier argumenten

Een eerste argument dat de ervaring van mensen kan ondersteunen dat Christus werkelijk aan hen is verschenen, is het gegeven dat de auteurs in de Bijbel in hun verhalen laten zien dat er ontmoeting mogelijk is tussen de goddelijke en de aardse werkelijkheid, én dat die ontmoeting altijd grootse en indrukwekkende gevolgen heeft. In het Oude Testament spreekt God met mensen. In het Nieuwe Testament vertellen de vier evangelisten en het boek Handelingen dat Jezus na zijn dood aan mensen is verschenen. Dezutter en Corveleyn geven aan dat binnen de christelijke traditie de mogelijkheid aanvaard is dat God zich toont. Als de traditie erkent dat dit vroeger gebeurde, kunnen mensen het in deze tijd ook meemaken. De christelijke traditie is zelfs gebouwd op de verschijningservaringen van tweeduizend jaar geleden. Als het inderdaad zou gaan om hallucinaties, kunnen deze het dan zo lang uithouden en zulke wereldwijde gevolgen hebben?

Een tweede argument is het gegeven dat na het vaststellen van de bijbelse canon verschijningen van Christus zijn doorgegaan. Als God zichzelf openbaart, kan het niet zo zijn dat deze openbaringen stoppen wanneer mensen besluiten een geloofsboek vast te stellen. Dat zou betekenen dat God gebonden is aan menselijk handelen. In de gehele geloofstraditie komen verschijningservaringen voor. Uit de kerkgeschiedenis blijkt dat men er in het verleden als vanzelfsprekend mee omging; het behoorde bij het geloofsleven (Douven 1988). De verschijningen hebben ook in de traditie mensen kunnen aanzetten tot een moedige en authentieke inzet voor kerk en samenleving (Bras 1988). Het gegeven dat verschijningen in alle tijden voorkomen, dat er een consequente lijn is vanuit het Nieuwe Testament door tweeduizend jaar geschiedenis naar de tijd van nu, leidt tot de conclusie dat het ervaren van een verschijning van Christus vanuit een andere werkelijkheid tot de mogelijkheden behoort. God/Christus is niet gebonden aan de bijbelse tijd en die context.

Een derde argument is het gegeven dat ook in het algemeen menselijk denken erkenning te vinden is van het bestaan van een werkelijkheid naast de alledaagse en zichtbare wereld. Plato (427-347 v. Chr.) spreekt van een open bewustzijnsveld waar onze dagelijkse ervaringswerkelijkheid en het menselijk bewustzijn mee in relatie staan. Heidegger (1889-1976) onderscheidt het ‘Zijn’ van het ‘zijnde’. Op het moment dat we de beperking van het leven aanvaarden, is ons bewustzijn ontvankelijk voor een andere, ons onbekende werkelijkheid. Het Zijn kan zich dan openbaren (Van den Brink 1994 en Störig 1959). Ook hedendaags filosoof Otto Duintjer ziet het menselijk bewustzijn niet als een afgesloten ruimte. Wij staan in verbinding met een bovenpersoonlijke werkelijkheid, die voortdurend dichtbij ons is én toegankelijk is. Het kan zich manifesteren als er bij ons openheid en ruimte is (Duintjer 2002). Dit derde argument geeft aan dat niet alleen de theologie, maar ook het algemeen menselijk denken een werkelijkheid buiten het zichtbare bestaan erkent. Bij Heidegger blijft ‘de plaats van God’ leeg. Voor Duintjer echter is ‘het alomtegenwoordige altijd en overal tegenwoordig en juist daarom Tegenwoordigheid hier en nu. Het wachten is op onze tegenwoordigheid ter plekke, op onze bewustwording (Duintjer 2002). Het gaat Duintjer om spirituele transcendentie (Stoker 1990).
De theologie kan aan dit derde argument, dat het menselijk bewustzijn kan transcenderen naar een andere werkelijkheid, toevoegen dat het mogelijk is Christus waar te nemen tijdens dit transcenderen. De joods-christelijke traditie kent een relationele transcendentieopvatting. God wordt ervaren als Ander. De Ander behoort niet tot onze werkelijkheid, er kan wel een ontmoeting zijn met de goddelijke werkelijkheid. Zo kunnen mensen die vanuit het geloof of de cultuur kennis hebben van Christus, tijdens een transcendentie-ervaring Christus waarnemen als een Ander die buiten onze werkelijkheid bestaat. Dit is in overeenstemming met Ganzevoort, die schrijft dat ‘de geloofswerkelijkheid die in de Christusverschijning ervaren wordt in relationele termen beschreven moet worden. Het gaat niet om een ‘objectieve’, ‘ontologische’ werkelijkheid buiten ons en evenmin om een ‘subjectieve’ projectie van binnenuit. Het gaat om de relatie tussen mens en God die in de ervaring van de Christusverschijning gestalte krijgt.’ Deze uitdrukking vind ik erg mooi.
Toch is de kwestie of verschijningen hallucinaties zijn, met deze drie argumenten nog niet goed beantwoord.

Een vierde argument, dat hier mogelijk wel een antwoord op kan zijn, komt uit de fenomenologie. De Franse fenomenoloog Jean-Luc Marion beschrijft fenomenen die de menselijke intentie en waarneming ver te boven gaan. Hij noemt ze ‘verzadigde fenomenen’. Het fenomeen is zo overvloedig dat het onze waarneming volkomen verzadigt (Stoker 2004). Ganzevoort schrijft dat men door een kunstwerk of muziekstuk zo geraakt kan worden, dat het een transcenderende ervaring wordt. Kunst en muziek zijn voorbeelden van een verzadigd fenomeen, net als de natuur, het lichaam van de geliefde en de liturgie in de kerk. Een verschijning van Christus kan ook worden beschouwd als een verzadigd fenomeen; de kenmerken die Marion geeft, zijn terug te vinden in de beschrijvingen die mensen geven van hun verschijningservaring. Een van de kenmerken is dat het verzadigd fenomeen zich niet laat reduceren tot de persoon die het waarneemt; het blijft iets waar men niet de beschikking over heeft. Het verschijnt en onttrekt zich weer aan de waarneming. Zo wordt ook de verschijning van Christus ervaren. Met noemt het een gave, die niet op te roepen of vast te houden is. In de meeste beschrijvingen valt het woord ‘genade’.
Een verschijningservaring is dus naast een transcendente ervaring buiten het menselijk bewustzijn, ook een trans-intentionele ervaring, waarbij het initiatief bij de Ander ligt. Het begrip ‘verzadigd fenomeen’ geeft in wetenschappelijke zin ruimte om een verschijning van Christus als mogelijkheid te erkennen. Dit vierde argument raakt dus wel aan de vraag of een verschijning een hallucinatie is. Er is sprake een trans-intentionaliteit. De aanwezigheid vanuit de goddelijke werkelijkheid manifesteert zich. De ervaring is veel meer dan het beeld dat men waarneemt.

 

Conclusie

Om al deze redenen wil ik er voor kiezen een Christusverschijning te beschouwen als een trans-intentionele aanraking, vanuit een ons overstijgende werkelijkheid, buiten de menselijke intentie om. Een Christusverschijning is een teveel aan waarneming, het geeft buitenmatig meer dan men ooit voor mogelijk had gehouden, het heeft een diepgaande en blijvende invloed op het leven. Een hallucinatie die uit de eigen psyche voortkomt, heeft deze kenmerken en de diepgaande doorwerking niet.
Misschien zijn er meer mogelijkheden dan het typeren van ervaringen ofwel als ontologische werkelijkheid dan wel als hallucinatie.


Berthilde (drs. B.) van der Zwaag is werkzaam als theoloog in Eindhoven (www.berthildevanderzwaag.nl).
Haar boek Als Christus verschijnt (2e druk; € 10,00 plus verzendkosten) is te bestellen via Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

Literatuur
Bras, K.E. (1988) Muziek van zuiver zwijgen. Een overzicht van de christelijke mystiek. Kampen: Kok.
Brink, G. van den (1994) Oriëntatie in de filosofie. deel 1 en deel 2. Zoetermeer: Boekencentrum.
Douven, K. (z.j. 5 1988) Het Christendom op weg naar de 21e eeuw. Van Christusbelijdenis tot Christuservaring. Soest: eigen beheer
Duintjer, O. (2002) Onuitputtelijk is de waarheid. Budel: Damon.
James, W. (1902 (vert. uit het Engels) 5 2005) Vormen van religieuze ervaring. Een onderzoek naar het wezen van de mens. Amsterdam: Abraxas.
Lawrence, J.F. (1998) Swedenborgs epische reis. In: Emanuel Swedenborg. Ontwaken uit de dood. Een spirituele beschrijving van de reis van de ziel naar spirituele gebieden na de lichamelijke dood. Breda.
Stoker, W. (2004) Is geloven redelijk? Zoetermeer: Meinema.
Stoker W., ‘Transcendentie’ in de post-metafysica van O. D. Duintjer. In: Cultuur als Partner van de Theologie. Opstellen over de relatie tussen de cultuur en godsdienstwijsbegeerte, aangeboden aan Prof. dr. G.E. Meuleman. Kampen: Kok 1990.
Störig, H.J., (1959) Geschiedenis van de filosofie. Een volledig overzicht van het wijsgerig denken van de oudste tijden af. Deel 1. Utrecht etc.: Prisma-boeken.
Zwaag, B. van der, (2008) Als Christus verschijnt. Christusverschijningen in deze tijd. Kampen: Kok.

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn