Artikelen

Logo

(Leestijd: 7 - 14 minuten)

Schilderman HansPastoraat lijkt klem te zitten tussen kerk en zorg. Hans Schilderman schetst de ambivalentie en poogt de vraag of er een uitweg is uit dit dilemma te beantwoorden in een drietal stellingen, met het doel om in het kader van de overige bijdragen in deze editie van Handelingen bij te dragen tot discussie over het vak.

Pastorale zorg is de zorg die een pastor kerkelijk verleent met het oog op een spiritueel doel. Deze bevattelijke definitie heeft oude papieren. Dat blijkt al in de pastorale metafoor van de herder die ‘hoedende’ taken verricht als bescherming, voeding en leiding.
Dergelijke bijbels belegde beelden beklemtonen zaken als spirituele bemoediging, troost en vermaning in het dagelijks leven, in de context van de levensgebeurtenissen die mensen overkomen of waarmee ze worstelen. Maar tegelijkertijd bevat het traditionele beeld van de herder ook ambtelijke connotaties van leiderschap en een daarmee impliciet gegeven onderscheid naar kwaliteit van geloven, namelijk zij die daarin voorgaan en zij die daarin geleid moeten worden.


De vergelijkbare term ‘zielzorg’ (cura animarum) verwijst in dat verband, onder katholieken reeds vanaf de middeleeuwen, behalve naar persoonlijke begeleidingstaken, ook naar kerkelijke bevoegdheden tot sacramentsbediening in een geografisch bepaald gebied.
Voor protestantse kerken staat bij dergelijke ambtelijke zielzorg eerder het ‘kerygma’ centraal, dat wil zeggen de verkondiging en prediking. Dit kan zijn ter ondersteuning en bemoediging van de lokale gemeente, dan wel in de vorm van evangelisatie of apostolaat, waarbij de klemtoon eerder ligt op het verbreiden van het geloof.
In meer evangelisch perspectief kan pastoraat opgevat worden als heling, waarbij een predikant daadwerkelijk lichamelijk genezend dienstwerk namens Jezus Christus verricht. Of in nog andere bewoordingen, zoals die van Bonhoeffer: geestelijke zorg is per definitie de zorg die God zelf betoont.
Hoe dan ook, wie pastorale zorg in kerkelijke zin opvat, krijgt nu eenmaal te maken met een confessioneel indelingsbeginsel, waarin wezenlijke verschillen bestaan zowel in het kerkelijke aanbod – laten we zeggen de ingezette heilsmiddelen – als in de religieuze interpretatie van de veronderstelde en beoogde werking ervan. Zo is pastorale zorg niet zomaar zorg voor de ander, maar altijd ook zorg namens een kerk en met het oog op de orthodoxie van haar confessie.

 

Helpende relatie

Veel praktisch theologen kennen uit hun opleiding de karakterisering van pastorale zorg, zoals William Clebsch en Charles Jaeckle die in een historisch artikel beschrijven in termen van pastorale kerntaken als: helen (healing), bijstaan (sustaining), begeleiden (guiding) en verzoenen (reconciling) (Clebsch & Jaeckle 1967; Heitink 2005). Het zijn termen die het pastoraat bevattelijk omschrijven, maar die tevens de vraag oproepen wat de taken praktisch van elkaar onderscheidt en in hoeverre de actoren in die praktijk daarbij zelf voldoende in beeld komen.
Niet alleen blijft onduidelijk welke verschillende methoden een pastor daadwerkelijk inzet, ook het onderliggende geestelijke proces bij de pastorant is er nog niet mee aangeduid: wat wordt er eigenlijk geheeld, begeleid, bijgestaan of verzoend? Bovendien, waaraan meten we af wat het resultaat van dergelijke pastorale taken en activiteiten eigenlijk is? Gaat het daadwerkelijk om de werkzaamheid van pastoraal optreden of staat uiteindelijk toch vooral de normatieve intentie, respectievelijk de theologische opdracht centraal?
Dergelijke vragen werden indirect eigenlijk al gesteld in de holistische visie van Howard Clinebell, die in de jaren zestig de pastorale zorg van haar exclusief kerkelijke context bevrijdde door de pastorale gespreksvoering in gesprek te brengen met therapeutische zorg (Clinebell 1984).
Sindsdien verschenen diverse studies waarin pastorale en klinische zorg – vooral ook gevoed door inzichten uit de Klinisch Pastorale Vorming – op elkaar betrokken werden, zodat ze in het kader van geïntegreerde concepties van zorg begrepen konden worden.
Zo legde Gerben Heitink de volgende definitie ten grondslag aan zijn proefschrift Pastoraat als hulpverlening:
    ‘Onder pastoraat als hulpverlening verstaan wij, dat een pastor een helpende relatie aangaat met mensen om –
     in het licht van het Evangelie en in verbondenheid met de gemeente van Christus –
     met hen een weg te zoeken in geloofs- en levensvragen’ (Heitink 1977).
En in een veelgelezen vervolgstudie ontwikkelde hij deze opvatting behalve in theologische zin, door de individuele zorg voor pastoranten te plaatsen in de context van de sociale en professionele differentiatie van de hulpverlening (Heitink 2005).
Ten slotte wordt in een wederom veel gehanteerd handboek door Ruard Ganzevoort en Jan Visser het pastoraat eenvoudigweg omschreven als ‘zorg voor het verhaal van mensen in relatie tot het verhaal van God’ (Ganzevoort & Visser 2007). De auteurs onderscheiden daarbij weer diverse modellen van pastoraat, die ze vervolgens betrekken op kernthema’s in de zelfbeleving van mensen, en in het bijzonder hoe mensen die ervaringen verhalend vormgeven.

 

Kerkelijk divergent

Dergelijke invloedrijke studies hebben de begripsvorming van pastoraat in Nederland onder pastores ongetwijfeld in hoge mate bepaald. Het is echter de vraag of daarmee ook de conclusie getrokken kan worden dat er nu een maatschappelijk transparant en publiek herkenbaar beeld bestaat van de steun en hulp die pastores bieden, respectievelijk van de zorg die pastoranten kunnen verwachten.
Enerzijds wordt het feitelijke aanbod nog steeds in ambtelijke termen omschreven en is daarmee kerkelijk divergent. Dat blijkt bijvoorbeeld in de historisch en dogmatisch uiteenlopende omschrijving van sacramenten en kerygma in de verschillende tradities van kerkelijke bediening en in het naast elkaar bestaan van confessioneel uiteenlopende ambtsopleidingen voor een qua omvang uiteindelijk zeer bescheiden beroepsgroep.
Kerkelijke divergentie blijkt eveneens in de geestelijke verzorging waarin althans tot voor kort felle discussies over ambtsopvatting en kerkelijke zending werden gevoerd, terwijl de pastorale zorg in de arbeidsverdeling en taakvervulling binnen zorginstellingen feitelijk nauwelijks meer kerkelijk onderscheidend is.

 

Narratieve termen

Anderzijds verandert ook de vraag naar pastoraat. Allereerst loopt die terug vanwege de gestaag voortgaande ontkerkelijking en de daarmee gepaard gaande vervaging van pastorale rolverwachtingen.
Ook verschuift de pastorale nomenclatuur van kerkelijke en bijbels belegde termen waarin die vraag volkskerkelijk nog begrepen werd, naar narratieve en eerder seculiere termen als levensverhaal, zingeving en spiritualiteit. Terwijl dit mogelijk aansprekende gemeenplaatsen kunnen zijn voor een geseculariseerde clientèle, blijkt het keer op keer moeilijk om dergelijke termen en de daaronder mogelijk schuilgaande hulpvragen valide af te stemmen op de zorgarrangementen in de professionele hulpverlening.
Volgens sommigen hoeft dat ook niet, en is dat ook expliciet niet de bedoeling. Pastoraat is in die visie slechts bedoeld voor leden van de eigen kerkelijke groep en dient dan ook ingezet te worden met het oog op de ontwikkeling van de eigen overtuigingen van die groep. Weliswaar is dat een legitieme opvatting, maar het wordt al moeilijk indien daaropvolgend ook diaconale hulp verleend wordt en men direct weer in het vaarwater van publieke zorg terecht komt.

 

Is er een uitweg?

Samenvattend luidt de vraag dus: indien het pastoraat inderdaad klem zit tussen kerk en zorg, welke weg voert er dan uit dit dilemma? Ik zal deze vraag pogen te beantwoorden in een drietal stellingen met het doel om in het kader van de overige bijdragen in deze editie van Handelingen bij te dragen tot discussie over het vak.

Stelling 1:
Er is niets gewonnen met het tegenover elkaar stellen van ambtelijke en professionele definities van pastoraat.
Iedere publieke dienstverlening in het kader van een beroep vergt nu eenmaal kwalificaties die transparante normen bieden voor het verbinden van zorgvraag en zorgaanbod. Formele taken worden niet op basis van persoonlijke preferenties uitgevoerd, maar volgens een opleiding met gestandaardiseerde, geaccrediteerde en doorgaans wetenschappelijk ondersteunde methoden en doelen.
Dat geldt eens te meer indien dat beroep in het kader van een ambt gestalte krijgt. Een ambt is een dienstverlening met het oog op de behartiging van een publiek goed, dat in die dienst ook ontwikkeld wordt. Een ambt is een institutionele voorziening die aan een persoon gebonden wordt, die daarmee ook specifieke handelingsrechten verwerft. In de pastorale ambtsopleidingen zijn daarom ook zowel professionele als ambt-specifieke kwalificaties vereist, die in een verklaring van kerkelijke bevoegdheid – in welke confessionele variant ook – op elkaar betrokken worden.
Dat ambtelijke en professionele definities van pastoraat in de praktijk soms toch tegenover elkaar worden uitgespeeld, kan verschillende oorzaken hebben. Soms zijn die motieven juist typisch confessioneel van aard, bijvoorbeeld in de prioriteit die leken op religieuze of theologische gronden toegemeten wordt in het pastoraat. Dat mag ambt-theologisch correct zijn; in professioneel opzicht vergt dat een differentiatie van zorgtaken tussen betaalde en onbetaalde krachten en ontslaat dat gegeven overigens geenszins van de noodzaak om daarbij passende zorgkwalificaties aan te houden.
Maar de motieven om ambt en professie als polen in een discussie over pastoraat te onderscheiden kunnen ook extern zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval indien ambtelijke kwalificaties niet meer vereist worden, zoals geregeld het geval is in publieke voorzieningen voor geestelijke verzorging, waar de bevoegdheid om te werken uiteindelijk niet langer een confessionele maar vooral nog een arbeidsrechtelijke aangelegenheid is.1 Ook dan kunnen belangen van ambt en beroep tegenover elkaar komen te staan.
Dat is niet nodig indien pastoraat meer profiel krijgt als generieke overtuigingszorg waarvoor dito kwalificaties noodzakelijk zijn, en ambt als exemplarische vertegenwoordiging van een specifieke overtuiging in specifieke taken wordt aangemerkt. Diffusie moet vermeden worden en demarcatie is daarbij geboden.

Stelling 2:
Pastorale zorg ontwikkelt zich als wetenschappelijke discipline beter in functioneel contact met andere zorgdisciplines.
Op het eerste gezicht is deze stelling een open deur. Er valt van oudsher evidente aandacht voor menswetenschappen en in het bijzonder voor godsdienstpsychologie te bespeuren in bijna alle pastorale opleidingen. Aan de initiële curriculumruimte zijn echter strikte grenzen gesteld en post-initiële scholingen, zoals die elders voor academische beroepen gangbaar zijn, hebben een incidenteel karakter en missen een curriculair verband.
Daarbij zijn de doelen en inhouden van pastorale scholing bovendien aan veranderingen onderhevig. De beklemtoonde humanistische, psychoanalytische of -synthetische theorieën, die sinds de jaren zestig in pastorale en KPV-opleidingen een referentiekader voor pastorale zorg vormden, gelden in de wetenschappelijke varianten van de zorgwetenschappen niet meer als voor de hand liggend referentiekader. Ook de huidige aandacht in de pastorale opleidingen voor het sociaalconstructionisme dat de narratieve benaderingen kenmerkt, vertegenwoordigt in de moderne psychologie slechts een bescheiden niche.
De afgelopen decennia hebben allerlei zorgberoepen zich steeds meer ontwikkeld tot ‘evidence-informed disciplines’, die met empirische methoden de werkzaamheid van de eigen professionele interventies op gedrags- en betekeniseffecten bij cliënten beoordelen. Dat is althans, behalve in de klinische en medische psychologie, ook elders in het zorgspectrum duidelijk waarneembaar, zoals in verpleegwetenschap, palliatieve zorg en gerontologie. Weliswaar wordt in dergelijke disciplines juist ook onderzoek verricht naar zingeving, spiritualiteit en levenskwaliteit, maar pastorale disciplines spelen daarin nauwelijks meer een rol van betekenis.
Riskant is zo dat zowel de pastoraal- of praktische theologie als de geestelijke verzorging binnen het zorgbedrijf in academische zin uitgerangeerd raken. Waar eertijds in de verzuiling kerken en orden nog grote betekenis hadden voor de zorg, is hun positie nu marginaal te noemen.
Dat is eigenlijk een opmerkelijk gegeven in een tijd waarin de zorg vanuit haar institutionele kaders in de gezondheidszorg terug moet keren in het sociale weefsel van de samenleving. Daarin liggen voor kerken en religieuze organisaties juist mogelijkheden, maar die lijken vooral levensvatbaar indien het zorgverkeer ook interdisciplinair en beter geïntegreerd vorm krijgt. Bovendien blijft ook dan een publieke verantwoording van de effecten van pastoraat – dat wil zeggen op de betekenis van haar taken, methoden en interventies – voor einddoelen van de zorg zoals genezing, preventie, levenskwaliteit van het grootste belang.

Stelling 3:
De claims die de pastorale zorg kenmerken zijn normatief qua karakter en borging.
Pastoraat is behalve een empirische ook een praktische wetenschap, in de zin dat ze de betekenis van religieuze waarden, normen en overtuigingen voor handelingen en praktijken tot voorwerp van studie heeft. De aard van deze claim wordt soms als het profilerend kenmerk van pastorale zorg aangeduid, waarbij stilzwijgend aangenomen wordt dat de orthodoxie van de betreffende confessie voor deze aanspraak borgt. Dat laatste lijkt vooral terecht indien die borging ook daadwerkelijk op onderscheiden niveau gestalte krijgt.
Een eerste niveau betreft het kader van pastoraat, namelijk de kerk als normatieve organisatie. Normatieve organisaties kennen een moreel bindmiddel: ze hebben gedeelde overtuigingen als uitgangspunt, en hier betreft dat de spiritueel gemotiveerde intrinsieke waarde van zorg voor anderen. Normatieve borging geldt dan de kwaliteit van die organisatie en betreft de kerkelijke taak om ook voor een extern publiek die overtuiging in termen van visies op hulp en steun te verduidelijken en in te zetten. Borgt de betreffende kerk in haar leiderschap voor deze zaken?2 Uiteindelijk is een antwoord op die vraag een oeroude apologetische, missionaire en diaconale opdracht.
Het tweede niveau is de borging van de aansluiting van deze zorgovertuiging op de beschikbare kaders voor zorg in de samenleving en dat zowel in lokaal als in bovenlokaal opzicht; zowel in termen van financiële als organisatorische condities; en zowel in termen van partiële integratie in de zorg als ook in de vorm van een profilerende specialisatie daarbinnen. Dat is vanwege het beginsel van scheiding van kerk en staat bepaald geen sinecure. Het is echter wel een voorwaarde om overtuigingen in het publieke domein überhaupt van betekenis en invloed te laten zijn.
Het derde niveau heeft betrekking op de normatieve borging in interactieve zin. Daarbij gaat het om antwoorden op handelingsproblemen van mensen. Hierbij staat hulp bij de praktische rede centraal: hoe evalueer ik mijn handelen aan de hand van mijn levensovertuiging (value-based reasoning) en op welke wijze kan ik daarin mijn levensplan gestalte geven (instrumental reasoning)?
Ook hier geldt dat het geleefde ethos een potentieel bindmiddel is. De praktische taak daarbij luidt: personen helpen terug te blikken op de waarden in hun leven en hen vervolgens te steunen in het vinden en ontwikkelen van een levensdoel in de vormgeving van het eigen levensplan. Religieuze en levensbeschouwelijke tradities vertegenwoordigen daarin eeuwenoude hulpbronnen en de belijdenissen van de verschillende kerken bieden exemplarische modellen die daarbij pastoraal inzetbaar zijn.

 

Geen eenvoudige weg

Wordt met deze drie stellingen nu ook inzicht geboden in het dilemma dat pastoraat klem zit tussen kerk en zorg? Hoe dan ook blijkt dat het dilemma niet alleen tal van aspecten kent, maar ook dat er geen eenvoudige weg uit de ambivalentie voert.
Kerk en zorg kennen echter wel een ‘Wahlverwandtschaft’. Beide instituties zijn qua natuur onderscheiden, maar voelen zich tot elkaar aangetrokken en kennen een selectieve affiniteit van interesses en belangen. De geschiedenis van het verzuilde Nederland biedt daarvoor evenzeer prachtige illustraties als de recente discussie over ambt en professie in de geestelijke verzorging. Precies die illustraties laten ook zien dat, indien verschillende instituties interacteren, nieuwe vormen mogelijk zijn die niet zo maar te herleiden zijn tot de aanvankelijke verschillen.

 

Perspectieven in drie lijnen

Dat is het motief om in dit themanummer van Handelingen verschillende perspectieven voor het voetlicht te brengen als het gaat om pastoraat, leiderschap en ambt. In de opzet van dit nummer is daarbij gekozen voor drie lijnen. Twee auteurs beschrijven in samenhangende studies een specifieke pastorale taak, namelijk het luisteren dat een kernactiviteit beschrijft en geldt als elementaire condities voor het herkennen van zorgvragen in het pastoraat. Dan zijn er vijf auteurs die een samenvatting bieden van recente proefschriften op het terrein van pastoraat, waarin het perspectief van hulpvrager en hulpaanbod in beeld wordt gebracht. En ten slotte zijn er een aantal bijdragen waarin ook historische aspecten van pastoraat aan de orde worden gesteld.
Wellicht zit na lezing van deze bijdragen het pastoraat toch minder klem tussen kerk en zorg dan de vraag van deze bijdrage suggereert.

 

Noten
1 Voor een discussie zie: J. Schilderman (2015). Van ambt naar vrij beroep. De geestelijke verzorging als voorziening in het publieke domein. Tijdschrift voor Recht, Religie en Beleid, 6 (2), 5-23.
2 Voor een discussie zie: J. Schilderman (2017). Geloofskwaliteit. Een probleemstelling. Nederlands Theologisch Tijdschrift, 71, 4, 303-317.

 

Literatuur
Clebsch, W.A., Jaeckle, C.R. (1967). Pastoral Care in Historical Perspective, New York 1967
Clinebell, H. (1984). Basic types of pastoral care and counseling. Nashville: Abingdon.
Ganzevoort, R. & Visser, J. (2007). Zorg voor het verhaal. Achtergrond, methode en inhoud van pastorale begeleiding. Zoetermeer: Meinema.
Heitink, G. (1977). Pastoraat als hulpverlening. Inleiding in de pastorale theologie en psychologie. Kampen: Kok, 75, 289-311.
Heitink, G. (2005). Pastorale zorg. Theologie – differentiatie – praktijk. Kampen: Kok.

Hans (prof.dr. J.B.A.M.) Schilderman is kernleerstoelhouder Empirische en praktische religiewetenschap aan de Faculteit der Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen van de Radboud Universiteit in Nijmegen. Hij verricht grondslagenonderzoek naar de empirische en praktische aspecten van religie. Vanuit zijn persoonlijke leeropdracht 'religie en zorg' is hij in het bijzonder geïnteresseerd in de morele en religieuze betekenis van levenskwaliteit in situaties waarin mensen lichamelijk en geestelijk lijden. Als coördinator van de masteropleiding tot geestelijk verzorger publiceert hij over professionalisering in de zorg voor religieuze betekenisverlening.
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn