Artikelen

Handelingen logo01A

Hier vindt u artikelen die niet of niet zo uitgebreid in de papieren versie van Handelingen staan
Ook het Inleidende artikel van een nummer plaatsen we hier meestal

Onder de titel en auteur(s) vindt u de introductie, met daaronder een knop om het hele artikel op uw scherm te klikken
Vanaf het vijfde artikel kunt u doorklikken naar (de artikelen op) de volgende pagina

Als u op het icoontje (met tandrad en pijltje) rechts klikt, kunt u het artikel printen, een link mailen naar iemand die u op het artikel opmerkzaam wilt maken, of een pdf-bestand van het artikel downloaden (voor het pdf-bestand moet u eerst op de leesmeer-knop onder het artikel klikken)


(Leestijd: 5 - 10 minuten)

Start Ciska zw verkleindVoor een goede preek of homilie hoef je niet meer naar de kerk te gaan. Via kerkomroep.nl of kerkdienstgemist.nl zijn per jaar alleen al in Nederland 150.000 kerkdiensten met beeld en/of geluid live of achteraf te volgen, gewoon thuis via de laptop.

Preekkanaal YouTube

Podcasts met dagelijkse overdenkingen zoals op Lazarus.nl en EerstDit.nl hebben in korte tijd een grote populariteit gekregen onder veelal jonge christenen. Niet langer de dorpskerk, maar het internet levert het geestelijk voedsel voor gelovigen en zoekers van allerlei gezindte.
Islamitische vrijdagpreken, hindi pravachan en christelijke overdenkingen van vooral fundamentalistische signatuur zijn in overvloed op YouTube te vinden. Sommige Nederlandse orthodox-protestantse studenten oriënteren zich langs deze weg op puriteinse preken uit de Verenigde Staten.
Hoe groot de invloed van dit verschijnsel is, is nauwelijks te meten, maar de tendens is internationaal en reikt ook buiten de muren van het religieuze instituut.
Dat was wel vaker zo. Het gold ook in de Middeleeuwen al voor de christelijke prediking, wanneer er buiten de specifiek liturgische context en/of in de open lucht gepreekt werd. Tijden waarin verandering in de lucht zat en religieuze opwekking plaatsvond, waren bovendien altijd verbonden met preekbewegingen. Religieuze vernieuwing vraagt immers om communicatie en de prediking is een belangrijke vorm van massacommunicatie.

 

Festival van preken

Dit themacluster over ‘prediking’ geeft een weerslag van een aantal bijdragen op het (vooral protestantse) preekfestival dat op de derde dinsdag in september 2019 in Amersfoort werd gehouden. Dat de dag het karakter van een festival kreeg, correspondeerde met het hedendaagse verschijnsel om van elke liturgische bijeenkomst een op beleving gericht ‘event’ te maken. De ‘festivalisering’ van onze cultuur gaat wat dat betreft niet aan de kerk voorbij.
Het preekfestival diende vooral tot onderlinge bemoediging voor collega-predikers, die het ambacht van de prediking met hart en ziel vervullen maar voor wie het veelal moeilijk is om daar direct resultaat van te zien bij de slinkende aantallen kerkbezoekers. Zoals Augustinus al veelvuldig de apostel Paulus citeerde: ‘Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God gaf de groei’ (Augustinus 2001, 59).
Het verschijnsel prediking bleek het waard om gevierd te worden, zoals Kees van Ekris bij de opening zei: ‘Misschien is een festival wel een uitstekend moment om elkaar te herinneren aan de vreugde van waaruit wij leven en spreken, en aan de vreugde die het doel van ons spreken is.’

 

De preek vieren

In dit themacluster schetsen we een aantal aspecten die het mogelijk maken om de preek te blijven vieren. Zo is daar de blijvende waarde en misschien wel herontdekking van de retorica (Westra). We proeven de spannende confrontatie wanneer preken geen tijdloze waarheden blijven, maar concreet durven worden in de context waarin ze uitgesproken worden (Dijkstra).
En waar tot op vandaag de kwestie van toelating tot het gilde van predikers in sommige kerken een breekpunt blijft, kunt u al dan niet met verbazing en bewondering kennis nemen van prediksters uit de negentiende eeuw die zich toen al evenzeer geroepen voelden tot het predikambt als vele vrouwen en mannen nu (Hof).
Het deed mij denken aan het onderzoek van Anne-Carter Florence naar prediksters uit de Nadere Reformatie. Florence toont aan, dat wie de definitie van prediking oprekt en onder prediking niet alleen het door de kerk geautoriseerde en gesanctioneerde religieuze spreken verstaat, een veel breder en gevarieerder palet van sprekers en preeksters in beeld krijgt dan dat het dominante discours of de traditionele homiletiek laat zien. De magie van het gesproken woord beweegt zich immers breed in onze cultuur.
Hieronder volgt daarom een verkenning van de homiletische kracht die zich daarin momenteel manifesteert.

 

Communicatie en smartphone-cultuur

Onze communicatieve cultuur is meerdimensionaal geworden, zeker als het om massacommunicatie gaat. Beïnvloeding geschiedt door online en offline communicatie tegelijkertijd, door woord, beeld en geluid in samenspel en via een communicatieve strategie die altijd meer dan één medium omvat. De smartphone-cultuur claimt telkens wisselende, korte aandacht. Dat heeft zijn weerslag op de spanningsboog van prediking, die door de tijd heen korter is geworden.
Toch blijkt het gesproken woord nog altijd een belangrijke stem te zijn. In het seculiere veld vormen TED-talks een inspiratiebron voor velen. De jonge klimaatactiviste Gretha Thunberg krijgt media-aandacht vanwege haar acties én toespraken. Zo nu en dan zijn het politieke redevoeringen die de gemoederen raken, zoals de met cultuurchristendom doorspekte redevoering van Thierry Baudet na de verkiezingen in maart 2019.
En een jaar eerder was het de trouwpreek door bisschop Michael Curry bij het huwelijk van de Britse prins Harry en Meghan Markle die wereldwijd bewondering oogstte, omdat hij in staat was in een heel directe aanspraak een herkenbaar thema als de liefde op universele wijze met humor en gevoel te concretiseren en niet schroomde om de pijnlijke kanten ervan ook impliciet te benoemen. Zijn preek was een voorbeeld van retorische ‘celebration’, zijn persoon als zwarte bisschop maakte hem tot outsider die meer kon zeggen dan iedere andere hofprediker ooit zou kunnen doen, en zijn als authentiek ervaren charisma verleende hem een grote gunfactor.
Het feit dat deze preek door velen als uiterst relevant werd ervaren, toont aan hoezeer liturgisch ritueel én adequate verwoording nog altijd een extra dimensie kunnen verlenen aan bezinning op het leven bij tijd en gelegenheid.

 

God herinneren

De meerwaarde van het live gesproken woord, de viva vox van de prediker in of buiten een liturgische bijeenkomst, kan verschillende functies dienen. Vanouds zijn er in elk geval het onderricht, de verkondiging, de vermaning en de vertroosting. De acte van prediking ‘sticht’ niet alleen de hoorders individueel, zoals men in protestantse kringen placht te zeggen, maar ze sticht ook gemeenschap tussen de aanwezigen onderling: men beleeft dít woord in déze situatie, het woord gebeurt.
Theologisch staat er dan ook iets op het spel: niet het woord van de prediker is louter functioneel, het kan tevens een sacramenteel karakter dragen. Het is niet alleen de echo of neerslag van een bijbelwoord van Godswege, maar daarin en daardoor communiceert God zelf met de hoorder.
Deze dimensie raakt aan de diepste drive van de prediker: een woord van Godswege delen. In een tijd van korte concentratie en snelle communicatie is dat een enorme uitdaging, omdat het de lange adem van het luisteren, het bidden en het studeren vraagt. Alleen daarmee houdt de lokale prediker het op de lange duur uit.
Jeffrey Arthurs (2017) karakteriseert de functie van de prediking op die manier in onze veeleisende tijd als ‘remembering God’. Hij haakt hiermee aan bij de meest centrale functie van liturgisch ritueel, namelijk ‘gedenken’. De prediker vandaag heeft de kans om te midden van alle vluchtigheid het geheugen voor God op te wekken, om de herinnering aan God levend te houden en om dat te doen via verhalen, symbool, stijl en ceremonie. Logisch dat narratieve prediking in de homiletiek veel aandacht krijgt.

 

Theologie van verzet

In de homiletische bezinning van het laatste decennium is veel aandacht voor de profetische dimensie van prediking. Dat valt te duiden als een reactie op naar binnen gekeerde theologie en prediking aan het einde van de vorige eeuw. Naast geloofstoerusting is ethiek opnieuw een vigerend thema in de prediking. Dit komt grotendeels op vanuit onvrede met de bestaande dominante neoliberale consumptiecultuur.
Phil Snider en anderen (2018) zien daarbij drie bewegingen in de preken die in deze traditie staan: ze contrasteren de wereld waarin we leven met Gods bedoelingen, ze nodigen de hoorders uit om te proeven van de alternatieve werkelijkheid waarin Gods bevrijdende werk wordt ervaren en ze equiperen luisteraars om recht te doen en waarheid lief te hebben. Deze kritische of profetische dimensie van prediking kan uiteraard alleen gedijen in een atmosfeer waarin de prediking moreel gezag heeft.
Leah Shade (2019) zet vanuit haar onderzoek naar prediking over controversiële thema’s op een rijtje hoe de prediker in dit gezag kan groeien: vooral geworteld blijven in de bijbelse bronnen, de eigen gevoeligheid voor thema’s van gerechtigheid oefenen, concreet zijn en vooral ook in gesprek blijven. Vanuit andere studies blijkt ook hoezeer verbeeldingskracht daarbij van belang is. Kun je je Gods wereld eigenlijk wel voorstellen? Het resultaat zal vast en zeker een meer subversieve prediking zijn.

 

Prediking als dialoog

Het Nederlandse preekfestival was een overwegend protestants en cultureel ‘wit’ initiatief. Wereldwijd heeft prediking meer kleur en klanken.
In de homiletiek wordt preekkunde steeds meer gezien als een onderzoeksveld waarin ook communicatie- en culturele wetenschappen op geïntegreerde wijze bijdragen. De tijd dat de preek vooral toepassing van theologie was, is immers voorbij. De verwoording en belichaming van de prediking zijn uitingen van theologie op zich: het zijn praktijken die staan voor een visie op God, mens en wereld.
Een homileet als John McClure pleit in dat verband ook voor prediking als een vorm van religieuze communicatie die veel verder gaat dan de toespraak van een geautoriseerd persoon tot een groep mensen. Al vanaf de jaren negentig stelde hij een vorm van ‘ronde-tafelprediking’ voor, waarin het schema van spreker versus hoorders wordt doorbroken door van de prediking een evenwaardige conversatie te maken.
Inmiddels ziet McClure deze noodzaak alleen maar groter geworden: in onze wereld is het van ultiem belang om communicatieve ruimte te scheppen waar mensen met elkaar over morele dilemma’s in contact treden en de liturgie en prediking vormen zo’n ruimte. In navolging van Habermas pleit McClure daarbij voor waarheid, recht, betrouwbaarheid en schoonheid als ijkpunten in het discours.

 

Magie

Voor predikers is het houden van een preek of homilie dikwijls een last en vreugde tegelijkertijd. Geloofwaardige prediking is allereerst ambachtelijk en creatief werk, maar het is ook nog eens een persoonlijke investering, soms een worsteling en vaak een geestelijke oefening die het hart van de roeping als theoloog raakt.
God ter sprake brengen, dat kan niet iedereen zomaar. Daar is geestelijk leven en veel gebed voor nodig, alsmede de magie van het gesproken woord en de kracht van de Geest. Kansen genoeg voor een goed woord.

 

Literatuur
Arthurs, Jeffrey D. (2017). Preaching as Reminding: Stirring Memory in an Age of Forgetfulness. Downers-Grove, IL: IVP Academic.
Augustinus, Aurelius (2001). Als lopend vuur. Preken voor het liturgisch jaar 2. Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Richard van Zaalen o.f.m., Hans van Reisen en Sander van der Meijs. Amsterdam: Ambo.
Florence, A.-C. (2007). Preaching as Testimony. Louisville: Westminster John Knox.
McClure, J.S. (2018). Speaking Together and with God: Liturgy and Communicative Ethics. Lanham, MD: Fortress Academic.
Schade, L.D. (2019). Preaching in the Purple Zone: Ministry in the Red-Blue Divide. Lanham, MD: Rowman and Littlefield Publishing.
Snider, Ph. (ed.) (2018). Preaching as Resistance: Voices of Hope, Justice, and Solidarity. St. Louis: Chalice Press.

Bronnen
nos.nl/artikel/2277077-de-uil-van-minerva-en-oikofobie-wat-zei-baudet-nou-eigenlijk.html
preekfestival.nl/2019/09/30/kees-van-ekris-overdenking-openingsbijeenkomst-preekfestival/
trouw.nl/religie-filosofie/lees-hier-de-veelbesproken-preek-terug-die-michael-curry-uitsprak-op-het-huwelijk-van-harry-en-meghan~bde82a17/

 

Ciska (dr. F.) Stark is directeur Onderwijs van de Protestantse Theologische Universiteit in Amsterdam/Groningen en docent Praktische theologie.
E

(Leestijd: 6 - 11 minuten)

Schilderman Hans zw verkleind‘La dolce vita’, het magistrale drama van regisseur Frederico Fellini uit 1960, start met een scène waarin een gigantisch Christusbeeld, hangend onder een helikopter, over de ruïnes van een Romaans aquaduct naar het Vaticaan vliegt. ‘Kijk, het is Jezus’, zeggen schaars geklede dames even later vanaf het luxe penthouse in de Romeinse suburb waar de helikopter boven cirkelt, ‘waar gaat hij naar toe?’

Die scène vormt niet alleen het prachtige startschot voor een beklemmende film, maar terugblikkend eigenlijk ook voor een culturele omwenteling die we met ‘de jaren zestig’ plegen aan te duiden. Nu religie – verbeeld in het bungelende gepleisterde beeld – veel betekenis verloren lijkt te hebben, is zingeving iets dat vooral zelf ontdekt moet worden.
Het goede leven blijkt in Fellini’s drama niet altijd zoet en het zoete leven niet altijd goed. De jetset uit ‘La dolce vita’ is op zoek naar liefde en geluk. Ieder personage heeft daarbij op eigen wijze om te gaan met macht, seks, faam en dood. De toeschouwer kan zich aan dat drama maar moeilijk onttrekken en het laat je ook anno 2020 niet onberoerd.
Zijn de personages in de film waarin menigeen zich zestig jaar geleden – zij het niet zonder schaamte – zou willen verplaatsen, nu gedemoraliseerd en gedesoriënteerd of is dit – een wereld waarin alles simpelweg beschikbaar lijkt of minstens gevonden of gemaakt kan worden – nu eenmaal het leven waarmee we het moeten doen?
Een antwoord biedt Fellini niet; hij houdt de toeschouwer simpelweg een spiegel voor. De regisseur stelde de film in zeven episodes samen, de tijd die God nodig had om de wereld te maken, maar waarin zin en betekenis nu door de mens veroverd moeten worden.

 

Veelzijdig vraagstuk

De vraag naar het goede leven vertegenwoordigt een veelzijdig vraagstuk. De vraag is op uiteenlopende wijze beantwoord; zowel in religieuze en seculiere als in technische zin en steeds in relatie tot een soort diagnostiek van het lijden dat als bedreiging van het goede leven geldt.
Volgens religiewetenschapper Martin Riesebrodt (2009) biedt iedere religie een belofte van een beter leven, en wel gebaseerd op de waarneming dat onze kernwaarden voortdurend bedreigd worden en zonder beroep op een ons overtreffende kracht niet gerealiseerd kunnen worden. Evidente voorbeelden zijn uiteraard het christendom met haar kernmetaforen van lijden, dood en verrijzenis, of het boeddhisme dat het lijden verbindt aan een onjuist begrip van de werkelijkheid en de schadelijkheid van bepaalde emoties en gedachten.
Tegelijkertijd is het lijden een universele categorie die behalve door religies geadresseerd, ook in allerlei wijsgerige tradities omschreven is (Malpas & Lickiss 2012). In tal van culturele contexten en door veel wijsgeren is gereflecteerd op de oorzaak van lijden, de rol van ons bewustzijn in het ondergaan ervan en de uiteenlopende manieren om dat lijden te kunnen dragen of te vermijden.
En ten slotte is er naast een religieuze en wijsgerige ook een eerder technische manier om lijden te begrijpen en te genezen. Pijn, lichamelijk of geestelijk, is het kenmerk dat bij uitstek lijden indiceert. De medische en psychologische diagnostiek stelt oorzaken, behandeltrajecten en resultaten vast, waarbij de geestelijke aspecten van dat lijden soms meegenomen worden maar vaak ook als medisch irrelevant terzijde worden geschoven (Bueno-Gomez 2017). Zo valt telkens een ander licht op het goede leven.
Ligt het in ons eigen bereik of is daarvoor een transcendent perspectief noodzakelijk? En is het goede leven inderdaad wel een universele categorie, laten we zeggen: een vraag die uiteindelijk maar één juist antwoord vergt, of is het een contextuele en multiple vraag, die door ieder in beginsel anders gesteld en beantwoord kan worden? En, zo kun je je verder afvragen, welke zorg vraagt het goede leven? Behoort het tot het domein van fatsoen of van gezondheid en vergt het dito morele of medische ingrepen?

 

Ethisch vaarwater

Wat, zo kun je je afvragen is nu het type vragen dat we hier stellen? Het gaat hoe dan ook niet om vragen met korte of eenvoudige antwoorden. Sterker nog, de vraag naar het goede leven vergt ‘gevaarlijke herinneringen’, zoals aan de talrijke bloedige oorlogen die in de wereldgeschiedenis uitgevochten zijn in de strijd om wat het goede leven is en wie het dicteert; of dichter bij huis conflicten in de intieme sfeer wanneer visies op het goede leven onderling niet langer sporen.
Met andere woorden, het goede leven vergt interpretatietijd waarbij het woordje ‘goed’ verwijst naar de vaardigheid van het wegen van je gedachten hetgeen een beroep doet op ethische wijsheid (Kazes 2007). Daarbij lijkt het beter om vragen op te vatten als een ‘query’, de aanduiding zoals Quakers die hanteren om elkaar morele vragen over het goede leven te stellen, daarmee de valkuil vermijdend van de gedachte dat allerlei externe voorschriften wel zouden voorzien in de juiste levensvoering (Quakers 2019).
Naast het woordje ‘goed’ vergt het woordje ‘het’ aandacht. Waar de vraag naar het goede leven de mogelijkheid van min of meer eenduidige antwoorden suggereert, is het ook een onbepaald lidwoord. Wie de vraag stelt, maakt het tot een existentiële categorie, dat wil zeggen, hij veronderstelt met de derde persoon de eerste persoon van het eigen leven. ‘Mijn leven’ is ‘ieders leven’ en de ‘query’ van de zoektocht naar antwoorden wordt daarmee tot een universele categorie. Echter ook één, waarin de tweede persoon van ‘jouw leven’ vaak makkelijk uit het oog verloren wordt.
Juist deze vraag naar het goede leven van de ander is een uitdrukking van zorg, bekommernis om het welzijn van de concrete ander, die voorrang heeft op de universaliteit van de existentiële vraag naar het goede leven. Althans, met deze suggestie zitten we in ethisch vaarwater. Het goede leven kent dus een typisch morele handtekening.

 

Praktische kant

Echter, er zit ook een praktische kant aan, die mogelijk niet minder morele maar ook empirische kenmerken kent. Niet alleen wordt het goede leven op tal van manieren en in grote sociale en culturele variëteiten geleefd en beleefd, het wordt ook voortdurend als zodanig omschreven en geherdefinieerd in einddoelen als welzijn, geluk, verlossing, bevrijding, levenskwaliteit en de daarbij behorende rechten, plichten en gedragsnormen die in het bijzonder relevant blijken als dergelijke einddoelen niet gehaald blijken te kunnen worden.
Lijden is dan op te vatten als de beleefde afstand tot dergelijke einddoelen, hetgeen een beroep doet op praktijken waarmee deze afstand overbrugd kan worden. Natuurlijk is dat praktischer te zeggen, bijvoorbeeld door bij zonde te verwijzen naar de biecht, bij depressie naar een psychiater of bij ziekte naar een arts. Er zit echter een universele kant aan deze verwijzing of zorg bij lijden, wanneer je dat in verband brengt met zo’n generieke vraag als die naar het goede leven.

 

Fundamentele schok

Psychiater Jerome Frank ging – geïnspireerd door zijn ervaringen als Amerikaans arts gestationeerd op de Filippijnen ten tijde van het Hiroshima bombardement – op zoek naar wat de werkzame stof is in de verschillende medische, wijsgerige en religieuze verbeteringspraktijken die hij tegenkwam.
In zijn boek Persuasion and healing beschrijft hij lijden als een fundamentele schok van de ‘assumptive world’: het geheel van onze basale behoeften die het dagelijkse leven tot een ervaarbare betekeniseenheid maken en die realistische inschattingen mogelijk maken van de doelen die we in ons leven pogen te realiseren. Zo’n schok, door Frank getypeerd als ‘demoralization’, is het onvermogen om te beantwoorden aan de verwachtingen ten aanzien van einddoelen in het leven en vormt daarom een aantasting van de basale behoeften die als motief van het leven gelden.
Hij identificeert vervolgens een viertal universele condities om een dergelijke schok van effectieve zorg te voorzien.
• Dat is allereerst een emotioneel geladen relatie (therapeutic alliance) met een hulpverlener die intrinsiek begaan is met de lijdende persoon.
• Vervolgens is een ‘plaats van heling’ cruciaal: een plek waar de alliantie praktisch gestalte krijgt en de hoop op heling aan een locatie van handeling gebonden wordt.
• Dan is, ten derde, een rationale van belang die de facto overtuigt dat heling mogelijk is
• en die deze ‘mythe’, ten vierde, ook bindt aan een ritueel dat de heling zintuigelijk demonstreert.
Frank spreekt van mythe, omdat de werkzaamheid niet falsifieerbaar is maar op overtuigingskracht berust; een werkzame stof die cultureel aanvaardbaar is en validiteit toegemeten wordt op grond van dominante interpretatietradities als die van filosofie, wetenschap, religie of gezondheidszorg.
Praktisch betekent dit dat heling van lijden naderbij gebracht wordt door het emotioneel versterken van de hulprelatie, het bekrachtigen van de verwachtingen dat levensdoelen wel bereikt kunnen worden, het bieden van nieuwe leerervaringen, het versterken van het zelfvertrouwen en het bieden van praktische oefeningsmogelijkheden.
Kortom, het gaat in Franks psychologie om ‘transformation of meaning’: het praktisch vernieuwen van interpretatiekaders voor het goede leven (Frank 1993).

 

Interpretatiepraktijk

Maar hoe doe je dat nu? Hoe vernieuw je dergelijke betekenissen in je leven vooral wanneer je lijdt? Theologen, filosofen, medici, pastores, psychologen en geestelijk verzorgers buigen zich over de uiteenlopende antwoorden op deze vraag. Hoe verhouden eindmaten van het goede leven als welzijn, geluk, gezondheid, levenskwaliteit of verlossing zich tot ongemak, pijn, stress, ellende en bekommernis? Aan die vraag zit in de zorg nu eenmaal een praktische kant. Hoe benoem je het goede leven, op welke signalen moet je letten en hoe communiceer je dat? En dus bovenal, hoe doe je dat juist op die momenten dat het goede leven ver te zoeken is?

 

Wetenschappelijk drieluik

In deze uitgave van Handelingen beantwoorden een filosoof, een theoloog en een medicus deze vragen naar de interpretatiepraktijk van het goede leven. Zij leggen de klemtoon niet allereerst op christelijke spiritualiteit maar op bezinning in breder, eerder stoïcijns en boeddhistisch kader.
De filosoof gaat daarbij na in hoeverre de wijsheidtradities praktische instrumenten bieden om het goede leven in beeld te brengen: hoe zie je of iemand goed leeft te midden van existentiële vragen die om oplossingen vragen? Hans Thijssen onderzoekt wijsgerige tradities van geluk en vindt daarbij interessante verbanden tussen de Stoa en het boeddhisme.
De theoloog gaat op zoek naar aanwijzingen voor verlossing: waaraan merk je of iemand ‘heil ten deel valt’ juist op die momenten waarin het er om spant? Peter Nissen schetst een omslag in het theologisch denken over het goede leven, van een dualisme dat het geluk als transcendente categorie voorstelt naar een immanente genade waarin God in meervoud ervaarbaar blijkt.
De medicus heeft een diagnostisch instrumentarium om lijden vast te stellen, maar hoe kan zij of hij vervolgens bij pijn, ziekte, en handicaps bijdragen aan een goed leven? Anne Speckens laat zien dat de boeddhistische leer van lijden en geluk echt empirische relevantie heeft, in aantoonbare effecten van mindfulness op depressie, ADHD-symptomen, en mentaal welbevinden bij kanker.

 

Praktische introducties

Na dit drieluik dat wetenschappelijk opgezet is, volgen praktische introducties, waarin verslag wordt gedaan van specifieke interpretatietechnieken van het goede leven in de context van het lijden. Diverse auteurs presenteren ieder op eigen wijze methoden met een klemtoon op verhaal (Wim Smeets), biografie (Ignace de Haes), rite (Paul van de Velde), ethiek (Angeline van Doveren), en spiritualiteit (Barbara Zwaan).
Deze uitgave van Handelingen biedt daarmee een uitwerking van voordrachten en workshops tijdens het 8e Symposium Religie en Zorg, dat plaatsvond op 25 januari 2019 aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

 

Literatuur
Riesebrodt, M. (2009). The Promise of Salvation. A Theory of Religion. Chicago: University of Chicago Press, p. 89.
Malpas, J. & Lickiss, M. (Eds.) (2012). Perspectives on Human Suffering. Dordrecht: Springer.
Bueno-Gomez, N. (2017). Conceptualizing suffering and pain. Philos Ethics Humanit Med 12(1): 7.
Cassell, E. (2004). The nature of suffering and the goals of medicine. Oxford: Oxford University Press.
Kazes, J. (2007). The weight of things. Philosophy and the good life. Malden: Blackwell Publishing.
Quakers (2019). Quaker Faith & Practice. The book of Christian discipline of the Ohio Yearly Meeting of the Religious Society of Friends. Quaker Peace & Service, pp. 46-47.
Frank, J. (1993). Persuasion and Healing: A Comparative Study of Psychotherapy. Baltimore: JHU Press, pp. 21-51.

 

Hans (prof.dr. J.B.A.M.) Schilderman is hoogleraar Religie en Zorg aan de Faculteit der Filosofie, Theologie en Religiewetenschap van de Radboud Universiteit en voorzitter van de afdeling empirische en praktische religiewetenschap. Hij is verantwoordelijk voor de master geestelijke verzorging en publiceert over zingeving, professionaliteit en levenskwaliteit. Hij is tevens hoofdredacteur van Handelingen.

www.ru.nl/personen/schilderman-j/

(Leestijd: 6 - 12 minuten)

Dijk Groeneboer Monique vanDe metafoor ‘water’ voor geloven verwijst naar christelijke uitdrukkingen, zoals ‘God/Jezus is het levende water’. Dat dit geen bekende metafoor meer is in de huidige tijd zal evident zijn. Veel christelijke begrippen verdwijnen uit ons taalveld, omdat de kennis erover ook afneemt. Regelmatig is religiositeit in Nederland echter wel in het nieuws. Met name jongere generaties kennen de christelijke kerk niet meer van binnenuit zoals dat vijftig jaar gelden nog vaak wel het geval was. Wat dat betreft lijkt religie, en zeker de christelijke religie, in Nederland te verwateren.

(Leestijd: 4 - 7 minuten)

Schaeffer HansDit nummer van Handelingen, gewijd aan een specifieke vorm van kwalitatief onderzoek: case studies, wil aantonen hoe waardevol juist deze onderzoeksvorm is voor wie zich – zowel in de praktijk van het werkveld als in onderzoek – met praktische theologie en religiewetenschap bezighoudt.
Ter inleiding geef ik hiervoor de volgende vier redenen. Kwalitatief onderzoek vraagt onze aandacht voor de concrete werkelijkheid, voor het gemarginaliseerde, voor de persoon van de onderzoeker, en voor de samenwerking tussen onderzoeker en degenen om wie het onderzoek draait.

Deze website gebruikt cookies. Door verder gebruik te maken van deze website gaat u daarmee akkoord.